Menno Hurenkamp

De mythe van de onafhankelijkheid

Thans volgt als eerbetoon aan een onafhankelijk denker een desavouering van het idee van onafhankelijkheid. Eind vorige week overleed Edward Said. In Manifestaties van de intellectueel houdt Said een gepassioneerd betoog voor onafhankelijkheid van denkers en schrijvers, die voor alles het gezag de waarheid moeten zeggen. Ik las het tijdens mijn afstuderen, stopte met de bijbaan in het maken van goedbetaald beleidsproza en koos voor de journalistiek. Niet dat ik daarna een vrijgevochten wijsgeer werd, alleen hopelijk minder een klerk. Toch werk ik soms in opdracht van een ministerie. Maakt het veel uit, met wiens geld ik schrijf? Ik geloof het niet. Niet omdat ik overtuigd ben van mijn eigen integriteit, maar omdat ik denk dat van onafhankelijkheid alleen een overspannen idee bestaat.

Wetenschappers, politici, activisten en journalisten moeten volgens de letter van de ongeschreven wet ongehinderd door controle of toezicht hun werk kunnen doen. Aan de randen van de maatschappij lukt dat ongetwijfeld. Dierenbevrijders, hoogleraren Aramees en de radicale arbeiderspartij trekken zich vermoedelijk van niemand iets aan. Voor de overige 99 procent van de «intellectuelen» in Nederland geldt dat ze verweven zitten in financiële, ideologische of sociale netten, die hardop denken absoluut niet verhinderen maar van onafhankelijkheid een hol begrip maken. En dat is maar goed ook.

Neem de betrokkenen rond de lopende integratiediscussie. Het inmiddels beroemde Verwey-Jonker Instituut zou te dicht op het beleid van de afgelopen jaren zitten om het nu te kunnen evalueren. Misschien was een buitenlandse onderzoeker een beter alternatief geweest. Maar wetenschappers moeten volgens gangbare opvattingen steeds meer in hun eigen inkomsten voorzien, en zo gek is dat niet. Dat betekent wel opdrachten vervullen waar de financier (overheid of bedrijfs leven) een direct belang bij heeft; evenwichtskunst bedrijven. Er bestaan geen onafhankelijke wetenschappers, er bestaan wetenschappers met meer of minder belangen.

Sommige vvd’ers vinden nu al dat het integratiebeleid volkomen mislukt is. Dat mag, want politici wegen de feiten en kiezen zonder last of ruggespraak een standpunt. Maar als je je handen aftrekt van wat je partijgenoten deden of vonden — VVD-prominent Hans Wiegel was architect van het minderhedenbeleid — verlies je geloofwaardigheid. Een politicus die los in de ruimte hangt loopt het gevaar niet voor onafhankelijk maar voor een meningenmachine door te gaan.

Nog twee voorbeelden. Veel etnische clubjes trekken met overheidsgeld een grote mond open tegen iedereen die het niet met die etnische clubjes eens is. Dat lijkt inderdaad op schijnzelfstandigheid. Maar als die mensen zonder hulp niet mondig zijn en onvrijwillig marginaal blijven, zijn ze dan serieus onafhankelijk? Ook de media lopen graag aan andermans hand: in de integratiediscussie waren opinies van Pim Fortuyn of de laatste weken van Ali Lazrak veelal leidend in verslaggeving en hoofdredactionele commentaren. Dat is niet per se verkeerd, maar een zelfstandige indruk maakt het niet.

Niet voor niets gebruik ik voorbeelden met expliciete oordelen. Kritiek op iemands te grote afhankelijkheid komt steevast voort uit een meningsverschil met de verdachte, zelden uit een verlangen naar autonoom denken. Er zijn weinig buitenstaanders in Nederland. Je kunt daarom beter niet te veel elkaar de maat nemen, maar hardop je eigen afhankelijkheid aan de orde stellen.