Ismail Kadare en György Konrád

De mythe van het Merelveld

De Albanees Ismail Kadare en de Hongaar György Konrád schreven beiden een boek over de oeroude strijd op de Balkan. De mythe maakt dat niemand zich ervoor verantwoordelijk voelt.

DE SPANNING IS gebroken aan boord van het passagiersschip de SS Slavija. De Joegoslavische marionettenpresident Stipe Mesic, een Kroaat en, tot woede van de Serviërs, formeel Opperbevelhebber der land- en zeestrijdkrachten, eiste, verordonneerde, beval vanaf de brug van de Slavija de doorgang van de flottielje van boten en bootjes met Kroatische politici, kunstenaars en journalisten tot de omsingelde havenstad Dubrovnik. Na twee bange dagen laten — eindelijk! — de fregatten hun op de brug van de Slavija gerichte kanonnen zakken. We worden niet, zoals de oorlogsbodems dreigden, naar de bodem van de Adriatische zee geschoten. De zeeblokkade van Dubrovnik is doorbroken. ‘Is het voorbij?’ vraag ik. Het is november 1991 en Kroatië heeft zich juist eenzijdig onafhankelijk verklaard. De wallen van Dubrovnik zijn in zicht. President Mesic kijkt op. Schudt kort zijn hoofd: ‘It ain’t over till its over. Met Kosovo is deze oorlog begonnen en met Kosovo zal hij eindigen.’


Kosovo. Mythische bakermat van Servisch verlangen. Het Slavische Jeruzalem. Twee jaar eerder, in 1989, sleepte de Servische president Slobodan Milosevic het lijk van de overwonnen Servische vorst Lazar over het Merelveld, even buiten Pristina. Milosevic riep, verklaarde, proclameerde tegenover anderhalf miljoen verzamelde Serviërs dat het trotse Servische volk dat die bitterzoete dag, precies zeshonderd jaar geleden, hun rijk, hun vorst en hun onafhankelijkheid verloor, en in diepste wezen won. Vanaf 1389 overleefden de Serviërs onder vreemde heerschappijen die kwamen en gingen. De nederlaag was overwinning. Ziedaar de kwintessens. En vanaf dat moment zou die mythe zegevieren.



MET KOSOVO BEGON het. Ismail Kadare, Albaniës grootste schrijver, beschrijft in zijn Drie rouwzangen voor Kosovo een Albanees spiegelbeeld van de vermaledijde veldslag op het Merelveld. Literatuur, als zang en mythe, is in de diaspora van de Balkan de veste van identiteit. Kadares rouwzang voor Kosovo zingt treurig, elegisch en met mededogen voor het gedoemde land. Twee rapsoden, de zangers van strijd, verraad en heldendaden, de voorgangers van de schrijver, heffen hun liederen aan, ieder in zijn eigen taal. De Serviër op zijn gusle, het eensnarige instrument, de Albanees op de nagenoeg identieke lahutë. De rapsoden staan zij aan zij, op de vooravond van de slag op het Merelveld, bij de tent van de Servische vorst Lazar. ‘Verhef je Serviërs, de Albanezen hebben ons Kosovo ontnomen’, zingt de Serviër. De Albanese bard stemt zijn instrument en zingt: ‘Sta op, Albanezen, de Slaven ontnemen ons het Merelveld.’


‘Zo gaat het in de wereld’, zegt een van de aanwezige vorsten daarop. ‘In het werkelijke leven stroomt het bloed op de ene manier en in de liederen op een andere, maar niemand zal ooit weten hoe het werkelijk stroomt.’


Mythevorming is een grotendeels negentiende-eeuws fenomeen op de Balkan. Het verhaal — niet dat van Kadare maar het bekende, door Servische propaganda en geïmponeerde westerse journalisten doorgegeven verhaal — van de door de profeet Elias aan vorst Lazar gestelde keuze, diezelfde vooravond voor de slag, tussen een aards of een hemels koninkrijk — hij kiest het laatste — is laatromantische innovatie. Zoals de eenzame strijd der Serviërs tegen de Turk innovatie is. Wie de kruimels informatie in bijvoorbeeld de Vaticaanse archieven opdiept, ziet dat op de Balkan de volkeren, religies, de zelfbeelden van Serviër, Kroaat en Albanees wisselen, dwars door elkaar lopen, onontwarbaar zijn en dus niet-bestaand. Moslims laten zich dopen, Serviërs volgen de vlag van Albanese baanderheren en op het Merelveld vecht de vorst Lazar zij aan zij met de Bosnische koning Tvrtko, met Albanese graven, Kroatische en Hongaarse bojaren, vojvoden van Walachije. En aan de Turkse kant strijden Servische vazallen en Albanezen. Eerst wanneer in de negentiende eeuw Dubbelmonarchie en Verhevene Porte scheuren vertonen, wordt vorst Lazar ondubbelzinnig tot Serviër verklaard en van de weeromstuit de Albanezen tot ‘Turken’. Nog een eeuw later, in het zeshonderdste jaar van de slag, heft de Servische president Milosevic de zelfstandigheid van de autonome provincie Kosovo met een pennenstreek op.


Kadare schrijft een spiegelbeeld van wat Milosevic zweepte. Weliswaar bezwangerd en soms bloedstollend mooi, maar niet minder mythe. ‘Als Griekse tragedies. Van hetzelfde materiaal gemaakt, van dezelfde fijne, diamantachtige stof’, laat de schrijver zeggen. De twee rapsoden, de Serviër en de Albanees, keren the day after het bloedige veld de rug toe. ‘Ze behoorden nu beiden tot een onderworpen volk, maar ze waren noch in staat, noch bereid zich te bevrijden van de oude liederen waarvan de tot een onverbrekelijk geheel aaneengesmede versregels hen voorgoed aan elkaar geketend hielden.’



‘PASS AUF! WIR Serben sind wie verletzte wilde Schweine.’ Het is 1992, het jaar van de dodenkampen. Nikola Jorgic, commandant van een handvol ongeregelde Bosnisch-Servische troepen, kijkt uit over het dal van Doboj. Hij legt zijn pistoolmitrailleur neer, slaat me op de schouder. Ik ben zijn gevangene. Jorgic evoceert, wijst naar het duistere, onheilspellende dal, daar waar moslimstrijders zich schuil moeten houden. Geholpen door Europa. Door mij. Hij lijkt in zijn camouflagepak groot, bijna twee meter. De Eerste Wereldoorlog werd hier ontketend, zegt hij, de Tweede werd hier uitgevochten en weldra de Derde, het Armageddon. ‘Wie een zwijn verwondt, een Serviër verraadt, zal sterven’, herhaalt Jorgic, ‘pass auf! Denn geht das Leucht aus…’


Té veelbetekenend. Van hetzelfde grove stof dat jonge intellectuelen uit Polderland enkele jaren later, toen de oorlog feitelijk al voorbij was, naar het mythische, tragedische, van-voor-alle-tijden zijnde Zuid-Slavië deed trekken. Genitum, non factum: geboren, niet geschapen. In die latere jaren, nu de oorlog feitelijk voorbij is, bezoek ik Nikola Jorgic in zijn Duitse gevangeniscel. Hij draagt een bevlekt blauw trainingspak en is gekrompen tot een meter zestig. Strijkt met zijn handen continu over een gebedenboek. In de dagen dat ik zijn gevangene was, in míjn dagen, heeft hij 53 moslimburgers om het leven gebracht, bewees het Tribunaal. Nu is hij gevangen, klaagt hij. Gevangen door Europa, het Joegoslavië-Tribunaal, de Internationale gemeenschap.



MET KOSOVO begon het. György Konrád, Hongaars schrijver, beschrijft in De oorlog in Joegoslavië — en wat erna kan komen, de strijd waarmee het volgens marionettenpresident Mesic ooit allemaal zou eindigen. Het boek, onlangs door Van Gennep in het Nederlands vertaald, dateert alweer van maart vorig jaar en de schrijver voorspelt ragfijn waaróm de Navo-interventie in Kosovo tot faliekant mislukken gedoemd is. De door Konrád voorspelde en vervloekte grondoorlog is, we weten inmiddels beter, niet losgebroken, evenmin als ongebreidelde UCK-terreur, een voldongen groot-Albanië c.q. een Balkan Armageddon. Niets van dat al. Maar Konrád is boos. Net — enkele weken — is Hongarije lid van de Navo en het land ziet zich betrokken in een aanvalsoorlog. ‘De Europese eenwording is zonder twijfel een kind van de Verlichting, maar we hebben inmiddels ondervonden dat het proces zich ook in omgekeerde richting kan afspelen, gevoed door een middelpuntvliedende of zelfs ontmantelde romantiek’, schrijft Konrád. ‘Op de Balkan zien we die romantiek in actie, als ideologie van de homogene, nationale staat.’


Inderdaad is sinds de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie de wereld veranderd. Te beginnen, bijvoorbeeld, bij de onafhankelijkheid van Hongarije, Konráds vaderland. Maar het pamflettistisch boekwerkje — ‘slechts enkele tegenstanders waagden het hun stem te verheffen tegen de oorlog in Kosovo’ meldt de uitgever parmantig — dateert van maart 1999 en niet van 1918. En in maart 1999 vallen er bommen op Belgrado. ‘De bewapende Serviërs in Kosovo raken vervuld van een wij-besef en richten hun vijandigheid op de Albanezen, die hun de bommen bezorgd hebben’, schrijft Konrád.


Oud verhaal. Van de Servische underdog, godgegeven-onverslaanbaar-slechts-dan-door-verraad.


‘Verhef je Serviërs want de Albanezen hebben ons Kosovo ontnomen.’ Maar waar Kadare evocatief is, is Konrád huilerig. En overschrijdt de grens tussen mythe en leugen. ‘Terwijl ze totnogtoe geen geweld tegen de Albanezen hebben gebruikt, voelen ze zich nu gerechtigd tot verdrijving, wraakneming, het begaan van wreedheden en massale terechtstellingen.’ Pardon? Het bloedbad van Drenica van maart 1998 — 53 mensen — de moorden in Racak, januari vorig jaar — bijna vijftig doden. Konrád spreekt het woord ‘humanitaire interventie’, dat nimmer zonder ironische klank mag klinken, met onverholen sarcasme uit. En zo verwordt het tot een vloek. Want Drenica en Racak gingen aan de bombardementen vooraf. Waren zoniet oorzaak dan wel directe aanleiding.


Maar de Hongaarse schrijver-filosoof ziet met lede ogen hoe de positie van de Hongaarse minderheid in de ooit autonome noordelijke Servische provincie Vojvodina moeilijker en moeilijker wordt. In het federale Joegoslavië van zes republieken en twee autonome provincies kenden de Hongaren in de Vojvodina een grote mate van vrijheid. Onder de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie overheersten ze er zelfs. In het romp-Joegoslavië richten Milosevic’ pijlen zich, na het verlies van Kosovo en de op handen zijnde afscheiding van Montenegro, dreigend richting noorden.



OORZAAK EN gevolg zijn op de Balkan elkaars gelijke. ‘De boosaardige Milosevic’, stelt Konrád, ‘is onmisbaar om de Navo-leiders de glans van morele goedheid te verlenen. Milosevic kwam als geroepen. Hij heeft de duivel zijn tronie geleend.’ Enfin.


Een drieregelig berichtje van Associated Press van 26 maart 1991. Een hoge Kroatische official klapt uit de school dat de president van de Joegoslavische republiek Servië Milosevic en zijn Kroatische collega Tudjman elkaar in het geheim ontmoet hebben op de grens van de twee republieken. Een kleine maand later, op 15 april, wordt in een bespreking in Tito’s jachthut in Karadjordjevo de kaart van Joegoslavië door Tudjman en Milosevic verdeeld. In een geheim aanhangsel verdelen beide presidenten het etnisch gemengde Bosnië in een Kroatisch en een Servisch deel. Het niet-aanvalsakkoord van maart sneeft vijf maanden later in de alsnog uitgebroken bloedige strijd rond Dubrovnik, de Kraijna en Oost-Slavonië. Maar het jaar daarop agiteren de Servische en Kroatische leiders in Bosnië. Onder de vaan van het bloed wordt machtspolitiek gevoerd volgens de tevoren getrokken lijnen. Niks romantiek! Politiek-strategische berekening. En de onzalige roep van Karadjordjevo smoort drie jaar later in de sinistere exclamatie: Screbenica!


Konrád verafschuwt de Wilson-doctrine, die volkeren onder omstandigheden het recht geeft op een eigen staat. Dankzij het Westen heeft Kroatië zich eenzijdig los kunnen scheuren van het warme, federatieve Zuid-Slavië der Volkeren. Waarin, zo mag je denken, het samenleven door het uitschakelen van de negentig procent Albanese inwoners door de Serviërs in Kosovo wellicht wat minder comfortabel was.


Het Westen, zegt Konrád, heeft nationalistisch geweld toegestaan, ervoor gekozen. ‘Het Westen plaatste Milosevic, en je zou kunnen zeggen het hele Servische volk en inmiddels zelfs alle bewoners van heel Joegoslavië, in een schaduw van sprookjesachtige kwaadaardigheid.’ En Kosovo, dat geen bodemschatten kent, ‘biedt wel de mogelijkheid om er militaire steunpunten te vestigen’.


Konrád betoont zich een goed Serviër en schetst het beeld van de Balkan dat West-Europeanen graag zien. Een volk dat de nederlaag op het Merelveld — zo gelooft men hier — als een metafysische zege beschouwt, vindt via de Navo-bombardementen de weg naar Milosevic terug. ‘Het gekwetste volk wordt rond de nationalistische leider verenigd. Men denkt hem tegen te werken, terwijl men hem nu juist bevoordeelt. Men is in zijn val gelopen.’


‘We zijn allemaal schuldig!’ roept Navo-partner Konrád.



JUIST DE MYTHE maakt dat niemand zich op de Balkan verantwoordelijk voelt. Zoniet daarbuiten. En masse bekeren Hollandse polderjongens zich tot het collectieve schuldbewustzijn, lezen ademloos Konráds polemieken, zoals eerder, toen de oorlog feitelijk al over was, intellectuelen in busladingen naar Sarajevo’s ruïnes trokken, slumming, zoals het Engelse woord luidt voor het laven aan het primitieve. De echte wereld volgens Jan en Joris onttrokken aan het verlichte Westerse Begrijp.


Maar de genesis van staten, sinds de ontbinding van het Heilige Rusland, het Heilige Roomse Rijk Deutsche Nation en de Dubbelmonarchie en sinds de ondergang van de Verhevene Porte, de geboortepijn van naties, hoe schokkend ook, is even onvermijdelijk als uiteindelijke wasdom van die staten. Het nationalistische Kroatië, vóór op rij in afscheiding, koos afgelopen week massaal voor de lokale variant van D66. Of de schuchter-onverzettelijke ex-dissident Drazen Budisha of de verlegen-integere Mate Granic wordt de nieuwe president. In Pale woont Radovan Karadzic voor zolang als het duurt nog immer in een villa als een Nibelungenburcht, maar de harde Bosnisch-Servische retoriek maakt plaats voor samenwerking binnen de Bosnische federatie. De Kroaten zijn gepacificeerd. De Bosniërs bijna. Alle Servische steden van enige betekenis zijn in handen van de democratische oppositie. Belgradose jongeren zijn het leven zoals het zich voordoet zat. Willen zijn wat ze worden: Europa. De mythe wijkt, en het net om Milosevic sluit zich.


‘Ze vielen elkaar aan’, dicht Kadare, ‘steeds opnieuw. Hun liederen waren even scherp als hun wapenen: Ik heb zevenhonderd jaar de tijd om al je huizen en burchten in brand te steken. Ik heb zevenhonderd jaar de tijd om je honden af te maken.’ De tijd, in deze nieuwe eeuw, raakt vol.



Ismail Kadare, Drie rouwzangen van Kosovo. Vertaald door Roel Schuyt, uitg. Van Gennep, 111 blz., ƒ24,90


György Konrád, De oorlog in Joegoslavië. Vertaald door Peter Masthoff, uitg. Van Gennep, 95 blz., ƒ19,90