Profiel: Saddam Hoessein

De mythische dictator uit Takrit

Lang geleden schreef een Britse koloniaal, gevraagd naar de zeden en gewoonten van de Afrikaanse stammen waartussen hij verkeerde, de volgende compacte volzinnen in een brief naar huis: «Manners: none. Customs: beastly.» In dezelfde termen spreken Iraakse ballingen over de Takriti, de clan van Saddam Hoessein; dictator, zakenman en romancier te Bagdad. Net als Sicilië of Sechuan draagt de streek rond Takrit, op honderd kilometer ten noorden van Bagdad, de sporen van een lange, bloedige geschiedenis. Wie iets van Saddam wil begrijpen, van zijn persoonlijke macht en van de fascinatie die hij uitoefent op zijn volk, zijn buurlanden en de Arabische natie als geheel, moet begrijpen uit wat voor wereld hij letterlijk en figuurlijk voortkomt.

Dat werd menigeen pas duidelijk in augustus 1995, toen zijn schoonzoons Hoessein Kamel Majid en Saddam Kamel het land ontvluchtten met medeneming van hun vrouwen en kinderen. Van huis uit waren de broers neven van Saddam. Door hun huwelijk met zijn dochters waren ze bovendien opgenomen in zijn binnenste cirkel van vertrouwelingen; Hoessein Kamel als minister van Militaire Industrie, Saddam Kamel als hoofd van de presidentiële lijfwacht. Vanuit het naburige Jordanië trachtten ze oppositie tegen Saddam te voeren, maar ze kónden het niet. Buiten het vertrouwde verband van hun clan, de primitieve machtsstructuur waarin hun woorden en handelingen betekenis hadden, waren Hoessein en Saddam Kamel als vissen op het droge.

De bonafide Iraakse oppositie hield zich verre van de broers omdat ze geen enkele wroeging toonden over de misdaden die ze tijdens hun actieve leven in Bagdad hadden begaan. Hoessein was onder meer betrokken geweest bij wreedheden tegen de bevolking tijdens de bezetting van Koeweit. Zijn broer had de marteling en dood van talloze in ongenade gevallen functionarissen van het regime (waaronder familieleden) op zijn geweten. Het enige waarvan ze ogenschijnlijk berouw hadden was hun vlucht, het feit dat ze de grote man hadden verraden en tot overmaat van schande van zijn dochters en stamhouders hadden beroofd. Zes maanden later keerden ze schoorvoetend terug, hopend op Saddams genade. Binnen enkele dagen waren ze vermoord door hun eigen verwanten die, zo heet het officieel, de «eer van de familie» hadden gewroken.

De wet van het bloed heeft zijn eigen roman tiek, net als de bodem waaruit hij ontspruit. Het vruchtbare land tussen Tigris en Eufraat was gedurende duizenden jaren omstreden gebied. Het is ook nog eens een sprookjesland waar de zon ’s ochtends niet oprijst uit het water of uit de heuvels, maar uit een mist van tientallen eeuwen. Het is de geboortegrond van Nebukadnezar en de bakermat van de mooiste maar ook gruwelijkste vertellingen uit het Oude Testament en het Gilgamesj-epos. Mongolen, Perzen en Ottomanen hebben het achtereenvolgens veroverd en met genadeloze hardheid bestierd voordat ze er met evenveel geweld weer werden uitgegooid.

En Takrit is niet zomaar een dorpje. Het is onder meer de geboortestad van de islamitische generaal Saladdin die in 1187 Jeruzalem heroverde op die andere omhooggevallen struikrover, de christelijke koning Guido. De bewoners leerden door de eeuwen heen te vertrouwen op hun bloedverwanten en op niemand anders. En van alle in zichzelf gekeerde, nietsontziende, louter op hun materieel belang en prestige gerichte clans zijn de Takriti het ergst. Macht, eer en wraak zijn de sleutelwoorden van hun moraal. Ze hebben de belangrijkste en meest lucratieve functies in Irak in handen, ze maken er schaamteloos misbruik van en ze zijn zich nota bene van geen kwaad bewust omdat ze vinden dat het hun toekomt.

Ze zijn «een pest voor het land», aldus een afvallige van Saddams Baath-partij. «Een bende gauwdieven die elkaar zelfs onderling de strot afsnijden voor gewin, of het nu om een hectare land of een paleis gaat», aldus een nazaat van de in 1958 afgezette koning Faisal. «Stel je de Borgias voor, maar dan zonder de Renaissance», suggereert een behulpzame expert van het alternatieve persbureau Our There News. Hun machtspositie is niet denkbaar zonder Saddam, maar zijn machtspositie is ook ondenkbaar zonder hen. Hij deelt hun levenswijze: ook voor hem is politiek slechts een vehikel voor macht en persoonlijk gewin. Hij is de spil van een systeem en daarom is het zo moeilijk om Irak te dwingen tot een «verandering van regime», zoals de VS graag willen.

En hij is niet voor niets de spil van dat systeem, de onbetwiste heerser over alle andere clans in het soennitische centrum van Irak, over het leger, de bureaucratie, over de sjiïtische meerderheid in het Zuiden en tot 1991 over de Koerden in het Noorden. Zonder zijn harde hand zal het land zeker tijdelijk en wellicht zelfs voorgoed uiteenvallen. Hij kan Irak in zekere zin alleen regeren omdat hij het veracht. In de woorden van een voormalige Iraakse diplomaat: «Saddam is desnoods bereid zijn hele land op te offeren als hij daarmee de troon in Bagdad kan behouden.»

In dat opzicht doet hij wel degelijk denken aan Hitler. De vergelijking zoals die voor het eerst werd gemaakt door George Bush senior in 1990, is niet geheel misplaatst. Militair gesproken is Irak bij lange na niet zo sterk als Duitsland in de jaren dertig, maar de parallellen zijn interessant. Saddam eist ook Lebensraum, zij het voor de Arabische natie in plaats van de Duitse, en uiteraard onder zijn persoonlijke leiding. En net als Hitler is hij een product van de onderwereld. Hij weet feilloos de zwaktes van zijn tegenstanders te misbruiken, terwijl hij zijn onderdanen louter als een machtsinstrument beschouwt.

Hitler had in de beschaafde wereld een evenknie, zoals Sebastian Haffner schreef in zijn biografie Churchill (1967): «Ook Churchill heeft Hitler nooit helemaal begrepen. Maar iets begreep hij in elk geval wel, genoeg voor intern gebruik. Hij begreep dat Hitler oorlog wilde en dat welwillendheid hem prikkelde tot het uitdelen van trappen.» Het is zeer de vraag of een melkmuil als George Bush junior zich in Saddam kan verplaatsen. Zijn vader kon dat in elk geval niet, evenmin als zijn opvolger Bill Clinton.

In december 1998 hadden de Amerikanen en Britten het opnieuw op Saddam voorzien. Tijdens operatie Desert Fox, een grootscheeps bombardement van tenminste 102 verschillende militaire en civiele doelen in Irak, behoorde een groot deel van de getroffen objecten tot Saddams persoonlijke imperium. Zoals de olieraffinaderij in Basra die door Saddam en zijn zoon Udai werd gebruikt om olie op de zwarte markt te brengen. De hoofdkwartieren van Saddams elitetroepen werden zorgvuldig ontzien, die van zijn persoonlijke lijfwacht werden des te harder aangepakt in de hoop een wig te drijven tussen Saddam en zijn hoogste commandanten. De eerste kruisraket was nota bene voor hemzelf bedoeld, hij vloog de slaapkamer van Saddams belangrijkste paleis in Bagdad binnen. Het liep allemaal op niets uit. Saddam had zijn commandoketen doeltreffend aangepast. Hij slaapt bovendien weinig en verplaatst zich veel in de wetenschap dat hij zelfs voor zijn naaste medewerkers nooit veilig is. En zij leven op hun beurt in angst voor zijn immer wakend oog.

Door zijn sporadische verschijning in het openbaar en zijn miraculeuze ontsnapping aan de Amerikaanse kruisraketten heeft Saddam al bij zijn leven mythische trekken gekregen. Zijn geboorteplaats is al even mythisch als zijn gefin geerde afstamming van de profeet Mohammed, een verplichte verwantschap voor bijna elke Arabische heerser. Saddams verjaardag wordt elk jaar groots gevierd in Takrit, maar de Leider werd buiten de stad geboren.

Hij kwam op 28 april 1937 ter wereld in het aanpalende dorpje al-Awja, als zoon van arme boeren. Zijn vader verliet een paar maanden na zijn geboorte het gezin. Omwille van de familie-eer werd het verhaal verspreid dat hij dood was, maar waarschijnlijker is dat hij zijn vrouw voor een ander verliet. Ze hertrouwde met Ibrahim Hassan, die zijn stiefzoon mishandelde en dwong eindeloos op het land te werken totdat hij op tienjarige leeftijd werd ondergebracht bij zijn oom Khairallah Tulfah in Bagdad. Het was Saddams redding, maar het begin van de zwartste bladzijde in Iraks geschiedenis.

Tulfah was onderwijzer, actief in de anti-Britse en anti-westerse Baath-partij en fel gekant tegen de toenmalige dictator, generaal Abdel Karim Qassim. Het is veelzeggend dat Saddam zich pas tot zijn revolutionaire denkbeelden bekeerde nadat hij was afgewezen voor de Militaire Academie in Bagdad, voor een jongeman als hij de gebruikelijke uitweg uit de armoede. Eerst nadat die kans op maatschappelijk aanzien en een goed inkomen was uitgesloten, ontdekte Saddam de revolutie. Zijn politieke carrière begon in de beste familietraditie met een moord: op last van Tulfah vermoordde hij in 1958 een communist uit Takrit die bekend stond als een fervent aanhanger van Qassim. Een jaar later nam hij deel aan een mislukte moordpoging op Qassim en moest vluchten naar Egypte.

Toen de Baath in 1963 alsnog samen met andere groeperingen de macht in Bagdad ver overde, werd Saddam teruggehaald door de oprichter van de partij, Michel Aflak, en benoemd tot veiligheidsbeambte in het «Paleis van het Einde», een gevangenis waarvan de omineuze naam genoeg zegt. Saddam bekwaamde zich in marteltechnieken en als hij voordien nog enig geloof hechtte aan de nobele kanten van de menselijke ziel, dan verloor hij dat geloof in deze periode. Hij trouwde met zijn nicht Sajida, vormde een coterie van medewerkers en duvelstoejagers om zich heen en werkte zich tijdens een driejarige gevangenschap wegens illegale politieke activiteiten op tot ondervoorzitter van de Revolutionaire Commandoraad.

Bij de coup van Baath-officieren onder leiding van Ahmed Hassan al-Bakr in 1968 was Saddam van de partij. Als jonge, aanstormende vice-president voerde hij al gauw het dagelijks bewind namens de oudere al-Bakr. Zijn Arabische leiderschapsambities gaan terug tot deze periode, toen hij namens Bagdad met de Fransen onderhandelde over een gezamenlijk nucleair programma. Dit programma had natuurlijk louter vreedzame doeleinden zoals de wetenschappelijke vooruitgang van Irak, de economische ontwikkeling van het Arabisch schiereiland en de bevordering van de regionale samenwerking op energiegebied. Kortom: de bom. En de Fransen wilden hem die wel geven, als tegenwicht voor het nucleaire programma van het door de VS gesteunde Israël.

Premier Jacques Chirac (dezelfde) verkeerde zelfs in de waan dat Saddam een soort Arabische De Gaulle was. Hij zegde hem alle steun toe, ook bij de bouw van de omstreden kerncentrale in Osirak die in 1981 op last van Menachem Begin door de Israëlische luchtmacht werd vernietigd. Saddam was toen twee jaar aan het bewind, nadat hij de met zijn gezondheid sukkelende al-Bakr tot aftreden had gedwongen. Niettemin wist hij — wederom net als Hitler — zijn land tot grote economische bloei te brengen. Hij besteedde de immer groeiende olie-inkomsten aan grote irrigatieprojecten en alfabetiseringscampagnes en een versnelde industrialisatie die het bruto nationaal product met sprongen deed stijgen. Irak kreeg in die periode de bijnaam «het Duitsland van het Midden-Oosten», het Iraakse leger werd navenant sterker.

Maar ook Saddam maakt fouten. In 1980 trachtte hij het in revolutionaire verwarring gedompelde buurland Iran door een bliksemoperatie enig grondgebied afhandig te maken. De oorlog zou uiteindelijk acht jaar duren en een zware aanslag op Iraks economie zijn. Na 1988 trachtte Saddam het herstel te bespoedigen door een hogere olieprijs af te dwingen, maar Koeweit en Saoedi-Arabië weigerden mee te werken. Op 2 augustus 1990 bezette hij Koeweit, tot verbijstering van de hele wereld.

Die voorbarige strategische zet was ongetwijfeld zijn grootste fout. Saddam had moeten wachten tot hij over een eigen atoombom beschikte, dan hadden de VS hem ongetwijfeld met rust gelaten. Het meest opmerkelijk aan de hele affaire is dat de Amerikanen niets deden om hem ervan af te houden. Zelfs nadat hij zijn troepen had samengetrokken aan de grens met Koeweit liet de Amerikaanse ambassadeur in Bagdad, April Glaspie, hem nog weten dat de VS er niet zwaar aan tilden. «We hebben geen mening over Arabisch-Arabische twisten zoals uw grensgeschil met Koeweit.» Al sinds de jaren zestig, verduidelijkte Glaspie, had de kwestie-Koeweit «geen betrekking» op Amerika. Dat was alles wat de Leider wilde horen; de transcriptie van het gesprek vermeldt op dit punt slechts twee woorden: «Saddam glimlacht.»

En hij glimlacht nog steeds, meer dan tien jaar nadat hij ogenschijnlijk zijn eigen doodvonnis tekende. Elke mislukte poging hem ten val te brengen draagt bij aan zijn mythe, evenals elke roman die hij als bewijs van zijn onverstoorbare geesteskracht op de markt brengt. Zijn naam staat er niet op, maar de honderden juichende, kruiperige en bewonderende recensies in de Iraakse media laten geen twijfel bestaan over de identiteit van de auteur. Zijn greep op de werkelijkheid mag dan beperkt zijn, zijn greep op Irak is ongeëvenaard. George W. Bush doet er goed aan dat te bedenken voordat hij Amerikaanse troepen wederom Iraaks grondgebied laat betreden. Saddam maakt fouten als ieder ander en hij vergeeft ze zichzelf grootmoedig. Anderen vergeeft hij hun fouten nooit.