Interview Wilfried de Jong

De naakte mens

Televisiemaker, theatermaker en sinds vorig jaar ook schrijver Wilfried de Jong begint een nieuwe reeks programma’s bij de VPRO. Zijn rauwe, vervreemdende wijze van tv-maken is vernieuwend.

«Dirigent Valeri Gergiev houdt van goede sigaren. Laat hem een sigaar uit een doos kiezen, opsteken en daarbij naar muziek luisteren. Breng dat in beeld, zo'n twee minuten lang. Tekst is overbodig. Als dan een klein sardonisch lachje op zijn gezicht zou verschijnen, ben ik blij. Ik zie het helemaal voor me», zegt Wilfried de Jong aan de vooravond van een nieuw seizoen programma’s voor de VPRO onder de titel Pakhuis De Jong. Net als in zijn vorige serie De Jong in Uitvoering zal hij op een ongebruikelijke plek gasten ontvangen, die hij niet alleen ondervraagt, maar ook ensceneert in een context van theater en muziek. Het voornaamste verschil met de vorige reeks betreft de locatie: de Van Nelle-fabriek is verruild voor het pakhuis Las Palmas. «Kijk, daar op de derde verdieping gaan we over twee weken van start», wijst hij vanaf de kade waar vroeger de Holland-Amerika-lijn de trossen los gooide.

Diepgeladen Rijnaken trekken voorbij over de Nieuwe Waterweg op deze zomerse namiddag. Op de oevers in de verte bewegen hijskranen hun stakige koppen. De Jong houdt zijn energetische tred even in en kijkt ernaar. «Zijn» Rotterdam vormt zijn grote inspiratiebron. «Deze stad is lekker hard en zakelijk, hypermodern en roestig oud tegelijk. De scheepvaart maakt het dynamisch en industrieel, dat geeft mij energie.»

Over de Wilhelmina-pier zegt hij: «Dit bedoel ik: nieuwe, glimmende gebouwen, terwijl eromheen de oude industriële structuren intact zijn gebleven. Er wordt vaak gezegd dat mijn programma’s verwijzen naar het verleden. Maar ik hou juist enorm van moderniteit. De combinatie van nieuw en oud vind ik prachtig. Het versterkt elkaar. Ik wil weemoedig kunnen zijn met een 06-je op zak.»

Betoverend nostalgisch, vinden De Jongs fans zijn televisie-theater. Anderen daarentegen zappen na de eerste minuten meteen weg omdat in hun ogen de beelden en gesprekken veel te traag verlopen. Maar het is eerder een sfeer van onbestemde tijd en locatie die zijn werk kenmerkt dan een soort ouderwetsigheid. Dat wordt onmiskenbaar opgeroepen door de figuur van Wilfried de Jong zelf. Met zijn kale kop boven een herenpak waaronder een gekleurd overhemd met puntkraag prijkt, is hij zelf het toonbeeld van tijdloosheid. Als je hem niet zou kennen en moest raden wat hij in zijn dagelijks leven deed, zou je er niet zomaar uitkomen. Barman in een ruig havencafé, autoverkoper uit het voormalige Oostblok, misschien eigenaar van een hoerentent of, jawel, zoon van een handelaar in diepvriesproducten die is opgegroeid in de Rotterdamse wijk 110 Morgen en zijn artistieke talenten heeft geëxploiteerd. De handelaarszoon (43 jaar) die zelf vader is geworden van een zoon (3 jaar) refereert graag aan zijn eigen jeugd in de jaren zestig, een periode waarin Nederland begon te ontwaken uit de sobere jaren van naoorlogse wederopbouw. Die stemming veroorzaakt bij generatiegenoten een soort heimwee.

Nog iets anders waardoor vaste kijkers zo gebiologeerd kunnen raken door De Jongs tv-producties is de wijze waarop hij filmische impressies in ritme aan elkaar smeedt. De Jong laat niet na om zijn cameraman Rob Hodselmans daarvoor de credits te geven. «Hij kan zichzelf totaal wegcijferen, en durft gericht te zoeken naar gevoelige momenten.»

In zijn eerste tv-programma Sportpaleis De Jong liggen topsporters in een kale omgeving op een massagebank met slechts een handdoek over de genitaliën en bij vrouwen ook over de borsten. Losgekoppeld van de gebruikelijke spotlights van de stadions of persstudio’s presenteren zij zich naakt voor de camera, die letterlijk dicht op hun huid zit. Maar alsof ze het oog van de lens niet meer zien, vertellen ze aan de hand van hun littekens over fysieke en emotionele pijn. Voor De Jong heeft sport iets mystieks. «De gebundelde concentratie van talent, techniek en timing verheft het haast tot kunst.»

Bij De Jong in Uitvoering tonen de buitenopnamen van een nachtelijk industrieterrein gebouwen als ongenaakbare kolossen tegen de achtergrond van een stad vol flonkerende lichtjes. Binnen in de oude Van Nelle-fabriek staan de Gispen-meubels uit de jaren dertig net zo fris op hun gestileerde poten als 75 jaar geleden, toen de fabriek werd geopend. Gasten worden onder slepende jaren-vijftigjazzklanken gefilmd tegen een decor van dikke stalen buizen met grote scharnieren en moeren.

De gast kan het zangeresje Birgit zijn, die suikerzoet Love me Tender van Elvis Presley zingt, een van zenuwen giechelende minister Jorritsma of een Peugeot uit de jaren zestig die in al zijn pracht niet méér hoeft te doen dan er staan. Het geheel vormt een caleidoscopisch beeld van contrasten. Tegen de rauwe omgeving steekt een mens kwetsbaar af, zoals bij de Russische constructivisten uit de jaren twintig, die de nieuwe maatschappij van industriële dynamiek en noeste arbeid verheerlijkten en het individu zagen als ondergeschikt aan het grote collectieve vooruitgangsideaal.

«Die periode vind ik wel mooi», grijnst hij. «Van Wladimir Majakovski heb ik ooit de opvoering van het Badhuis gezien. Ik beschouw de wereld als tamelijk absurd. We worden tegenwoordig tien jaar ouder dan een eeuw geleden, maar het leven gaat gewoon door. De films van Jacques Tati vind ik boeiend: hij laat zien hoe mensen eindeloos met dingen in de weer kunnen zijn. Ze zijn de uitvinders van allerlei handige producten, maar kunnen er vaak in al hun onhandigheid hopeloos mee vastlopen. Maar zo bewust ga ik absoluut niet om met kennis. Ik ga intuïtief te werk, waarbij ik handel vanuit onzekerheid. Of liever zou ik het kwetsbaarheid willen noemen. Durven te zoeken naar het ongewisse. Niet weten waar het einde ligt van de weg die je voor de camera bewandelt. Het maakt mij aangenaam bang. Hieruit komen altijd de mooiste momenten voort. Voor mij ligt het geluk in het onverwachte. Ik zoek dat bij mezelf en bij de mensen die ik interview. Vóór de opnamen spreek ik niet met een gast, want dan, zo leert de ervaring, verschieten we allebei al ons kruit. Ik geef wel een beetje aan waar ik het over wil hebben, anders wil waarschijnlijk niemand meewerken. Bij televisie is het heel moeilijk om in tien minuten over iemand alles te weten te komen. Daarom heb ik het liever over één detail. Zoiets vertelt vaak veel meer.»

«Ach, ik probeer maar wat», zegt De Jong opeens ruw. «Dat is echt geen valse bescheidenheid. Zet me op een zitzak met op mijn oren een koptelefoon met muziek plus een stapel kranten, en associatief ontrollen zich de ideeën voor mijn ogen. Ik volg in feite mijn eigen onrust. Het moet er uit, hoe dan ook. Zolang ik niet slaap, draait in mijn hoofd en in mijn lichaam de molen maar door. Alhoewel er heel wat dromen zijn waar ik iets mee zou willen doen. Zoals een terugkerende droom die ik altijd heb op vakantie: ik zit in een put met daarin slijmerige vieze blubber waardoor ik bij iedere poging er uit te kruipen weer word teruggezogen. Boven mij hangen rondom de rand van de put al mijn vrienden die naar mij kijken, maar niks zeggen en niet de minste poging doen me te helpen. En dat terwijl ik in werkelijkheid een paar heel goeie vrienden heb. Dat is toch fascinerend.»

Lichamelijkheid vormt de rode draad in al het werk dat De Jong in de afgelopen zestien jaar heeft gemaakt. De toneelvoorstellingen met zijn maat Martin van Waardenberg kregen de benaming «fysiek theater». Twaalf jaar knokten ze op de planken heel wat met elkaar af, om aan te geven dat macht over het lichaam macht over jezelf of iemand anders kan betekenen. Onder het motto dat bij toneel alles ondergeschikt is aan het effect, zelfs pijn, worstelden de twee mannen soms hard tegen hard, tot de ultieme vernedering van spugen in andermans mond toe.

In zijn eind vorig jaar verschenen bundeltje korte verhalen Aal manifesteren zich de meest bizarre details van fysiek contact. Tussen mens en dier (bij een jonge visser glijdt een paling zijn keelgat binnen als hij zijn gevangen prooi liefdevol een kusje op de mond geeft) en tussen man en vrouw (een radiosterretje met een geile stem bijt tijdens een partijtje seks met een aanbidder bij het hoogtepunt het puntje van zijn tong af ).

De Jong zoekt naar grenzen, ethische — waarbij geldt: «Vies is lekker, pijn is fijn» — en perfectionistische. Soms gaat hij daarbij over zijn eigen grens heen, gelet op de val van zes meter die hij tijdens een uitvoering maakte waarbij hij zijn heup brak en zijn pols verbrijzelde.

«Daar wil ik het nou eens niet over hebben. Het is lang geleden, en er is heel veel over geschreven. Het heeft me niet veranderd. Ik ben niet bang geworden, en er is ook heus niks heroïsch aan. Wat me in die zeer emotionele tijd het meest raakte, was mijn moeder, die zei dat ik wel dood had kunnen zijn.»

Aan iedere vorm van op-de-borstklopperij heeft hij een gruwelijke hekel, net als aan lafheid. Over zijn eigen lichaam is hij overigens best tevreden. «Ach, een beetje ijdel ben ik wel. Maar uiterlijk is absoluut geen item voor mij. Lange tijd heb ik me niet geschminkt voor de opnamen. Ik lach me eerder rot om hoe ik eruitzie. Liever hoor ik dat ik een goede tv-maker ben dan de mooiste man van Nederland.»

Op vragen over zijn markante kaalheid begint De Jong te grinniken. «Zoiets willen alleen vrouwen weten. Wat moet ik daar nu mee?» Na wat gesputter komt het eruit: hij is een tussengeval. Niet van nature kaal, maar ook geen haargroei met een tempo van Ruud Lubbers. «Ik pak één keer per week de tondeuse om de stoppels te kortwieken», zegt hij afwerend.

Het zijn van die details waar De Jong bij zijn gasten dol op is. Film hem bijvoorbeeld eens voor de spiegel onder schel licht waardoor zijn grote haakneus hard afsteekt onder zijn waterblauwe ogen en boven zijn smalle mond. De concentratie van dit wekelijkse scheren zou volgens zijn eigen technieken iets zeggen over zijn ziel. Als het karweitje is geklaard, zou er een trots lachje over zijn gezicht moeten glijden. «Ik vind mezelf als object niet zo interessant. Laat mij maar kijken. Dat beschouw ik als mijn enige échte talent.»