De naamlozen die asiel aanvragen

De bijzondere moed van de vervolgde Bengaalse schrijfster Taslima Nasrin ligt in het feit dat zij niet alleen een lans breekt voor haar eigen vrijheid van meningsuiting en die van anderen, maar dat zij dat ook doet namens anderen die zelf niet van die vrijheid gebruik kunnen maken.

Nasrin en andere schrijfsters uit islamitische landen, zoals de Marokkaanse Fatima Mernissi en de Egyptische Nawal al Saadawi (die evenals Nasrin gynaecologe is) vervullen een taak die het schrijverschap in het Westen allengs verliest: ze getuigen van een groot onrecht en pogen de wortel ervan bloot te leggen. In een interview met Der Spiegel verklaarde Nasrin dat zij uit eigen ervaring schrijft: ‘Ik heb als arts zoveel vrouwen in de ziekenzaal zien huilen omdat ze een meisje hadden gebaard. Ik heb de gescheurde vagina’s gezien van vrouwen die door hun eigen man verkracht waren. Het is dat collectieve leed waarover ik schrijf en dat ik onverdraaglijk vind.’
In de De val van de imam van Nawal al Saadawi doorstaat de vrouwelijke ik-figuur duizend vernederingen en behoudt niettemin haar zelfrespect. Daarom wordt ze aan het slot door mannen ter dood veroordeeld: 'En zo werd haar rede gevaarlijker voor hen dan haar waanzin en daarom besloten ze het doodvonnis uit te voeren met een methode die sneller was dan steniging, zodat ze de gelegenheid niet zou krijgen verder nog iets te zeggen. Ze kondigden ook af dat haar proces niet zou worden gepubliceerd in de kranten en dat haar dossier definitief zou worden gesloten en voorgoed diep in de aarde zou worden begraven.’ Nasrin krijgt in elk geval haar proces, al is het zonneklaar dat de heersende rechtsopvatting in Bangladesh (een militaire dictatuur met de islam als staatsgodsdienst) weinig ruimte laat voor haar aanspraken.
Tegenover de moed van Nasrin staat de lafheid van de westerse landen die als bakermat van de vrijheid willen gelden, maar dan wel op een koopje. Nadat Nasrin in staat van beschuldiging was gesteld, ging het gerucht dat enige westerse landen (met name Amerika, Noorwegen en Nederland) de schrijfster asiel wilden verlenen. Tot een aanbod kwam het echter niet omdat, aldus diplomaten in de Bengaalse hoofdstad, de westerse regeringen 'hun vingers niet wilden branden aan een tweede Rushdie-affaire’. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Kinkel loste tenslotte het public relations- dilemma op door Nasrin asiel aan te bieden in een Europees land van haar eigen keuze.
Het is een historisch aanbod. De Europese Unie is doorgaans druk bezig asielzoekers uit te wijzen of te voorkomen dat zij de Europese kust bereiken door hun gammele boten vroegtijdig tot zinken te brengen. De Europese houding in de affaire-Nasrin is ook een getuigenis: wie schrijft die blijft, maar de naamlozen die asiel aanvragen buiten de schijnwerpers van de wereldpers worden vaak zonder omhaal afgewezen. De islamitische fundamentalisten vinden het Westen imperialistisch en hypocriet en daarin hebben ze gelijk, hoeveel ongelijk ze verder ook hebben. Zolang het Westen onverschillig blijft ten aanzien van de onvoorstelbare armoede in een land als Bangladesh en zolang het recht op vrije meningsuiting en een menswaardig bestaan als propaganda van het inhalige Westen kan worden afgedaan, zal de strijd van Nasrin en de haren niet definitief gewonnen kunnen worden.