De brille van Isaak Emmanoeilovitsj Babel

De nacht kwam op vlugge paarden

Van Stalins poging om Isaak Emmanoeilovitsj Babel onder het stof van de geschiedenis te duwen, is weinig terechtgekomen. De chroniqueur van revolutie en oorlog had een honger naar mensen. En de mensen hongerden naar hem.

Medium rbabel

Op 11 november 1964 was het druk bij het Schrijvershuis in Moskou. Op de Vorovskystraat stonden drommen mensen, veel meer dan de zaal van het hoofdkwartier van de Unie van Sovjetschrijvers kon huisvesten. Er was nog toestemming gevraagd om de bijeenkomst te laten plaatsvinden in het Polytechnisch Museum, het gebouw met het grootste auditorium van de stad, maar de autoriteiten hadden die geweigerd. Nu puilde de zaal van het Schrijvershuis uit, stonden de mensen in de gangen als haringen in een tonnetje, en paste een deel van het toegestroomde publiek er helemaal niet in, het bleef op straat staan. Er werden in allerijl luidsprekers geïnstalleerd opdat zij de toespraken toch konden horen.

Het was op zich al een wonder dat de autoriteiten hun fiat hadden gegeven voor deze herdenkingsceremonie. In 1964 zou Isaak Emmanoeilovitsj Babel zeventig jaar oud zijn geworden – in de nacht van 27 januari 1940 was hij door het sovjetregime geëxecuteerd. Zijn familie was jarenlang in het ongewisse gelaten over zijn lot, pas na de dood van Stalin, in 1953, kreeg zij het bericht dat hij ‘op 17 maart onder onbekende omstandigheden’ was overleden, en pas nog weer later, tijdens de perestrojka, werd duidelijk dat die datum niet klopte en dat hij niet was bezweken in een werkkamp, maar ter dood gebracht. Al in de jaren dertig, toen Stalins grote heksenjacht op politici, geestelijken, intellectuelen, kunstenaars en schrijvers hevig woedde, was Babel naar de marge verdreven. Hij werd aangespoord te publiceren, ook sovjetschrijvers moesten productie draaien, maar de tijdschriften weigerden zijn verhalen te plaatsen – ze pasten niet meer in de heersende ideologie. Na zijn dood werd zijn werk, dat eerst zo was bejubeld, in zijn eigen land doodgezwegen.

En nu was er deze bijeenkomst en was het publiek toegestroomd. Konstantin Alexandrovitsj Fedin, de secretaris-generaal van de Unie van Sovjetschrijvers, leidde de ceremonie en dat was meteen het officiële goedkeuringsstempel dat nodig was om het literaire establishment Babel weer in genade te laten aannemen. Babels tijdgenoten spraken, sommigen van hen, zoals Ilja Ehrenburg en Konstantin Paustovski, waren met hem bevriend geweest, acteurs lazen zijn verhalen – jaren was er voor deze avond gelobbyd en het was een succes. Er was eerder een ‘rehabilitatie’ geweest, in 1957, toen er ook een selectie van Babels verhalen in de Sovjet-Unie was gepubliceerd, maar daar was weer een stilte van zeven jaar op gevolgd. Er verschenen onbekende verhalen van Babel in Amerikaanse tijdschriften, er werden brieven en dagboekfragmenten gepubliceerd – maar niet in zijn vaderland. Na de herdenking van zijn zeventigste verjaardag kon zijn verzameld werk in de Sovjet-Unie worden uitgegeven, zij het dat dat nog steeds niet volledig was, dat zou tot 2006 duren.

Veel schrijvers verdwijnen vanzelf onder het stof van de geschiedenis; sommige schrijvers worden opzettelijk uit de geschiedenis geduwd. Dat laatste is lang niet altijd eenvoudig, want hoe harder autoriteiten duwen, hoe groter de kans op een averechts effect: lezers worden alleen maar hongeriger. In het geval van Babel bleek dat uit al die mensen, oud en jong, die uitliepen in Moskou toen er eindelijk weer openlijk over zijn werk gesproken mocht worden. Een tijd van zijn leven was Babel ook een grootheid. In de herinneringen die Paustovski in 1964 aan Babel ophaalde, beschreef hij hoe diens schetsen en verhalen vanaf de jaren twintig in talloze tijdschriften en kranten verschenen. Hij schilderde hoe hij in die tijd in Odessa, de zuidelijke stad aan de Zwarte Zee, tegenover Babel woonde en hoe de bewonderaars langs reden om ‘een glimp van Babel op te vangen’ en hoe ze hem op zijn zenuwen werkten. ‘Hij werd’, vertelde Paustovski, ‘achterna gezeten door alle literaire jongemannen die in de stad rondhingen. Ze verveelden hem niet minder dan zijn vrouwelijke bewonderaars. Hij liep nu hand in hand met de roem. In onze ogen was hij de éminence grise van de literatuur en een wijze met een scherpe tong.’

Die roem was er vooral na de verslagen die Babel schreef toen hij als oorlogscorrespondent meereisde met het eerste Rode cavalerieleger naar het Poolse front en de verhalen die hij er daarna over schreef en die gebundeld werden in De Rode ruiterij. De literatuurtheoreticus en schrijver Viktor Sjklovski merkte terecht op dat Babel ‘de enige [was] die tijdens de Revolutie zijn koelbloedigheid behield’. Babels oorlogsverhalen zijn stilistische meesterwerkjes, waarin schoonheid en gruwel naadloos in elkaar overlopen. Lyrische natuurbeschrijvingen wisselt hij af met onverbloemde wreedheid en juist dat contrast maakt dat het wezen van oorlog tastbaar wordt.

‘Hij schrapte overbodige woorden met zo’n hevigheid dat zijn pen het papier kapot kraste’

Neem een min of meer willekeurige passage, uit het verhaal ‘De twee Ivans’. Ljoetov, het bebrilde en weinig heldhaftige alter ego van Babel in De Rode ruiterij, is bij een slag zijn paard verloren, hij helpt daarna gewonden ophalen met een ziekenwagen en brengt de nacht alleen door bij een ingestorte hut. Dan lost de poëzie het oorlogsgewoel af: ‘De nacht kwam op vlugge paarden aansnellen. Het krijsen van transporten vulde het universum. Op de aarde, omgord door gejank, doofden de wegen uit. De sterren kropen uit de koele buik van de nacht en verlaten dorpen vlamden op aan de horizon.’ En dan volgt onvermoed de genadeloze hardheid. De ik-verteller moet plassen en loopt naar de rand van een omgewoelde akker. ‘Toen ik klaar was, knoopte ik mijn broek dicht en voelde spatten op mijn hand. Ik deed mijn zaklantaarn aan, draaide me om en zag op de grond het lijk van een Pool liggen, doordrenkt van mijn urine. Het liep uit zijn mond, borrelde tussen zijn tanden en stond in zijn lege oogkassen.’

Koelbloedig was Babel vooral ook omdat de Revolutie zijn blik niet benevelde. Hij was een scherp realist en observeerde de mens, en dus ook de soldaten van het Rode Leger, zoals hij was: soms heldhaftig, vaak angstig, onnodig wreed, grof en wraakzuchtig, de revolutionaire proletariërs niet minder dan de bourgeois. Niet alleen over de oorlog schreef hij, om het maar zo te noemen, onpartijdig, later deed hij dat ook over de collectivisatie van de landbouw, zoals in het aangrijpende verhaal ‘Kolyvoesjka’, waarin de boer die hoort dat zijn boerderij onteigend zal worden zijn drachtige paard met een bijl doodt, zijn machines vernielt en zijn dorp verlaat. Babel beschrijft de dood van de merrie in al zijn gruwelijke details, maar laat tegelijk doorschemeren hoe diep de band tussen boer en paard is.

Medium rbabel2

Babel had, zo vertelden zijn vrienden en zo blijkt ook uit zijn werk, een onstilbare honger naar mensen. Hij was bevriend met de meest uiteenlopende types, van ingenieurs tot apparatsjiks, van boeren tot soldaten. Dat was ook een van de redenen dat hij zijn land niet ontvluchtte toen Stalin zijn grote zuiveringen had ingezet: de Sovjet-Unie en haar inwoners, die waren getekend door de storm van de revolutie, vormden zijn materiaal. Zijn verhalen zoomen ook in op mensen, vaak zijn het niet meer dan schetsen, waarin een of meer personages in een paar trefzekere pennenstreken tot leven komen. Zoals Ehrenburg over Babel zei: ‘Hij had een buitengewone gave om de diepte van het leven te zien. Hij begreep dat het menselijke oog de oneindigheid niet kon waarnemen en hij had geen hoge dunk van schrijvers die (…) probeerden alles te zien.’

Isaak Emmanoeilovitsj Babel werd geboren in 1894 en groeide op in het zuiden van Rusland, de huidige Oekraïne. Hij was joods en maakte in 1905, toen hij tien was, een van de vele pogroms mee die die streek teisterden. In verschillende verhalen beschreef hij later de moord- en plunderpartijen vanuit kinderperspectief, zoals in het aangrijpende ‘De geschiedenis van mijn duiventil’, waarin een jongen duiven gaat kopen op de markt, zijn lang gekoesterde wens. Op weg naar huis hoort hij dat zijn buurt kort en klein wordt geslagen en stompt een invalide man de duiven plat die hij als breekbare baby’s in een zak op zijn borst draagt. ‘Ik lag op de grond, en de ingewanden van de geplette vogels dropen van mijn slaap. In kronkelige straaltjes dropen ze spetterend van mijn wangen en verblindden me. Een tere duivendarm kroop over mijn voorhoofd, en ik sloot mijn nog niet volgelopen oog om de wereld die zich voor mij ontvouwde niet te zien.’ Thuis blijkt dat zijn grootvader is vermoord, maar het beeld van die vermorzelde vogels als teken van de nutteloze moordzucht, dat hakt erin.

Babel begon vanaf zijn twintigste verhalen aan te bieden aan tijdschriften, die er aanvankelijk niets in zagen. Het was Maksim Gorki, de vader van het sovjetrealisme, die zijn schrijverscarrière op weg hielp. Hij zorgde ervoor dat Babels eerste teksten gepubliceerd werden en raadde hem aan zich, voordat hij verder ging met schrijven, eerst ‘onder de mensen te begeven’. De reizen naar het oorlogsfront volgden.

Het is een klein oeuvre dat Babel heeft nagelaten, de manuscripten en aantekeningen die bij zijn arrestatie in 1939 in beslag waren genomen zijn nog steeds niet opgedoken. Maar zijn schetsen van het joodse leven in Odessa, de stad waar hij later zou wonen, de oorlogsverhalen, de verhalen die de tumultueuze tijd na de revolutie oproepen – ze zijn allemaal van een grote precisie en bondigheid en stilistische brille. Babel was niet alleen schrijver, hij was ook schrapper. Meer dan vier, vijf versies schreef hij vaak van een verhaal, aan elke zin werd gebeiteld. Zoals Paustovski het mooi zei: ‘Babel sprak altijd met minachting over omslachtigheid. Elk onnodig woord in een stuk proza riep fysieke afkeer bij hem op. Hij schrapte overbodige woorden met zo’n hevigheid dat zijn pen het papier kapot kraste.’ Het leverde zinnen op die stuk voor stuk staan en die beelden oproepen die je niet meer vergeet, zoals de volgende: ‘Een lied ruiste als een droogvallende beek. Monsterlijke lijken lagen verspreid over de duizendjarige grafheuvels. Boeren in witte kielen namen hun muts voor ons af. De cape van divisiecommandant Pavlitsjenko wapperde boven de staf als een sombere vlag.’


[I.E. Babel, Verhalen. Vertaald door Froukje Slofstra, Van Oorschot, 570 blz., € 45,-

](http://www.athenaeum.nl/leesfragment/isaak-babel-verhalen)

Beeld: Ria Novosti/HH,
Beeld: State Russian Museum, St Petersburg