Edward Albee’s A Delicate Balance opnieuw uitgevoerd

De nachtmerrie van alledaagse waanzin

Geen toneelstuk waarin de beschermende kalmte van huis en knisperkachel meer onder druk staat dan Albee’s A Delicate Balance. Er wordt een fragmentatiebom in de open haard gegooid, maar het brandt niet.

A DELICATE BALANCE (1966) is het tiende toneelstuk van Edward Albee (1928). De aanwijzingen over plaats en tijd luiden als volgt. Plaats van handeling is de woonkamer (annex bibliotheek) van een ruim en goed ingericht landhuis in een voorstad. De speeltijd: eerste bedrijf, vrijdagavond; tweede bedrijf, zaterdagavond; derde bedrijf, zondagmorgen, vroeg. De tijd is het heden.
Er zijn zes personages. Agnes is een knappe vrouw van achter in de vijftig, Tobias is haar echtgenoot, een paar jaar ouder. Ze wekken de indruk te rentenieren. De inwonende zus van Agnes heet Claire en is ‘nogal wat jaren jonger’. Ze is alcoholiste en heeft zojuist een poging tot afkick via de Anonieme Alcoholisten afgekapt. De bezoekende dochter heet Julia, ze is 36 jaar, ze wordt 'hoekig’ genoemd. Haar meisjeskamer wordt altijd voor haar vrijgehouden. Vrij snel blijkt waarom: Julia komt naar huis na het mislukken van een huwelijk, haar vierde. De ongeïnviteerde gasten heten Edna en Harry, ze worden 'zeer gelijk’ aan Agnes en Tobias genoemd. Het huwelijk van Tobias en Agnes kent één ongeluk: een gestorven zoon, maar dat is van lang geleden. Daar ergens in de buurt is hun relatie gestrand op de zandbanken van wederzijds begrip. Ze begrijpen elkaar tot ze er ongeveer bij neervallen. Vlak daarvoor nemen ze nog een drankje.
Het stuk bevat een complete catalogus van alcoholische versnaperingen waarmee in society plays relationele brandhaarden naar believen worden afgeblust dan wel aangewakkerd. De inwonende zus Claire, over wie overigens wordt gesuggereerd dat er ooit iets was tussen haar en Tobias, doet met alcohol wat Agnes en Tobias elkaar al lang geleden ten strengste hebben verboden: ze staat ermee op en sluit twee van de drie aktes van het stuk af door naar bed te gaan met een tjokvolle fles spiritualiën. Claire is in haar eigen, haarscherpe blik, het delirium of de kotszak al lang gepasseerd. Daarom hoort ze ook niet thuis bij die sukkels van de AA. Ze heeft het alcoholisme tot een soort kunst verheven. In het toneelstuk is zij het Griekse koor, compleet met levende muziek, een wat slonzig bespeelde accordeon. In de met een zee van geestrijk vocht besprenkelde, driehoekige relatie binnen dit huishouden vormt een combinatie van retorica, vileine grappen en onderling jennen door de beide vrouwen van die ene man het reddingsvlot waarop de boel nog zo'n beetje bij elkaar wordt gehouden.
Als dochter Julia van tijd tot tijd even aanschuift is dat een ritueel dat lijkt op het jaarlijks optuigen van de kerstboom: het is gedoe, je went eraan en het duurt godzijdank niet lang. De neurotische vorm van dwangverpleging die Agnes na ieder gestrand huwelijk van Julia op haar dochter toepast is in essentie hysterie, in de freudiaanse zin van dat woord: onderdrukte angst. Het evenwicht in dit samenleven is in de letterlijke zin van dat woord inderdaad delicate, wankel, of zoals Janine Brogt het ooit vertaalde: subtiel, fijnstoffelijk dus, broos, teer. Er kan niks meer bij of bovenop. Eén schop ertegen en alles valt uit elkaar. A Delicate Balance, ofwel In wankel evenwicht (onder die titel wordt het stuk op de Nederlandse planken dit seizoen weer gebracht) is het verhaal van die schop en het dreigende uit elkaar vallen. Het is het toneelstuk over de alledaagse horror die ons allen wacht en waaraan de kerstdagen ons altijd subtiel herinneren: vrienden staan plotseling op de stoep en zoeken hulp, bescherming, onderdak. Het komt niet echt uit. Het komt immers nooit echt uit.
Harry en Edna, een bevriend echtpaar van 'de club’ (een besloten sociëteit, De Kring, Arti et Amicitiae, u noemt ze, ze zijn er, en voor je het weet heb je 'clubvrienden’) leiden aan een onbestemde angst die hen thuis overviel. Ze zoeken asiel. Een wens die binnen korte tijd verschuift van tijdelijk naar permanent. Binnen een half uur na de overval doet het vriendenpaar de volgende korte mededeling: 'We gaan.’ De omstanders doen enorm hun best de opluchting te verbergen. Na luttele seconden volgt de genadeslag: 'Om onze spullen op te halen.’ Kort daarop wordt de betekenis van deze zin in haar volle omvang duidelijk: de 'bange’ vrienden komen in het huis van Tobias, Agnes en Claire wonen. Het is het moment waarop wij als kijkers ons betrapt beginnen te voelen. De nachtmerrie van alledaagse waanzin. Mensen vragen om hulp. De vraag blijkt onontkoombaar waarachtig. Wat doe je dan? Flikker je ze eruit en sla je de deur in het slot? Of gooi je je leven om? En hoe beïnvloedt die keuze (welke dan ook) de voortzetting van je eigen leven?

43 JAAR GELEDEN, in 1967, beleefde In wankel evenwicht zijn Nederlandse première in Amsterdam. De komedianten van het Leidseplein hadden toen nog maar vrij recent (van de Russische toneelmaestro Pjotr Sjarov) geleerd hoe je de snaren van de wanhoop in de stukken van Anton Tsjechov klein en subtiel kan bespelen, nu moesten ze opeens uitvinden hoe je de moderne angsten van Edward Albee vormgeeft. Ank van der Moer (Agnes) ging op zoek naar het broze tegengeluid voor de grootse Martha die ze tussen 1963 en 1965 ruim driehonderd keer had laten zien in Wie is bang voor Virginia Woolf? Bob de Lange (Tobias) moest de achterkant van het komediespelen ontdekken (hij kende Albee nog niet uit eigen ervaring). Voor Ellen Vogel leek Claire gefundenes Fressen, maar dat was het allerminst. Han Bentz van den Berg (vijftig op dat moment, op de toppen van zijn toneelloopbaan en eigenlijk nog maar pas begonnen aan een ontdekkingstocht in het vak van regisseren) ging regie voeren.
In de biografische schets Kouwe wind, Ank die dochter Annemarie Oster schreef over Ank van der Moer, herinnert de actrice zich de generale repetitie van In wankel evenwicht: 'Toen zaten er collega’s in de zaal, maar die kwamen na afloop niet naar achter, terwijl ze anders altijd even kwamen zeggen hoe ze het vonden. O, dachten Ellen Vogel en ik, het was zeker niks. In arren moede zijn we toen na afloop naar een restaurant gegaan en daar hebben we ons ongans gegeten en gedronken om onze verontrusting weg te duwen. Maar het werd een groot succes.’ Bob de Lange schreef over het spelen van Tobias in zijn autobiografie Zo stil als de straten waren de mensen: 'Er kwamen zo veel van mijn eigen angsten en blokkades omhoog, dat ik op een dag Han Bentz van den Berg in Americain te spreken vroeg en uit een volstrekt onvermogen tegen hem zei dat ik die rol niet spelen kon, dat hij iemand anders moest nemen, dat-ie het zelf maar moest doen. Hij begreep er niets van, zat me wazig aan te kijken, dronk vele jenevertjes, en toen we uit elkaar gingen was ik nog geen stap verder en zat ik nóg met die rol waar ik panisch voor was.’
Toneeljournalist Ben Stroman schreef over de voorstelling: 'De regie is zo ver mogelijk van een naturalistische speeltrant verwijderd gebleven. Terecht, want anders zou dit spel een dosis aan realistische onwaarschijnlijkheden hebben meegekregen, die Albee’s vormkracht ontwricht. Nu komen de contrapuntische structuren duidelijk naar voren. De schipperende Tobias, de man van de minste weerstand, die emotioneel zijn masker een enkele maal verliest. De redderende, het wankel evenwicht conventioneel in stand houdende Agnes, die de boventoon van door compromissen bepaalde levensmogelijkheid aanhoudt. Ank van der Moer en Bob de Lange spelen dit duet in een huiveringwekkend evenwicht. Voor het scherzo zorgt de alcoholiste Claire, een ongemeen indrukwekkende rol van Ellen Vogel: de maskerloze, die alleen nog uit zelfbehoud speelt met de restanten van haar masker.’

NET ALS Albee’s beroemdste stuk Who’s Afraid of Virginia Woolf? (1961) heeft nu ook A Delicate Balance zijn weg naar het Nederlandse 'vrije’ commerciële toneel gevonden, bij impresariaat WallisFinkers, in de regie van Wannie de Wijn, in de prachtige vertaling van Janine Brogt en een benauwend decor van Tom Schenk, met Nettie Blanken in de rol van Agnes, Anneke Blok als een prachtige Claire en Mirjam Stolwijk als Julia. Porgy Franssen speelt Tobias. Aan de durf en de ingehouden bravoure in zijn spel laat Franssen zien dat - ook in een regie-opvatting vol met de 'realistische onwaarschijnlijkheden’ waar Ben Stroman in zijn kritiek in 1967 over schreef - deze rol een monumentale speelkluif is. Tegen het eind van het stuk, op de vroege zondagmorgen, bezwijkt Tobias bijna onder de massieve druk dat hij zijn vrienden eigenlijk moet wegsturen om het wankele evenwicht in zijn huis te beschermen.
Voor de monoloog die dan volgt geeft Albee de acteur die Tobias vormgeeft de volgende aanwijzing mee (ik citeer de vertaling van Brogt): 'Wat volgt is een aria. In zijn uitvoering moet alle afgrijzen en exuberantie zitten van een man die zijn emoties te lang onder controle heeft gehouden. Tobias gaat tot de rand van de hysterie, merkt soms dat hij lacht, terwijl hij van pure opluchting huilt. Alles bij elkaar is het echt en onecht tegelijk, het een verlengt het ander.’ Probeert de toneelspeler deze noties in te ademen (en vervolgens, zo stel ik me voor, meteen weer te vergeten), dan ontstaat er op de golven van deze monoloog altijd iets wat weird is, iets wat zich ergens tussen martiale vechtsport, stand-up comedy en Pina Bausch in beweegt.
Van Bob de Lange (beheerst komediantenspel) vond ik het 43 jaar geleden al adembenemend, Paul Kooij deed met die tekst drie jaar geleden in de voorstelling bij Carver/Onafhankelijk Toneel iets wat van een gekmakende schoonheid was, Porgy Franssen laat ook hier doorschemeren wat de essentie van toneelspelen kán zijn: het tonen van de afgepelde mens van wie alle overlevingstrucs zijn afgepakt, oog in oog met zijn onbeschaamd lelijke zelf. Tobias tegen zijn vriend Harry: 'Jij komt hier binnen met je vrouw en met je pest! En dan vraag je mij of ik jullie wil! Ja! Natuurlijk! Ik wil jullie hier! Je komt hier, met je pest, en je blijft hier wonen! Hier met je pest! Je blijft hier! Ik wil je hier niet! Ik hou niet van je! Maar godverdomme… je blijft hier!’
Het is schoonheid die pijn doet aan ogen en oren. Op die apotheose volgt het andante van Agnes, die ermee weg komt, die eroverheen komt, als altijd, ook hier, in het naturelle en kaalgeslagen spel van Nettie Blanken: 'Ik heb nu kennelijk drie ochtenddrinkers. Ik hoop dat het hier geen café wordt. Want dan moeten we een vergunning hebben. (…) Kom maar. We kunnen aan de dag beginnen.’

In wankel evenwicht van Albee is t/m 18 december en weer vanaf 5 januari tot eind april te zien overal in Nederland. Inlichtingen: www.wallisfinkers.nl