De nagetekende wereld

Stripverhalen horen niet tot de literatuur en ook niet tot de beeldende kunst. Ze vormen een eigen genre met als belangrijkste karaktertrek dat de echte wereld is nagetekend. Ze zijn uitermate geschikt om de kinderlijke, ongecompliceerde blik te vangen.

Dat de hogere cultuur elementen van de lagere cultuur opneemt is al lang een gegeven. We noemen het verschijnsel postmodern. Dat een heel domein of genre uit de lagere cultuur aanklopt op de poorten van de Hogere Burcht is inmiddels ook niet ongewoon. Denk aan de popmuziek, de film en de fotografie. Op dit moment staat het stripverhaal te popelen om als kunst of literatuur te worden beschouwd. In Nederland. In Amerika, de bakermat van het genre, kreeg het omvangrijke Jimmy Corrigan, the Smartest Kid on Earth van het wonderkind Chris Ware, al prijzen op het gebied van zowel de literaire als de beeldende kunst. Bij ons start de Zwolse kunstacademie volgend jaar een opleiding voor striptekenaar, de jury van de Libris Literatuurprijs plaatste vorig jaar een stripverhaal op de shortlist, de literaire uitgever De Bezige Bij maakte onlangs bekend een fonds op te willen zetten ‘dat zich richt op literaire strips en graphic novels’ en eind vorig jaar zag het stripblad Eisner het licht, dat ‘aan een groot publiek (wil) laten zien dat strips ook van zichzelf “literair” kunnen zijn’.
Het blad is genoemd naar Will Eisner, de godfather van de graphic novel. Voor mij ligt Een contract met God, 4 verhalen uit de Bronx, uit 1978. Het titelverhaal begint zo: ‘De hele dag stortregende het genadeloos in de Bronx. De riolen stroomden over en het water steeg tot boven de trottoirranden. De huurkazerne op 55 Dropsie Avenue leek omhoog te komen en weg te drijven in de kolkende stroom. “Net de ark van Noach,”… dacht Frimme Hersh, terwijl hij huiswaarts baggerde. Slechts de tranen van tienduizend treurende engelen konden zo’n zondvloed teweegbrengen! En nu ik erover nadenk… misschien was het dat ook wel… dit was immers de dag waarop Frimme Hersh zijn dochter Rachele begroef. Het komt wel vaker voor: een vader zorgt voor zijn kind en brengt het liefdevol groot, om het dan te verliezen… uit zijn armen gerukt door een onzichtbare hand – Gods hand. Het kan iedereen overkomen… iedereen… maar niet Frimme Hersh. En waarom Frimme Hersh niet?? Dat is een goede vraag! Het had Frimme Hersh niet mogen overkomen want Frimme Hersh had een contract met God!’
Het is geen slechte tekst maar ‘literair’ is hij niet. Hij heeft een typische vertellerstoon, niet een literaire. Dat zie je aan bekende beelden als ‘genadeloos’, ‘kolkende’, ‘baggerde’, ‘liefdevol’, en die treurende engelen en dat ‘uit zijn armen gerukt’ zijn rechtstreeks afkomstig uit het levenslied. Verder valt ‘Dat is een goede vraag!’ uit het register en het steeds herhalen van de volledige naam is een belegen literair trucje. We zien dus dat dit beroemde voorbeeld van een literair beeldverhaal in literair opzicht tekortschiet.
Is dat erg? Laat ik zeggen: het verbaast me niet. Literatuur komt voort uit een literaire behandeling van de taal en taal is nu juist het medium waar het in het beeldverhaal het minst om draait, het woord zegt het al, het is een verhaal in beelden, met vaak minimale tekst, niet zelden door iemand anders dan de tekenaar geschreven.
Misschien moeten we de taal van het stripverhaal, veelal dialogen, niet toevallig het ‘scenario’ genoemd, vergelijken met die in film en toneel. Wat de film betreft: die wordt door niemand beschouwd als een literair genre. Het toneel traditioneel wel. Toch is het iets aparts: een toneeltekst is goedbeschouwd een partituur die pas in de uitvoering werkelijk tot leven komt. Daarom zouden we van een ander genre moeten spreken en dat doen we vaak al: theater. Om dezelfde reden zouden we zelfs een stripverhaal met een tekst van eminent literair niveau niet tot de literatuur moeten rekenen, al vonden talloze leraren Nederlands de tekst onder de plaatjes van Tom Poes voldoende literair om Marten Toonders werk toe te staan op de boekenlijst.
De zucht tot verheffing, van de redactie van Eisner, van De Bezige Bij en de jury van de Librisprijs, benadert het stripverhaal vanuit de verkeerde hoek. Het is geen literair genre. Het is in eerste en laatste instantie een getekend verhaal, dus de vraag dringt zich op of het tot de beeldende kunst gerekend kan worden, of het op een beeldende manier kunst uitdrukt. Het is nuttig alvast een (poging tot een) definitie van kunst te geven. Kunst geeft uitdrukking aan onze ervaring van het leven in zijn slecht begrepen complexiteit en zijn onacceptabele eindigheid, en sticht met die uitdrukking betekenis en zin – met als toevoeging dat in de moderne kunst die uitdrukking wordt geacht zijn beslag te krijgen in steeds een nieuwe vorm.
We signaleren meteen al een technisch probleem: beeldende kunst vertelt geen verhaal. We zouden het hierbij kunnen laten: het beeldverhaal is geen onderdeel van de beeldende kunst. Het probleem dat veel moderne kunst wel een verhaal lijkt te vertellen, moet ik hier laten liggen, net als het gegeven dat sommige kunstenaars de strip gebruiken als beeldend middel. Maar het is inzichtelijk om eens te onderzoeken wat er gebeurt als beeldende kunst wel een verhaal gaat vertellen.
Daartoe neem ik een willekeurige tekening van Rembrandt, Jong meisje tijdens het toiletmaken. We zien het meisje op een stoel of een kruk zitten, de rok valt over haar knieën, haar voeten zijn niet te zien, haar handen liggen in haar schoot, ze kijkt voor zich uit of misschien wel naar beneden. Achter haar staat een bediende, een oudere vrouw met een muts op, die aan het haar op het achterhoofd prutst. De kunstuitdrukking kan naast de formele aspecten van het beeld benaderd worden met woorden als ‘intimiteit’, ‘ergernis’ (van de oudere vrouw gezien haar minieme gezichtsuitdrukking), ‘berusting’, ‘verwachting over de dag die komt’ en het idee van standsverschil. Nu wagen we ons aan het gedachte-experiment dat dit het eerste plaatje is uit een beeldverhaal zonder tekst. We fantaseren er nog een paar bij: het meisje werpt de deuren van haar kamer open waarbij we haar op de rug zien; ze aait gehurkt een hond met een gekrulde staart; ze kijkt bij de trap omhoog naar haar gebarende moeder; ze is weer terug in haar kamer en staat met haar handen op haar rug naar buiten te kijken, waar een jongetje naar haar zwaait. Enzovoort. Allemaal van Rembrandt.
Nu beweer ik dat de kunstuitdrukking naar de achtergrond van de kijkervaring verdwijnt doordat er een verhaal op gang komt, en dat verhaal zorgt ervoor dat de tekening een illustratie wordt, zij verliest haar in zichzelf gekeerde beslotenheid en wordt een afbeelding van iets anders, iets wat er al is, een moment uit het vertelde verhaal, en een afbeelding is geen uitbeelding: het tekent iets na. De ‘echte wereld’, een fictieve wereld in dit geval, bevindt zich daarachter. Een werk van Rembrandt, tekening of schilderij, verwijst niet naar ‘de echte wereld’ omdat het als ieder kunstwerk alleen in zichzelf bestaat, als een nieuwe werkelijkheid, al is er natuurlijk een verband met de ons bekende werkelijkheid en onze gevoelens.
Zo komen we bij de cartoon. Die is ook niet de illustratie bij een verhaal. Maar hoe virtuoos vaak getekend, de spotprent is geen beeldende kunst, wil dat ook niet zijn, hij berust niet in eerste instantie in zichzelf. Hij verwijst naar een te hekelen buitenwereld, of hij wil alleen maar grappig zijn, van ranzige schoonmoedergrollen tot de verfijnde absurditeiten van Kamagurka. Alleen met Gummbah, die het absurdisme voorbij is, aarzel ik even, misschien is het wel… kunst (maar geen beeldende!).
Dit is de kern van de zaak: het stripverhaal is een nagetekende wereld. Ergens in de al dan niet fictieve ruimte bevindt zich de ‘echte’ wereld en de strip tekent die na. Dat valt het meest op als hij zo realistisch mogelijk wil zijn omdat we ons de echte wereld dan zo goed voor de geest kunnen halen, zoals bij de avonturen van kapitein Rob of Eric de Noorman. Doordat hij schematischer is, oogt de wereld van Kuifje iets minder ‘nagetekend’ en dat geldt ook voor een tekenaar als Moebius: in L’incal noir zet zijn quasi-realistische stijl in wervelende beelden een sf-wereld voor ons neer maar de echte is het niet, die zit daarachter. Vergelijk het met de beelden uit een sf-film of uit Lord of the Rings: dan zie je de echte wereld, niet nagefilmd – alle films, hoe verzonnen ook, laten de echte wereld zien.
Het nagetekende effect verdwijnt naar de achtergrond als de tekenstijl sterk de aandacht naar zich toe trekt, en dan kan het twee kanten op. Of het wordt ‘Donald Duck’, het oertype: de totale stripwereld, een ‘echte wereld’ ontbreekt, of het trekt in de richting van de kunst, bijvoorbeeld Art Spiegelmans Maus, een holocaustgeschiedenis in een wat gedrongen stijl die herinneringen oproept aan Mickey Mouse uit de jaren dertig, met als opvallendste kenmerk dat de mensen allen een dierenhoofd hebben, niet als masker, maar ‘echt’. Ook in Persepolis van Marjane Satrapi, over de lotgevallen van een gezin in het Iran van Khomeini, trekken de geschematiseerde, bijna didactisch aandoende zwart-wittekeningen, onmiskenbaar beïnvloed door het werk van de Duitse socialistische kunstenaar Gerd Arntz (1900-1988), sterk de aandacht naar zichzelf. Die aandacht leidt er nog steeds niet toe dat we hier te maken hebben met beeldende kunst, maar kunst… wie het weet mag het zeggen.
De meeste stripverhalen zijn grappig, in Amerika heten ze nog steeds ‘comics’. Het type ‘Donald Duck’. Maar dat heeft geen kunst-pretenties en daarom laat ik het hier buiten beschouwing. De verhalen waar ik het oog op heb zijn vaak ernstig bedoeld. Talloze scènes uit Het contract met God zijn daar een voorbeeld van. Echtelijke ruzies, verkrachting, alcoholisme, betrapt op overspel, zelfs een hartaanval met de tekst: ‘Oh, mijn borst, AAH!’ Het contrast met de stripperig-realistische tekenstijl is echter te groot en je schiet in de lach. De bloedserieuze sf-wereld van Moebius is ook niet grappig maar de nagetekende werking maakt het toch een beetje komisch – laat ik het zo zeggen: je kunt het niet serieus nemen. Het geldt ook, ander voorbeeld, voor Exit Wounds van Rutu Modan, een serieus verhaal over een zoektocht naar een vader in het huidige Israël: evident een strip, al was het maar omdat mensen de stipogen hebben van Kuifje. De choreograaf Hans van Manen heeft eens gezegd dat althans zíjn balletten niets anders uitdrukken dan ballet. Zo moeten we besluiten dat strips altijd ‘strip’ uitdrukken – naast wat ze verder nog doen (al is dat daar misschien bij ingesloten).
De echte wereld waar deze tekenaars naar verwijzen kunnen we alleen via hun tekeningen vermoeden. Anders is dat met illustraties bij een tekst, bijvoorbeeld Tardi’s tekeningen bij Céline’s bloedstollend nihilistische roman Reis naar het einde van de nacht, waar de echte wereld, die van de roman, niet alleen helemaal bekend is maar ook nog eens een geheel in zichzelf besloten literair kunstwerk. De tekeningen zijn mooi gedaan in hun soort – het genus ‘striptekening’ – maar de echte wereld, de roman van Céline, is te sterk waardoor het gebruikelijke contrast met de echte wereld te groot wordt. De tekeningen werken daardoor onbedoeld komisch – en hinderlijk want de tekst wil alle aandacht. De uitgave is een vergissing.
Doordat de wereld in het stripverhaal niet de echte is, is het genre wezenlijk ironisch (met uitzonderingen als Maus en Persepolis). We spreken immers van ironie als je bij iets wat je ziet, hoort of leest een signaal meekrijgt dat de werkelijkheid anders is, vaak tegengesteld. De ironie in kwestie wordt nog door iets anders gevoed. Tot de vroegste stripverhalen die in het negentiende-eeuwse Amerika ontstonden horen Katzenjammer Kids en The Yellow Kid (eigenlijk de aanduiding van een stripfiguur), uitermate populair bij volwassenen maar (zie de titels) voor kinderen bedoeld, of, en nu ben ik er, voor mensen met een kinderlijke blik. Met de graphic novel heeft het stripverhaal zich daarvan willen losmaken, maar vergeefs: het stripverhaal is een verhaal voor mensen met een kinderlijke blik, ook al wil het met zijn thematiek (‘kleinmenselijk leed in The Bronx’) alleen grote mensen aanspreken. Ook dit is een gevolg van de aard van het stripverhaal, de nagetekende wereld: die is namelijk een beetje ‘kinderachtig’, ook in de zin van ‘eenvoudig’, ‘weinig complex’. Ik bedoel dit niet denigrerend maar zakelijk-kenmerkend. De meeste mensen meten zich de kinderlijke blik namelijk graag af en toe aan. En ook hier ontbreekt die blik in strips waar het nagetekende effect is verflauwd, in strips als Maus en Persepolis dus.
Het wordt tijd voor een slotsom. Stripverhalen horen niet tot de literatuur en ook niet tot de beeldende kunst. Ze vormen een eigen genre met als belangrijkste karaktertrek dat de echte wereld is nagetekend. Dat maakt ze principieel ironisch en doordat een nagetekende wereld een sterk vereenvoudigde wereld is, zijn ze uitermate geschikt om de kinderlijke blik te vangen, een ongecompliceerde blik, die er met het ironische karakter voor zorgt dat je een stripverhaal nooit helemaal serieus kunt nemen. Dat is er weer de oorzaak van dat het genre vooralsnog niet geschikt is om kunst uit te drukken in de zin van de definitie die ik heb gegeven. ‘Vooralsnog’ – ook het stripverhaal is een product van de verbeelding en moet dus wel degelijk in staat worden geacht kunst uit te drukken. Ik denk dan aan Jimmy Corrigan, the Smartest Kid on Earth, ondanks het woord ‘Kid’ in de titel. Laat De Bezige Bij dat maar eens vertalen, al lijkt me dat door de verwevenheid van tekst en beeld bijna onmogelijk.