De naïeve beginneling

Wie schrijver is of wil worden betreedt een wereld die van illusies aan elkaar hangt. Een schrijver is iemand met succes. Zij/hij spreekt op literaire bijeenkomsten ongegeneerd over haar inspiratie en haar toekomst, ze laat zich fotograferen in het gezelschap van andere talenten en laat in alles doorschemeren dat ze iets betekent. Ieder nieuw boek is een statement. Engagement is haar second name en wie haar kent weet dat ze heel gewoon gebleven is. Ze verklaart regelmatig dat ze nog net komt kijken. ‘Anderen zijn veel beter.’ Je bent pas schrijver als je gepubliceerd hebt. De strijd is hard, uitgevers willen liever geen onbekende schrijvers, ze zijn geldbelust, ze willen de nieuwe Mulisch en de nieuwe De Moor. En als je eenmaal schrijver bent, kun je jaren voort. Ook als je niks meer schrijft. Daar is de bewondering al weer en het gefluister: ‘Weet je dat zij vroeger erg goeie boeken schreef?’ ‘Ja, haar eerste boek, dat was pas goed.’

Wessel te Gussinklo zet in zijn nieuwe, vermakelijke en ook bittere roman illusies over schrijverschap flink op de tocht. Of liever, hij vergroot ze uit, maakt er een groteske en tegelijkertijd tragische toestand van waarbinnen vernedering en gefnuikte ambitie hand en hand gaan. Als je eenmaal schrijver bent, zo is het idee van beginnend schrijver Hajé Gerritsen, dan ben je er. Maar hoe word je het? Voor beginnende schrijvers, schrijfopleidingen en cursusgevers van ‘creatief schrijven’ is deze roman een must. In een opgewonden stijl, waarin Te Gussinklo gepokt en gemazeld is, komen alle rationalisaties over schrijven aan de orde. ‘Ik zou een veel beter boek gaan schrijven nu ik het eenmaal begrepen had. Een boek dat over de werkelijke dingen ging, niet zomaar wat gebeurtenissen en emoties. Nee, over de eenzame met niets verbonden mens zou het gaan, alleen met zichzelf en de wereld van het andere.’

Small wessel te gussinklo  keke keukelaar 9131b
Wessel te Gussinklo haalt de schrijfwereld door de mangel © Keke Keukelaar

Plannen maken, daar is deze ambitieuze jongeman goed in, peinzen, tobben, in cafés zitten, wandelen, nieuwe plannen maken, weer peinzen, eindelijk schrijven, toch maar stoppen, enzovoort enzovoort. Dan ontmoet hij de merkwaardige jongeman Marcel, ook een schrijver, er bloeit een vriendschap die rust op wederzijdse waardering en toch ook wantrouwen en halve rancune. De ik-figuur vindt zichzelf een veel betere schrijver, hij acht zich superieur. Hij geeft Marcel tips, weet alles beter, vindt hem een ‘naïeve beginneling’ met wie het nooit goed zal komen, ‘(…) amateurs allemaal, naïevelingen, iedereen wilde maar schrijven alsof het niets was’. En plotseling brengt die vermaledijde Marcel een succesvolle roman uit, waarin Hajé zijn eigen ideeën, ja, zelfs zijn plot, terugziet. Wat er dan verder gebeurt.

Steeds dat verwilderde verlangen naar inspiratie, naar noodzaak, naar urgentie

Zo’n roman is dit dus: ambitie, rancune, vergeefsheid en vernedering. Vooral op dat laatste mikt Te Gussinklo die de schrijfwereld en de illusies die daarbij horen flink door de mangel haalt maar toch vooral ook zichzelf. Het geklaag, het zelfmedelijden, de wanhopige bespiegelingen, de megalomane en half magische ontboezemingen van de held over hoe het ooit allemaal goed zal komen, het is zowel pijnlijk als ook uitermate sterk en geestig geschreven. ‘Met spot zou ik ze overladen, de braven, met hoon, met woede de keurigen, betrappen zou ik ze bij al die houdingen die het echte niet waren – de leegte daarachter, de schijn die geen werkelijke reden of inhoud had behalve braaf zijn, keurig zijn – betrappen zou ik ze, ontmaskeren.’ Het ‘echte’, daarnaar zoekt de vertwijfelde hoofdfiguur, maar wanneer hij het gevonden meent te hebben, ontsnapt het hem al weer. ‘Maar ik had het bijzondere gewild, het ongezegde dat achter de gewone dingen schuilging.’

Deze adembenemend zelfbewuste schrijver loopt steeds verder vast in de door hemzelf opgeroepen illusies. Ondertussen brengt Te Gussinklo zijn tragische held dieper in pijnlijke en vernederende situaties. Hoogtepunten vormen de belevenissen rond de presentatie van de roman van zijn vriend. Die is in één klap beroemd, wordt uitvoerig gefêteerd, Hajé staat er vertwijfeld bij te kijken. Hij mag nog net bij het diner aanzitten, maar dan moet iedereen wel inschikken, want hij was officieel niet uitgenodigd. Wie ooit bij zo’n presentatie aanwezig was, ziet het voor zich.

Fraai zijn ook de steeds terugkerende banale scènes rond scooters, autorijden en benzineverbruik. De schaamte van de held voor het motorlawaai van zijn stokoude Volkswagen is zowel onthullend als buitengewoon geestig. Vrouwen zijn in de ogen van de held onbenullige bemoederaars die je van ‘het echte’ afhouden of je op verkeerde wijze van ongevraagd advies voorzien. Niet geschikt voor feministen, deze roman. Of juist wel.

Verloren illusies (1843), dit meesterwerk van De Balzac over ambities en ondergang daarvan, dook steeds in mijn herinnering op. Bij Balzac een meer epische, vertellende toon, met ook op de achtergrond een lachbui, bij Te Gussinklo een koortsige, hypernerveuze verteltoon, met steeds kreten er tussendoor als ‘weet ik veel’ of ‘jajaja’, of ‘welnee joh’, of ‘goh, nou zeg’. En steeds dat verwilderde verlangen naar inspiratie, naar noodzaak, naar urgentie. Op het laatst wist ik zeker dat die Hajé nog gelijk heeft ook, al begon ik hem wel vaker toe te roepen: ‘Doe dit niet. Laat toch zitten. Nee, niet gaan naar die presentatie. Niet luisteren naar Marcel. Niet open doen.’ Want het gaat in deze roman allemaal van kwaad tot erger, op het laatst misschien net te erg. Maar Te Gussinklo hield me gevangen, handenwringend las ik door. Steeds gehaaster. En precies daar wilde hij me hebben. Hij prikte mijn illusies en half magische ideeën over schrijverschap kwaadaardig, geestig en doeltreffend door en zette daar een nieuwe mythologie voor in de plaats.