Paul Klee in het Cobra Museum

De naïeve blik

Kinderen weten niet wat kunst is, zei Paul Klee. Leg dus geen verband tussen de creativiteit van kinderen en kunst. Helaas gebeurt dat maar al te vaak.

HET BESTE deel van de talentenjachtprogramma’s op de Nederlandse televisie zijn de audities. Daarin komen duizenden would-be zangers zich presenteren voor een kritische jury. Zij stellen zich voor, doen zenuwachtig ‘hun ding’ en worden dan ferm afgeserveerd: 'Joh, ga naar huis. Je kunt niet zingen.’ De meeste kandidaten horen dat voor het eerst. Hun hele leven lang hebben hun ouders en onderwijzers ze verteld dat ze zo geweldig creatief waren, en ze zijn daarin altijd aangemoedigd. In die audities blijkt dat opeens van nul en generlei waarde. Zingen blijkt iets wat je moet leren. Het is een hard gelag. De weggebonjourde kandidaten houden zich groot door op hun beurt voor de camera de jury te desavoueren: 'Nee, ja, dat is hún mening. Dat mógen zij vinden.’
De audities zijn een puntgave demonstratie van een wijdverbreid misverstand over wat creativiteit is, zeker waar het kinderen betreft. Als u 'kinderen’ en 'creativiteit’ een beetje losjes googlet dan komt u dat misverstand overal tegen. Bijvoorbeeld op de site die het e-book How to Be Creative van ene Jeremy Dean uitvent. Daar staat te lezen: 'Zoals Picasso ooit al zei: alle kinderen zijn creatief; de uitdaging is ook in volwassenheid creatief te blijven. Helaas lijken alle openbare onderwijssystemen wereldwijd erop gericht creativiteit te vermorzelen ten faveure van uit-je-hoofd-leren en je-examens-halen.’ Dat vitten op formele vorming is flauwekul, dat weet u, en ook de jury van Idols weet dat. Creativiteit verhoudt zich tot kunst als bakmeel tot appeltaart. Je hebt het erbij nodig, maar het is niet alles en het is zeker niet hetzelfde.
De tentoonstelling Klee en Cobra: Het begint als kind in het Cobra Museum in Amstelveen wil de bezoeker doen ervaren 'hoe zowel Paul Klee als de generatie van naoorlogse Cobra-kunstenaars de belevingswereld van kinderen vertaalde in een radicaal nieuwe kunst, die tot op de dag van vandaag kleurrijk, expressief, spontaan, rauw en puur is’. In het licht van het voorgaande was dus mijn argwaan gewekt, ook al omdat het evenement is voorzien van een bijprogramma, gedragen door ontwikkelingspsychologen van de Universiteit van Amsterdam, waarin de relatie tussen kunst, creativiteit en kindertekeningen nader wordt onderzocht. Mijn argwaan was gelukkig onterecht. De tentoonstelling is volkomen helder in zijn presentatie en ruimt in de catalogus in een paar even beknopte als nuchtere essays het misverstand uit de weg. Kinderen maken geen kunst en Klee maakte geen kinderkunst, punt. Het is bovendien - voor dat armetierige gebouw dat het Cobra Museum helaas is - een goed gestructureerde, misschien iets te drukke expositie, met zo'n 130 stukken van Klee en nog eens zoveel werken van Cobra-kunstenaars.
Het verband tussen Klee en Cobra is historisch. In 1948 werd zijn werk voor het eerst in Nederland getoond in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Het waren jaren waarin Sandberg de Nederlanders in hoog tempo bijspijkerde over wat er in de oorlogsjaren zoal elders was gebeurd. Hij toonde Picasso, Matisse, Bonnard et cetera, maar ook de nieuwe generatie Nederlandse kunstenaars. In 10 schilders (1946) toonde hij bijvoorbeeld Appel, Brands, Corneille en Rooskens, die zich in 1948 verenigden in de Experimentele Groep, die weer opging in Cobra.
Het is frappant dat die tentoonstellingen over het algemeen gunstig werden ontvangen, die van Klee zelfs zeer lovend. De grote Cobra-tentoonstelling van november 1949 echter niet. De pers brak de staf over 'geklad, geklets en geklodder’ door 'knoeiers, kladders en verlakkers’. Voor het Stedelijk en de heren van Cobra pakte dat schandaal goed uit. De reactionaire kritiek bewees immers dat hun uitgangspunten wel juist moesten zijn. Het wás een benepen tijd, en het is niet onlogisch dat de cobraïsten in hun drift uitkwamen bij de meest primitieve uitdrukkingsmogelijkheden, ontdaan van élk formeel schema, met de vrije jazz en de wartaalpoëzie als parallellen. Corneille zei: 'Wij gebruikten alles en hielden van alles. Van kindertekeningen, folklore, tekeningen van krankzinnigen, negermaskers.’ Appel zei 'dat hij maar wat aanrotzooide’. Daarmee kregen ze de burgerij op de kast, joegen De Telegraaf tegen zich in het harnas en kregen een suffe VVD'er zo ver dat hij Kamervragen stelde over het gedicht Oote oote boe. Voilà, mot: men zat op het goede spoor.
De cobraïsten brachten in 1949 openlijk een hulde aan Paul Klee, de man met wiens werk zij in Amsterdam kennis hadden gemaakt. Onmiddellijk legden zij een relatie tussen hun kunst van 'directe zintuiglijke interactie’ met Klee’s voorliefde voor de kindertekening.
Daar ging iets mis. Paul Klee (1879-1940) was om te beginnen een volstrekt ander type mens en kunstenaar geweest dan de ketelmuzikanten van Cobra. Hij was uiterst introvert. Hij kwam uit een gezin van musici, ging naar de kunstacademie, onderscheidde zich daar als tekenaar, maar hij vond zelf dat hij geen werkelijk gevoel voor kleur had en dat hij voor het vak eigenlijk ongeschikt was. Op de academie had Klee de canon van de klassieke kunst als vernederend ervaren, vernederend in zijn volmaaktheid; bij hem drong zich net als bij Schönberg en Cézanne het urgente gevoel op dat er iets fundamenteels in het systeem doorbroken moest worden om nog tot betekenisvolle expressie te kunnen komen. Een van de antwoorden lag in het primitieve, het rauwe, het dierlijke, zoals uitgedragen door Les Fauves of in Strawinsky’s Sacre. Maar dat was niks voor Klee. Jarenlang verdiende hij zijn brood als violist en theaterrecensent. Vervolgens trouwde hij en werd huisman in München. Als hij al schilderde, dan deed hij dat in de keuken. Hij deed de boodschappen, kookte en zorgde voor de kleine Felix, die in 1906 geboren was. Klee hield een nauwkeurig dagboek bij van de ontwikkeling van zijn kind, en hij bestudeerde ook diens eerste tekeningen. Daar zat iets in, dacht Klee, maar wat? Wat zag die jongen?
In 1910 kreeg hij een tentoonstelling in Bern, en als gevolg daarvan kwam hij eindelijk terecht in kringen van gelijkgestemden. Hij ontmoette Wassily Kandinsky en Gabriele Münter, die al verder gevorderde ideeën hadden over de waarde van kindertekeningen voor de kunstenaar. Kandinsky zette daar het een en ander over uiteen in de catalogus van de Blaue Reiter-tentoonstelling: 'Het praktisch-doelmatige is het kind vreemd, aangezien (…) het nog het onvertroebelde vermogen bezit om de zaak als zodanig in zich op te nemen. (…) In elke kindertekening openbaart zich zo de innerlijke klank van het object vanzelf.’ Dat sprak Klee aan.
Het 'onvertroebeld vermogen’ was natuurlijk aanwezig in de 'negerkunst’, maar niet alleen daar, schreef Kandinsky: 'Er bestaat (…) nóg een oerbegin van de kunst dat men eerder in het etnografisch museum aantreft of thuis in de kinderkamer (lach niet lezer); de kinderen kunnen het ook. (…) Hoe hulpelozer deze kinderen zijn, des te leerzamer is hun kunst.’ Juist het ontbreken van technische of formeel aangeleerde vaardigheden zagen Kandinsky en Klee als een kwaliteit en als de 'eigenlijke les’ van de kindertekening. Echter, zij zagen dat niet als een doel op zich. 'Vergeet nooit dat het kind niets van kunst weet’, zei Klee later, 'leg geen verband tussen mijn werk en dat van kinderen.’

DE STELLING van de Amstelveense tentoonstelling is dat met de gewaarwording over de betekenis van de kinderlijke observatie Klee’s kunstenaarschap bevrijd werd van zijn aarzeling. Dat is maar een deel van het verhaal. Klee’s inhibities werden evenzeer geslecht door reizen naar Parijs in 1912, door zijn contact met het kubisme en het werk van Delaunay en De Vlaminck, en ten slotte door een reis naar Tunesië in 1914 met August Macke. Pas daar voelde Klee zich voor het eerst schilder, daar meende hij dat hij eindelijk iets van kleur begreep, en pas daarna vond hij een stijl die tekening en kleur bevredigend integreerde. Net als Kandinsky verbond Klee het kleurgebruik met muziek, en de harmonieuze combinatie van kleuren was te vergelijken met muzikale compositie. In zijn essay in de catalogus merkt Michael Baumgartner terecht op dat het Klee uiteindelijk ging om het bereiken van 'een synthese tussen een verfijnde stijl en een elementaire, kinderlijke wil tot expressie’. Spontane creativiteit en beheerste techniek waren geen tegengestelde grootheden, maar juist een stimulans voor een creatief proces. In die zin, lijkt mij, wijkt Klee’s visie sterk af van hoe de heren van Cobra tegen de zaak aankeken.
Het zien van Klee’s werk in Amstelveen is een groot genoegen, als kamermuziek van Janácek of Bartók. De werken zijn steevast gedacht vanuit een tekening, daarna geïntegreerd in kleur, met een zeggingskracht die juist in de beperking - van het formaat, bijvoorbeeld - en een heel delicaat gevoel voor het verhalende element zijn kracht vindt. Het is af en toe kinderlijk, misschien, maar juist niet tomeloos of ongeremd; het is soms best vrolijk, maar nooit naïef - daarvoor had Klee een veel te scherp oog, bijvoorbeeld voor de agressie van kinderen, of de nadering van het fascisme. Het is precies zoals T.S. Eliot de poëzie van Walter de la Mare beschreef: 'conscious art practised with natural ease’.
De combinatie met de Cobra-kunstenaars mag historisch gezien juist zijn, ze hangen er af en toe heel ongemakkelijk te hangen. Bij de fijnzinnige Klee steekt de maar-wat-aan-rotzooiende kliek Hollanders en Denen scherp af. De cobraïsten zijn zo ernstig-driftig bezig met zich te bevrijden van de grauwsluier van de bezetting en de naoorlogse reactie en ze leggen het er allemaal zó dik op, letterlijk, dat het werk zichzelf nogal eens overschreeuwt. Het is pijnlijk om te zien hoe weinig ervan eigenlijk beklijft. Natuurlijk, Karel Appel is een consistente persoonlijkheid, een noeste werker, en dat houdt zijn productie overeind, maar Corneille blijkt toch vooral een plaatjesmaker en een kalenderschilder. En het valt nauwelijks voor te stellen dat iemand ooit echt genoegen heeft beleefd aan een schilderij van Theo Wolvecamp. Modder is het.
De kindertekeningen die voor Klee een middel waren geweest om inzicht te krijgen in de mogelijkheid van een eigen artistieke ontwikkeling werden door de Cobra-kunstenaars gekaapt voor een begrijpelijke maar banale kritiek: de vermeende puurheid van de kinderlijke creativiteit versus de knellende regelen van onderwijs en kunst. Een misverstand, een betreurenswaardig misverstand.

Klee en Cobra: Het begint als kind. Cobra Museum voor moderne kunst, Amstelveen, t/m 22 april. www.cobra-museum.nl