Humor in de politiek

De nar mag alles

Grove grappen, clowneske baldadigheid en irrationeel gedrag hebben hun plek opgeëist in het centrum van de macht. De polariserende kracht van humor draagt bij aan een gevoel van wij-tegen-zij.

Dat komieken zich in de politiek mengen is niet nieuw. Wel dat ze winnen. In Oekraïne won komiek Volodymyr Zelensky met overmacht de presidentsverkiezingen. Zijn programma is onduidelijk, maar hij is razend populair dankzij zijn televisierol als leraar die per ongeluk president wordt. In 2010 werd de IJslandse komiek Jón Gnarr onverwacht burgemeester van Reykjavik namens de ‘Beste Partij’. Hij beloofde gratis handdoeken in alle zwembaden. Het succesvolste voorbeeld is de Italiaanse Vijfsterrenbeweging, in 2009 opgericht door komiek Beppe Grillo, inmiddels de grootste partij van Italië. Grillo is opgevolgd door de opvallend ongrappige Luigi Di Maio. De komiek van de net gevallen Italiaanse coalitie is Lega-politicus Matteo Salvini. Deze vergeleek ooit een vrouwelijk parlementslid met een opblaaspop en grapte midden in een oplopend diplomatiek conflict met Frankrijk dat hij de Mona Lisa terug wilde.

Komieken hebben van oudsher een bijzondere maatschappelijke positie. Zij mogen alles wat wij niet mogen. Zolang ze in hun rol zijn, wordt om hun beledigingen, grove opmerkingen, emotionele oprispingen en ongepaste verlangens vrolijk gelachen. Ze kunnen straffeloos inconsistent zijn, want: het is maar een grapje. Zo beloofde Gnarr in zijn campagne al zijn beloften te verbreken. Een belofte waar hij zich aan hield: de gratis handdoeken kwamen er niet. Duitsers noemen dit Narrenfreiheit: de nar en de komiek mogen alles – zelfs de koning belachelijk maken.

Maar aan deze vrijheid hangt een prijskaartje. Narren worden nooit helemaal serieus genomen en blijven ondergeschikt aan hun baas: de koning, de keizer, de president, of het volk.

Steeds meer politici eisen inmiddels deze narrenvrijheid op. Donald Trump en Boris Johnson gedragen zich uitgesproken clownesk: grappend, grof, ongeremd, inconsistent. In Nederland zagen we de komieke stijl bij Fortuyn, Wilders, Kuzu, en nu bij Hiddema en Baudet. In Finland bouwde Timo Soini zijn Finnenpartij uit tot een van de succesvolste Europese populistische partijen met een veelgelezen humoristisch blog. De primeur was voor Italië, waar Silvio Berlusconi al vanaf 1994 de politiek domineerde met humor, provocatie en onbeschaamde vriendjespolitiek. Zo was er die keer dat hij, glimmend van plezier om zijn eigen geestigheid, tegen de Duitse Europarlementariër Martin Schulz zei: ‘Ik ken in Italië een man die een film produceert over naziconcentratiekampen. Ik zal u aanbevelen voor de rol van Kapo.’

En zorgvuldig getimed, na de geschokte reactie, grijnzend: ‘U zou perfect zijn.’

***

Humor is een krachtige vorm van antipolitiek. Eind jaren zestig joegen de hippies en provo’s met hun ludieke acties politici en bestuurders op de kast. Daarmee haalden ze niet het parlement, maar wel de Amsterdamse gemeenteraad.

Nu komen de grappen vooral van de rechterkant. Maar dat is niet het enige wat veranderd is. Deze stijl is doorgedrongen tot het hart van de gevestigde politiek. De Kabouters verdwenen snel uit de raad. De ‘jonge Turken’ van Nieuw-Links voegden zich na overname van de pvda snel naar hun nieuwe rol. Maar de huidige politieke komieken gaan door met hun kolderieke gedrag na de verkiezing, zelfs na benoeming in hoge functies. Hun humor is vaak hard, zonder de speelse ondertoon van de provo’s. De nieuwe politieke clowns weten een enorm, deels anoniem publiek te mobiliseren dat hun humor niet alleen verspreidt maar ‘echoot’ met grappen die vaak een tandje verder gaan.

Zowel de politieke komieken als de politici die deze narrenvrijheid opeisen, zitten met name bij populistisch rechts, soms ook bij populistisch links. Grijnzend overschrijden ze welbewust politieke fatsoensnormen. Wilders becommentarieerde ooit in de Tweede Kamer het seksleven van de premier. (‘Heel Nederland weet nog niet eens of de heer Rutte ooit een vrouw heeft gehad!’) Baudet komt verkleed als soldaat naar de Tweede Kamer. Hiddema monkelt over integratie tussen de lakens. Kuzu loopt met een enorme Palestijnse vlag (en een camera in zijn kielzog) door Jeruzalem. Als hij door soldaten wordt aangesproken doet hij of zijn neus bloedt.

We zien het op de hoogste posities: de nieuwe Britse premier spreekt zichzelf continu tegen, beledigt en liegt, maar doet dat met zoveel humor en ‘charme’ (dixit Jort Kelder) dat hij er bij zijn kiezers alleen maar geliefder door wordt. En Trump? Die is al drie jaar zo permanent outrageous dat het velen lijkt te ontgaan hoe consequent het onderliggende beleid is.

Het is verbluffend hoeveel er mogelijk is als je niet probeert redelijk, rationeel en consistent te zijn. Als je deze mannen (en een enkele vrouw) ziet, vraag je je af waarom politici dit niet eerder geprobeerd hebben. Waarom beleefd zijn tegen je tegenstanders als je ze ook uit kunt lachen? Waarom onwaarheden verbergen als je ze ook grijnzend kunt ontkennen? Waarom met veel pijn en moeite onderhandelen als je gewoon je zin kunt doordrukken, of anders de boel schaterlachend in het honderd kunt laten lopen?

Gewone politici lijken naast deze kleurrijke personages saai en kleurloos; hun procedures en gemier op de vierkante millimeter belachelijk. Het lukt hun nauwelijks om passend te reageren. Als ze boos of geërgerd antwoorden lijkt het kinderachtig en ‘zuur’. Als ze meelachen of proberen mee te doen is het houterig en ongemakkelijk. Misschien wel de grootste verdienste van Rutte is dat hij provocaties zo soepel kan pareren. Om de opmerking van Wilders over zijn seksleven schaterde hij vrolijk mee en zei: ‘O jaaa. Ook waar ja! (…) Dat ze dat niet weten!’ De politici die zich over deze grap druk maakten – overwegend links en vrouw – staken er humorloos bij af.

Formele politieke systemen zijn nauwelijks opgewassen tegen de bandeloze lach. De Russische literatuurwetenschapper Michail Bachtin liet dit zien in zijn boek over ‘het carnavaleske’ bij de zestiende-eeuwse Franse schrijver François Rabelais. Rabelais schreef sappige verhalen over de bevrijdende lach van de onbeschaamd vretende, vechtende en vrijende reuzen Gargantua en diens zoon Pantagruel, die het aan de stok kregen met diverse autoriteiten. In de jaren veertig publiceerde Bachtin hierover een enthousiast boek: impliciet stelde hij de carnavaleske vrijheid tegenover het verstikkende stalinistische systeem. Dat systeem begreep precies wat hij bedoelde: Bachtin werd gearresteerd en verbannen. In de jaren zestig werd zijn werk ontdekt in het Westen – de timing is niet toevallig – en omarmd als een ode aan de bevrijdende, antiautoritaire lach. Nog altijd wordt het aangehaald om te beargumenteren dat humor en lachen bij de democratie horen. Kijk, totalitaire systemen zijn tegen humor – dan moet het wel democratisch zijn!

Het is moeilijk adequaat te reageren op tegen jou gerichte grappen zonder humorloos te lijken

Maar ook ons gerationaliseerde democratische systeem kan zich slecht verweren tegen komische ordeverstoring. De drie jaar Trump zijn wat dat betreft leerzaam. Een voor een begeven de checks and balances van de Amerikaanse democratie het onder het regime van willekeur van de clown-in-chief. Niemand blijkt op te kunnen tegen het grappigste jongetje van de klas. Want het grappigste jongetje is meestal ook de grootste pestkop.

Trump maakt ook zijn tegenstanders graag belachelijk. Tijdens zijn campagne deed hij een gehandicapte journalist na: raar bewegend, met een kromme arm. Later imiteerde hij, met een piepstemmetje en een scheef hoofd, Christine Blasey Ford, de vrouw die getuigde tegen Brett Kavanaugh. Trumps vijanden krijgen standaard een bijnaam. Robert Muellers onderzoek naar Trumps mogelijke samenwerking met de Russen werd onschadelijk gemaakt met twitterhoon en kleurrijke beledigingen. Trump twitterde: ‘Why didn’t Robert Mueller & his band of 18 Angry Democrats spend any time investigating Crooked Hillary Clinton, Lyin’ & Leakin’ James Comey, Lisa Page and her Psycho lover, Peter S, Andy McCabe, the beautiful Ohr family, Fusion GPS, and many more, including HIMSELF & Andrew W?’ Mueller heette consequent ‘The Highly Conflicted Robert Mueller’. Trumps twitterserie over ‘The Greatest Witchhunt in U.S. History, by far!’ werd afgesloten met een sarcastisch bedankje aan de Democraten.

***

De carnaveleske humor benadrukt het contrast tussen het systeem – grijs, formalistisch, saai – en de uitdagers: uitbundig, meeslepend, kleurrijk. Zo wordt een scherpe grens getrokken tussen twee polen in het politieke landschap: ‘wij’ versus ‘zij’, ‘systeem’ versus ‘buitenstaanders’, ‘links’ versus ‘rechts’. Met grappen kun je deze wij-zij-grens versterken. Je kunt je tegenstanders belachelijk maken, zoals Trump en Johnson graag doen. Of je kunt ze met een grap provoceren. Provocatie dwingt de tegenstander in het defensief. Het is moeilijk adequaat te reageren op tegen jou gerichte grappen zonder humorloos te lijken. ‘Geen gevoel voor humor’ geldt als een pijnlijk persoonlijk defect. Zie de verwijten aan ‘humorloze’ vrouwen, moslims, feministen, activisten en linkse mensen. Mensen doen hun uiterste best dit te ontkrachten. Je wilt immers niet horen bij ‘de humorpolitie’: de starre brigade die sputterend bezwaar maakt tegen andermans levensvreugde.

In de Nederlandse politiek was het direct bespotten van politieke tegenstanders relatief zeldzaam. Als het gebeurt is het meestal oubollige, Wim Kan-achtige humor. Je vermoedt dat de twee partijen straks samen koffie drinken om elkaar te feliciteren met hun mediamomentje. Maar Wilders brak met deze traditie. Hij kiest vaak voor de directe humoristische aanval, in de Kamer of via Twitter. Hij veroorzaakte een humorschandaaltje met fotomontages van Pechtold tussen demonstrerende Hamas-aanhangers, en als wijn drinkende blonde drama queen.

Maar de humoristische aanval is riskant. Bij Wilders lijkt het uitgewerkt: hij lijkt nu vooral vreugdeloos boos. Het recente SP-campagnefilmpje over ‘Hans Brusselmans’ illustreert hoe humor zich tegen je kan keren. Het grapje viel verkeerd: niet grappig, dus alleen maar ongepast en onaardig. De SP verloor.

Nederlandse politici gebruiken liever de omweg van de provocatie. Pim Fortuyn, zelf van de protestgeneratie, was hier een meester in (‘Nou dat klinkt niet erg enthousiast, meneer Melkert! Dat belooft nog wat te worden!’). Wilders’ grootste succes is de ‘kopvoddentaks’ – een metafoor die tegelijk agressief én jolig is. Bij de lancering, in 2010, deed een getergde Pechtold het af als ‘Leids Cabaret Festival’. Ook FvD-politica Annabel Nanninga gebruikte deze tactiek vaak (‘dobbernegers’) – al heeft zij haar toon bijgesteld nu ze senator en gemeenteraadslid is. Bij effectieve provocaties wordt humor gebruikt om de intentie ongewis te houden. Boze reacties kun je schamper afwimpelen: waarom maken mensen zich zo druk om een grapje? Tegelijkertijd vormen onhandige reacties van tegenstanders op provocaties een makkelijk doelwit voor grappen.

Deze twee tactieken – belachelijk maken en provoceren – zijn ook populair onder partijleden, volgers en fans. De grappen van volgers gaan vaak verder dan politici zich kunnen veroorloven. Maar politici kunnen zulke grappen wel aanmoedigen: erom lachen, liken, retweeten, op Facebook zetten en de comments vrij laten stromen. Volgers en anonieme trollen echoën de humor van politici en versterken zo het wij-tegen-zij-gevoel. Forum voor Democratie heeft bijvoorbeeld een YouTube-kanaal waarop de hoogtepunten van Baudet worden getoond. In een populair filmpje houdt Baudet de Kamer schamper voor dat de leden niet snappen hoe de EU werkt. Een d66-Kamerlid maakt zich boos (‘Zo veel onzin is onverdraaglijk’), een pvda’er maakt een onhandig grapje (‘Ik bespeur bij meneer Baudet de frustratie die ik ook weleens bij ornithologen aantref. Namelijk dat je zelf alles van vogels weet maar dat je niet kan vliegen’). In de comments maken fans zich vrolijk om deze klungelige reacties: ‘Hahahahah ik lach me dood hier. Forza Thierry’, ‘Haha die meneer Geurts. Op een peuterschool discussiëren ze nog op een hoger niveau XD.’

***

Overal in Europa en Noord-Amerika neemt politieke polarisatie toe. Door deze wij-zij-dynamiek verliest het politieke midden aan kracht. Nieuw is dat politieke polarisatie gepaard gaat met zogenaamde ‘affectieve polarisatie’. Mensen hebben niet alleen een ideologische maar ook een emotionele afkeer van de tegenpartij. De Amerikaanse politicoloog Cass Sunstein spreekt in dit verband van ‘partyism’: politieke kleur als anker voor identiteit. De laatste veertig jaar steeg het percentage Amerikanen dat liever niet wil dat zoon of dochter met iemand van de andere partij thuiskomt van vijf tot 33 procent voor Democraten, van vier tot maar liefst 49 procent voor Republikeinen.

Voor ras en religie gingen deze cijfers juist omlaag. Recent onderzoek van de politicoloog Andreas Reiljan laat vergelijkbare processen zien in Europa. In Zuid- en Midden-Europa is de affectieve polarisatie zelfs extremer dan in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Nederland staat helemaal onderaan – wat ik gezien de Nederlandse situatie niet erg geruststellend vind.

Humor is een krachtige manier om wij-zij-gevoelens te markeren. Samen lachen betekent: wij begrijpen dezelfde grap. Wij zien de wereld op dezelfde manier. De lach – de meest opzichtige emotionele expressie – maakt deze grensmarkering voor de buitenwereld zichtbaar. Daarom doen mensen ook online zo hun best hun lach zichtbaar te maken, met emoji, ‘haha’ en ‘lol’. Niet meelachen ontmaskert je als buitenstaander: je snapt het niet. Je hoort er niet bij. Of: jij bent het doelwit van de grap. Humor draagt dus niet alleen bij aan affectieve polarisatie door de directe aanval maar ook door het cultiveren en uitvergroten van wij-zij-gevoelens. In een gepolariseerd systeem is elk wij-gevoel potentieel politiek. Daarom kan ook vrijwel elke grap, en elk onderwerp, politiek worden: als het maar zo is dat wij erom lachen en zij niet.

Het YouTube-kanaal van Forum voor Democratie staat vol haha’s, D’s en tranenlachende smileys. Bij de rally’s van Trump wordt scanderen en schelden afgewisseld met schaterlachen. Op filmpjes is te zien hoe Trump pauzeert om de lach door de zaal te laten rollen. De afgelopen maanden zagen we hoe Johnson met effectieve geestigheid (na een lange, kritische vraag van een journaliste: ‘In that great minestrone of observations… erm, one crouton I picked up: You think that I’ve been somehow inconsistent’) de Conservatieve partijleden overhaalde om hem tot premier te verkiezen. Het contrast met de middenpartijen is groot: daar overheerst de ernst. De narrenvrijheid van de politieke leiders is een bindmiddel voor de partij. Het opent de deur voor een cultuur van samen grappen en lachen.

De komisch-politieke stijl is een effectief middel om de gevestigde orde op de kast te jagen en je volgelingen aan je te binden

Deze cultuur maakt veel gebruik van incrowdhumor: grappen die alleen te volgen zijn als je erbij hoort. Zo duurde het even voordat ik begreep waarom tegenstanders van de EU vaak zo veelbetekenend grappig doen over Jean-Claude Juncker. Het bleken verwijzingen naar zijn (vermeende) alcoholprobleem.

Op sociale media circuleert veel hard-rechtse incrowdhumor. Een niet-meer-zo-incrowd-voorbeeld is ‘Pepe the Frog’, de mascotte van alt-right. Er circuleren al jaren memes van Wilders met of als Pepe, en nu ook memes van Baudet met bijvoorbeeld Pepe op zijn schouder. De alt-rightsubcultuur grossiert in incrowdgrappen. Door de cartooneske vorm zien de memes er onschuldig uit. Voor insiders is het vermakelijk, buitenstaanders begrijpen vaak weinig van de verwijzingen naar kikkers, games en rode pillen. Maar deze grappen zijn herkenningstekens voor een radicale politieke visie.

Politiek wij-gevoel wordt aangewakkerd met grappen ten koste van andere groepen, vooral minderheden, vrouwen en (afstammelingen van) migranten. Wilders tweette diverse cartoons van Gregorius Nekschot, de nog altijd anonieme tekenaar die in 2008 werd opgepakt op verdenking van discriminatie. Nekschots opzettelijk afstotelijke cartoons gaan meestal over moslims en migranten. Annabel Nanninga kwam voordat ze senator werd in opspraak door haar gaskamergrappen (inmiddels verwijderd van Twitter). Het met voorsprong populairste doelwit van de grappen op het FvD-kanaal is Khadija Arib: vrouw, van Marokkaanse afkomst, en vertegenwoordiger van het gehate systeem. Pas toen ik me in dit kanaal verdiepte, realiseerde ik me dat Baudet zijn showmanship inzet om Arib uit de tent te lokken. Voor zover ik kan overzien tevergeefs. Maar het is een fijn voorzetje voor grappen van zijn volgers.

De vaak harde grappen ten koste van anderen hebben een driedubbel effect. Allereerst onderstrepen ze natuurlijk het programma van deze partijen: tegen migranten, tegen moslims, voor traditionele genderverhoudingen. Daarnaast versterken ze de affectieve polarisatie door samen te lachen om buitenstaanders: wij tegen zij op het meest basale niveau. Op een (zogenaamd) grappige manier appelleren ze aan superioriteitsgevoelens en negatieve stereotypen. En als het een beetje meezit, kunnen ze met deze grappen politieke tegenstanders op de kast jagen. Of, als die niet happen, misschien hun achterban.

***

Het is niet de eerste keer in de geschiedenis dat politici zich gedragen als komiek, of dat komieken de politiek in gaan. Het is evenmin de eerste keer dat politici gebruik maken van harde humor en een hardhandig grappende achterban om een hardvochtig politiek programma te propageren. Maar de nieuwe politieke clowns worden nauwelijks ingekapseld door het systeem. Hoe komt het dat deze narrenvrijheid nu ineens floreert, ook in of vlakbij het centrum van de macht?

Allereerst komt het door de nieuwe affectieve polarisatie. Omdat humor krachtig appelleert aan wij-zij-gevoelens sluit het gebruik ervan goed aan bij deze ontwikkeling. Een tweede oorzaak ligt in het veranderde politieke systeem. In (bijna) alle liberale democratieën verzwakken politieke partijen. In plaats daarvan komt een gepersonaliseerde mediapolitiek, waarin de aandacht verschuift van organisatie en programma naar persoon en boodschap. Politici worden persoonlijkheden en celebrities, in plaats van deskundigen en ambtenaren. Ouderwetse politieke deugden als expertise, consistentie en redelijkheid zijn dan minder interessant dan een authentieke persoonlijkheid, een opvallende verschijning (raar haar, een knap uiterlijk) – of: een goed gevoel voor humor.

Een derde oorzaak is de opkomst van sociale media, en de algoritme-gestuurde cultuur die daarachter zit. Deze echoot en versterkt politieke humor en extreme politieke standpunten. De alt-rightsubcultuur was een wegbereider voor de opkomst van de carnavalesk-komisch-rechtse stijl. Al rond 2006 trof ik iets vergelijkbaars aan op internet, bij mijn periodieke zoektochten naar nieuwe soorten humor: een carnavaleske, rebelse sfeer, een ambivalent spel met misogyne, racistische retoriek, en moedwillig grove grappen. Ik had nooit durven denken dat dit op een dag zou doordringen tot in de Tweede Kamer en het Witte Huis.

Het zal nog lang duren voordat we precies begrijpen hoe deze nieuwe digitale cultuur onze wereld en onze politiek heeft veranderd. Wel kunnen we alvast concluderen dat de internetcultuur en sociale media – in de vorm die ze nu hebben – goed zijn in het cultiveren van nieuwe komische vormen, humoristische subculturen en van affectief geladen, polariserende politiek. In nieuwe politieke narrenvrijheid komen deze drie factoren samen.

***

We nemen humor niet serieus genoeg – als politiek wapen, als stijlmiddel waar tegenstanders slecht vat op krijgen. Al grappend kun je het debat domineren; de carnavaleske, komisch-politieke stijl is een effectief middel om je politiek te positioneren, de gevestigde orde op de kast te jagen en je volgelingen aan je te binden.

Als het om humor gaat maken we – burgers én wetenschappers – vaak drie denkfouten. De eerste denkfout: dat het geen effect heeft. Dat mensen er wel mee ophouden als ze echte verantwoordelijkheid krijgen. Dat het niet kan werken in de echte, serieuze wereldpolitiek. Maar de afgelopen drie jaar met Trump hebben laten zien dat deze komische stijl wel degelijk samengaat met de uitvoering van een consistent programma. In Italië wisten ze dat al langer: daar hebben ze al sinds 1994 af en aan clowneske types aan de macht. De komische stijl kan werken in het hart van de echte, serieuze, machtspolitiek.

De tweede denkfout: we denken dat humor één ding is. In dit essay richt ik me op een specifieke stijl die op dit moment in de internationale politiek opgeld doet. Ik noem deze stijl ‘carnavalesk’: inconsistent, provocerend, anti-systemisch. Maar humor is een veelzijdig communicatiemiddel, dat samengaat met verschillende politieke doelstellingen. We hebben de kleurrijke metaforen van Wilders (eigenlijk: ghostwriter Martin Bosma), de schampere pedanterie van Baudet, de wat lijzige botheid van Nanninga, de charmante provocaties van Kuzu (het grappigste Kamerlid). Maar ook de schaterlachende allemansvriendhumor van Rutte, de droge grapjes van Buma, de vlotte gebbetjes van Klaver, de gevatheid van Van der Staaij, de geestige speldenprikjes van Arib. Sommige humor verbindt, andere verdeelt. Sommige domineert, andere egaliseert. Met politieke humor per se is niet mis. Maar de nieuwe carnavaleske humor kan onze politieke orde ontwrichten.

De derde denkfout: we idealiseren humor. Onze cultuur houdt van humor. Gevoel voor humor vinden we een essentiële persoonlijke kwaliteit. Lachen is gezond. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. You gotta have a sense of humor. Ook van politieke humor zien we, net als Bachtin, vooral de mooie kant. Satire laat zien dat de keizer geen kleren aan heeft. Het houdt de machthebbers scherp. Het ontmaskert pretenties, en bevrijdt ons van keurslijven. Nu is een samenleving waarin humor vrij wordt gelaten per definitie beter dan een samenleving waarin hij verboden wordt. Maar dat maakt humor niet intrinsiek goed, mooi of democratisch. Humor is een communicatievorm met een glibberige betekenis maar een grote emotionele kracht. En zoals alle krachten kan zij worden aangewend voor allerlei doeleinden: goed en slecht, voor of tegen machthebbers, voor of tegen machtelozen, voor of tegen het systeem.

Ook het carnavaleske is niet van zichzelf goed of slecht. Het heeft geen politieke kleur, wel politieke kracht. Lachende, vretende, vrijende en vechtende reuzen vormen een geschikt tegenwicht tegen geordende systemen – álle geordende systemen, of het nu een totalitaire staat is of een bureaucratisch-geordende parlementaire democratie. De vraag is wat we liever hebben: een systeem – ons systeem – of politici die zich gedragen als vechtende, vretende, vrijende en lachende reuzen. Met een horde trollen.


Giselinde Kuipers is hoogleraar cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze is expert op het gebied van de sociologie van humor