Profiel van G.B. Shaw

De nar van Engeland

De Engelse toneelschrijver Bernard Shaw (1856-1950) speelde een verdienstelijke rol in het laat-negentiende-eeuwse Engelse socialisme. Zijn rol werd echter overschaduwd door zijn steun aan het sovjetcommunisme en het Italiaanse fascisme. De verwarring omtrent Shaw is vijftig jaar na zijn dood nog niet verdwenen.

VAN DE IMMER voortdurende verwarring omtrent de politieke ideeën van de Engelse toneelschrijver George Bernard Shaw (1856-1950) wordt opnieuw blijk gegeven in een stuk in de Volkskrant van 8 januari 2000. In een interview met de Amerikaanse fascist William Pierce wordt stilgestaan bij de sfeer van het huis waarin de interviewers worden ontvangen. Zij komen terecht ‘in een volledig in duisternis gehulde hal. De voordeur valt achter ons in het slot. Een paar minuten verstrijken vóór Pierce vanuit het halfduister te voorschijn komt en ons uitnodigt in zijn kantoor. Zijn computer staat te midden van een grote, ongeordende hoeveelheid boeken en kranten. Zijn Birmaanse kat Bradley zit hooghartig bovenop de computer. Mein Kampf van Adolf Hitler staat naast Man and Superman van Bernard Shaw op de plank ernaast.’ Deze sfeerbeschrijving is onderdeel van een artikel dat wil laten zien hoe gevaarlijk deze Pierce is. Hij is geen domme skinhead, maar een ‘goedig ogende leraar’, die zeer belezen is en zijn fascistische ideeën via internet verspreidt.


Maar wat doet Man and Superman hier? Het toneelstuk uit 1903 bevat in de verste verte niets fascistisch, racistisch of xenofobisch. Het thema is, als in zoveel van Shaws stukken, de menselijke, sociaal-maatschappelijke vooruitgang, met de nadruk op de scheppende rollen van de artiest-filosoof, de moeder-vrouw en hun symbiose in het huwelijk. Natuurlijk zit er een vleugje Nietzsche in dit verhaal over het zoeken naar de ‘supermens’, zoals de titel suggereert, maar dit heeft geen enkele overeenkomst met het blonde, blauwogige vleugje Nietzsche in dat andere boek op Pierces boekenplank. In plaats van Hitlers vertrouwen in lichaamskracht voor de vooruitgang van het Arische ras plaatst Shaw zijn vertrouwen in de scheppende kracht van de menselijke geest, gepersonifieerd door de filosoof, voor het vooruitbrengen van de gehele mensheid. Immers, ‘brainless magnificence of body’ is in de oertijd al eens geprobeerd, met de bekende gevolgen.


Man and Superman heeft evenveel met Hitlers ideeën gemeen als het telefoonboek. Waarschijnlijk heeft de journalistieke vergissing van doen met de klok en de klepel. Shaw, was dat niet die extravagante figuur die met Mussolini en met de Engelse fascist Oswald Mosley heulde? Opschrijven die titel, moeten zij hebben gedacht, zich niet realiserend dat zij daarmee een van de rijkste stukken uit de Engelse toneelliteratuur bij het oud vuil plaatsten.



SHAW WAS GEEN fascist. Een communist: ja, en een bij vlagen radicaal socialist ook. Toch klopt de implicatie dat hij Mussolini steunde, en tot op zekere hoogte ook Hitler en Mosley. De verklaring voor deze verwarrende tegenstrijdigheid ligt in Shaws persoonlijke politieke geschiedenis. Die begint in het Londen van 1881, toen Shaw rond zijn 25ste met Das Kapital in aanraking kwam. De telg van verarmde Ierse landadel was onmiddellijk bekeerd en zocht contact met de marxistische Social Democratic Federation (SDF). Omdat hun — en Marx’ — revolutionaire gedachten over klassenoorlog hem tegenstonden, verruilde Shaw de SDF in 1884 voor de nog jonge Fabian Society, een socialistische club van doorgaans goed opgeleide mensen uit de hogere middenklasse. Hier had Shaw een belangrijke rol in het verwoorden van de revisionistische, gematigde politiek die de fabians bekend zou maken. Samen met Sidney en Beatrice Webb gaf Shaw inhoud aan het idee van de ‘geleidelijke revolutie’, een revolutie die geweldloos zou verlopen en met praktische, rationeel overwogen stappen zou worden uitgevoerd. De Fabian Society stelde zich op als een socialistische denktank die niet streefde naar directe machtsuitoefening. In plaats daarvan zocht zij naar een positie in de Engelse maatschappij die het mogelijk maakte de Engelsman te doordringen van de noodzaak tot hervormingen volgens het fabiaanse model. Uit deze strategische keuze volgde dat de activiteiten van de fabians vooral op woord en tekst gericht waren, op spreekbeurten en traktaten en op het bespelen van invloedrijke personen. Hierbij was voor Shaw als spreek- en schrijfmachine een belangrijke rol weggelegd.


Shaws politieke talent en markante persoonlijkheid vielen op en zijn ster rees snel in de socialistische wereld. Daarnaast kreeg hij voet aan de grond in het Engelse theater en werd hij gewaardeerd om zijn journalistieke bijdragen. Bij dit maatschappelijk succes kwamen echter de twijfels. Shaws scherpe analytische vermogen stond altijd in open contact met zijn ongebreidelde fantasie; zijn principiële realisme onder druk van een idealistisch engagement. De trage politieke praktijk trok een zware wissel op dit engagement, op het enthousiasme voor het in de praktijk brengen van het visioen van een egalitaire maatschappij. Ondanks de energie die gestoken werd in het beïnvloeden van beleidsmakers en publiek was weinig effect merkbaar. De platformspreekbeurten — Shaw moet er in de jaren negentig van de negentiende eeuw meer dan duizend hebben gehouden — gingen tegenstaan omdat het publiek voor het spektakel van Shaws scherpe retoriek kwam opdraven, en niet voor de boodschap. Shaw voelde zich hierdoor vaak niet serieus genomen, een frustratie die zich niet alleen in zijn politieke leven deed gelden. Ook met betrekking tot Shaws toneelcarrière en in de reacties op zijn veelvuldige aanwezigheid in de pers viel op dat hij werd gewaardeerd om de vorm, maar vaak niet om de inhoud. Op zijn best was Shaw te zien als de getalenteerde nar van Engeland — ‘that formidable jester’ in de woorden van Winston Churchill — die het land best een spiegel mocht voorhouden maar daarbij niet te veel in de weg moest staan.



ER ZIJN TWEE soorten mensen aan wie je dit nu net niet kunt vragen: de ijdele en de gedreven soort. Shaw was beide. Hij hield de spreekbeurten vol omdat de aandacht hem vleide en hij bleef loyaal aan het fabiaanse socialisme, ook toen hij in 1906 botste met coming man H.G. Wells en hij na 22 jaar dienst beter samen met de Webbs plaats had kunnen maken voor een nieuwe lichting fabians. Daarnaast nam hij uit plichtsbesef zitting in de Vestry van het Londense St. Pancras, een stadsbestuur voor wat toen een van de armere delen van Londen was. Hoewel de praktische vooruitgang die in St. Pancras werd geboekt hielp om de bittere pil van de politieke praktijk te verzoeten, werden zijn politieke standpunten radicaler en zijn aanvallen op de Engelse burgermoraal onverzoenlijker. Deze verharding kende een voorlopig hoogtepunt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tot aan de oorlog was Shaw met een lawine aan essays, lezingen en ingezonden brieven een intensief deelnemer aan het publieke debat. Hierbij werd hij gewaardeerd om zijn scherpe analyse, zijn heldere stijl en de onweerstaanbare humor die met de maatschappelijke kritiek gepaard ging. In de oorlog probeerde Shaw deze rol als socialistisch maatschappijcriticus vol te houden. Het essay Common Sense about the War was een poging de hysterie van het opgeklopte nationalisme van 1914 te herleiden tot zijn basis. Shaw verklaarde de oorlog als een spel tussen de diverse Europese kapitalistische machthebbers die goed verdienden aan de oorlog en die gevoelens van sociale onrust kanaliseerden door nationalistische sentimenten aan te sturen. Hun militaristische kapitalisme zou zich uiteindelijk tegen hen keren, als de arbeiders gedesillusioneerd uit de loopgraven terug zouden keren en genoegdoening zouden eisen voor hun ontberingen. De strijd die daarop los zou branden was geen strijd als die van de Union Jack tegen de Duitse en Oostenrijk-Hongaarse vlaggen, maar die van de ‘rode vlag van het democratische socialisme tegen de zwarte van het kapitaal’ voor een betere maatschappij.


Hoewel Common Sense in weinig opzichten afweek van Shaws vooroorlogse werk, was de ontvangst ervan totaal anders. De tijdgeest was in 1914 volledig op de hand van het nationalisme en Shaw was in zijn stuk ‘tegen Engeland’. Direct na publicatie stak een storm van protest op, riepen prominente Engelsen Shaw tot de orde of proclameerden ze dat hij voor deze muiterij ‘tegen de muur zou moeten worden gezet’. Bibliotheken haalden demonstratief zijn toneelstukken van de planken en vrienden zeiden in het openbaar hun vriendschap op. Hierdoor raakte Shaw niet alleen sociaal geïsoleerd, maar ook gedesoriënteerd over zijn positie als socialistisch voorman. ‘Ik heb geen vertrouwen meer in mijn ideeën over wat deze generatie te horen zou moeten krijgen’, deelde hij Wells op het dieptepunt van zijn populariteit mee. Het bleek een gevoelige klap, zowel persoonlijk als politiek. Zijn vertrouwen in de parlementaire democratie, dat voor de oorlog toch al wankel was, werd sterk geschaad. Zonder een ‘principieel egalitair fundament’ was democratie een ‘gevaarlijke zinsbegoocheling, gevaarlijker nog dan eerlijk toegegeven oligarchie en autocratie’. En zelfs het gelijkheidsbeginsel, dat altijd het alfa en omega van Shaws socialisme zou zijn, vertoonde scheuren.



IN 1917 WAS Shaws prestige grotendeels hersteld. Zijn humoristische toneelstukken bleken een pleister op de gewonde zielen van teruggekeerde frontsoldaten en zijn vrolijke ‘oorlogsverslaggeving’ — in een serie getiteld Joy Riding at the Front — nam zijn grootste critici weer voor hem in. Van meer belang voor Shaws politieke stellingname waren de ontwikkelingen in Rusland. De Februarirevolutie van Kerenski en de Oktoberrevolutie van de bolsjewieken gaven Shaw zijn vertrouwen in vooruitgang terug. Hier, in het achterlijkste land van Europa, werd aangetoond dat het sociaal experiment kans van slagen had, zolang het maar werd geleid door mensen met ‘stalen zenuwen en een fanatieke overtuiging’. In de jaren na de oorlog werd dit beeld bevestigd toen de Engelse democratie zijn vertrouwde manieren weer aannam en, ondanks deelname van de nieuwe Labourpartij, in hetzelfde trage tempo als altijd veranderingen afhield. In deze omstandigheden bleef van het credo van de fabians — geduldig wachten op het juiste moment om toe te slaan, zoals Fabius deed tegen Hannibal — weinig over. Te lang was vertrouwd op het beïnvloeden van de Engelse bevolking en op het geleidelijk veranderen van de Engelse maatschappij. Maar hoe lang moest gewacht worden voordat een bevolking die ‘een beetje weet heeft van voetbal en nog minder van politiek’, zich dusdanig bewust was van de noodzaak van verandering om er massaal om te vragen? En hoeveel langer zou het dan duren voordat een parlement was gevonden dat werkelijk naar de wensen van het publiek handelde? Vragen die Shaw begerig naar Rusland deden kijken, waar radicale verbetering van de maatschappij wel mogelijk leek en waar Lenin waarderend sprak over kameraad Shaw, die ‘in echt revolutionaire omstandigheden door niemand voor clown versleten zou worden’.


De crisis van de democratieën in het interbellum versterkte Shaws voorkeur voor het Russische experiment. Zijn steun aan het ‘staatscorporatisme onder sterke leiding’ dat Shaw daar tot ontwikkeling dacht te zien komen, maakte hem tot een model fellow traveller. Stalin kreeg zijn vertrouwen; diens ‘realistische politiek’ van nationaal socialisme — het ‘socialisme in één land’ — toonde de vaardige hand van een dynamische leidersfiguur die in de westerse democratieën duidelijk ontbrak. Mussolini kreeg dezelfde waardering. Ook hij was in Shaws ogen begonnen zijn land op energieke wijze om te vormen tot een eenheid, met het corporatisme als middel. ‘Wat hij (Mussolini — at) wil, is de industrie in handen van corporaties brengen, om daarna een Raad van Corporaties te vormen die het parlement kan vervangen’, vertelde hij de fabians. Dit gaf voor Shaw blijk van het feit dat Mussolini zijn socialistische achtergrond nooit was vergeten en dat het in staatseigendom brengen van bedrijven een stap op weg was naar het socialisme. Dat de staatsmacht hierbij steeds vergroot werd, was een voorspelbare bijkomstigheid; hoe meer burgers samenwerkten om de natie te versterken, des te meer ‘staat’ er nodig was dit proces te sturen. ‘De totalitaire staat’ was voor Shaw dan ook geen verwerpelijk begrip, maar eerder een tautologie.


Rond 1930 kon voor Shaw het ‘eindpunt’ van de fascistische staatsontwikkeling enkel het communisme zijn. Voor hem was het dus ook logisch ‘als communist’ het fascisme te steunen: ‘In onze (westerse — at) parlementaire pretenties vinden communisten, fascisten en nazi’s een gemeenschappelijk doel.’ Hierbij was hij zeker niet blind voor de donkere kanten van het fascisme. Elk militant wapengekletter keurde hij af, net als de ‘belachelijke stijl en toon’ van de Italiaanse en Duitse dictators.


Met antisemitisme en rassenwaan had hij even weinig geduld. Als er bijvoorbeeld al sprake was van degeneratie van de Engelse bevolking, zoals sommige Engelse eugenisten beweerden, lag dat volgens Shaw eerder aan de ‘opmars van de korte ronde schedel’ van de Engelse groenteman dan aan de toename van het aantal joden en Ieren in het koninkrijk. Het is voornamelijk om dit antiracisme dat Shaw zich in de vroege jaren dertig veel minder tot Hitlers nationaal-socialisme voelde aangetrokken dan tot Mussolini’s fascisme. Oswald Mosley, de leider van de Engelse fascisten, lag er om dezelfde reden snel uit. Na een intern conflict binnen de Labourpartij was Mosley in 1931 een eigen club begonnen, de New Party, die anderhalf jaar later de British Union of Fascists ging heten. Zolang Mosley de veelbelovende socialist bleef spelen, had hij de steun van de fabians, maar zo gauw hij de kaart van het antisemitisme speelde was dat over.


In de tweede helft van de jaren dertig liet Shaw zijn positieve beeld van het fascisme varen. Steeds duidelijker bleek fascisme neer te komen op een ‘socialisme voor de rijken’, omdat de greep van de staat op de economie zonder legalistische controle enkel de machtigen diende. Ook zijn steun aan de rechtse dictators viel daarmee weg. In 1936 vertelde hij de New York Times dat Mussolini hem nu voorkwam als een oldtimer: ‘Een prachtig ding om naar te kijken — de explosies zijn sensationeel — maar hij brengt je nooit waar je moet zijn.’ Hetzelfde gold voor Shaw in de laatste jaren voor de oorlog. Onvermoeibaar bleef hij zijn politieke meningen debiteren, al staken die flets af tegen de meningen die hij in de bloeitijd van de Fabian Society wist te formuleren. Zijn afkeer van geweld won het van zijn afkeer van appeasement en een gebrek aan inzicht deed hem tot het laatste moment volhouden dat er geen oorlog zou komen.


Shaw was 94 jaar oud, met bijna zeventig jaar veelvormige politieke meningsvorming op zijn conduitestaat, toen hij in 1950 overleed.