Land van bolletjeskoeriers

De narconomie van Curaçao

De pogingen om de Antilliaanse begroting in balans te brengen, hebben vooral de onderkant van de Curaçaose samenleving hard getroffen. Lager geschoolden zoeken hun heil steeds meer in de drugshandel. «Op Curaçao zijn weinig mogelijkheden om iets te verdienen, dus als iemand vijfduizend gulden biedt voor een reis op en neer naar Nederland is de beslissing snel genomen.»

In Nederland is de laatste weken een golf van verontwaardiging ontstaan over het feit dat de Nederlandse en de Antilliaanse justitie de stroom drugskoeriers uit Curaçao niet meer aankunnen. Maar liefst een derde van de Nederlanders zegt minder vertrouwen in de rechtsstaat te hebben naar aanleiding van het heenzenden van drugskoeriers, zo bleek uit een opiniepeiling. Minister van Justitie Benk Korthals overleefde ternauwernood het debat in de Tweede Kamer over de kwestie. Deze week overleed er een Nederlandse bolletjesslikker aan boord van een ALM-vlucht op weg naar Schiphol. De KLM heeft de afgelopen maand al twee keer een noodgedwongen tussenstop in Puerto Rico moeten maken om zich van het stoffelijk overschot van een dode bolletjesslikker te ontdoen.

Op Curaçao, het eiland waar zo goed als alle drugskoeriers inschepen voor de vliegreis naar Schiphol, moet men lachen om alle ophef in Nederland. Zowel de ambtenarenvakbond als de bond voor douanepersoneel op Curaçao heeft Korthals in 1999 al duidelijk gemaakt dat de doorvoer van cocaïne via de Curaçaose luchthaven Hato naar Nederland onbeheersbaar werd.

«De Nederlanders denken dat ze een nieuw probleem ontdekt hebben, terwijl wij al jaren in een slechte B-film leven. Pas nu de Nederlandse justitie beseft dat ze dezelfde problemen hebben als wij staat Nederland op zijn kop», zegt misdaadverslaggever Norman Serphos aan een tafeltje van een lokale broodjeszaak.

Op Curaçao lacht men niet van harte. De Nederlandse verontwaardiging over het falen van het rechtssysteem wordt hier gespiegeld door de verontwaardiging over het menselijk drama achter de drugsindustrie, die de Curaçaose gemeenschap nu al jaren in zijn greep heeft. Ook het hoofd van de douanerecherche, Marcel Maria, kan een zucht niet onderdrukken als hij de zoveelste bolletjesslikker aanhoudt op de Curaçaose luchthaven Hato.

«Deze jongen had mijn neefje of mijn buurjongen kunnen zijn. Het is onze jeugd die eraan onderdoor gaat. Op Curaçao is geen geld en weinig mogelijkheid iets te verdienen, dus als iemand ze vijfduizend gulden biedt voor een reis op en neer naar Nederland is de beslissing snel genomen», vertelt Maria terwijl hij de drugskoerier naar het politiebusje begeleidt.

Maria weet waarover hij praat. De regering-Pourier heeft in de jaren negentig vooral veel aandacht besteed aan het monetaire beleid. Het economische en met name het sociale beleid bleef hangen in de zijlijn. Het Eilandgebied Curaçao halveerde in de afgelopen tien jaar het budget voor cultuur en recreatie. Werd er in 1992 nog een kleine dertig miljoen Antilliaanse gulden — twintig miljoen euro — uitgegeven, dit jaar is daar zeventien miljoen gulden — elf miljoen euro — van over. «De menselijke infrastructuur is zwaar verwaarloosd. Er is geen kader om dit op te vangen. Drugsdealers springen in het gat dat is gevallen, door jongeren met zakgeld en feestjes aan zich te binden», zegt Etienne Siliee. Hij werkt als beleidsmedewerker kwaliteitszorg bij de stichting voor Sport en Recreatie, die in een groot geel landhuis is gehuisvest.

De pogingen om — onder het wakend oog van de Nederlandse regering en de door haar aangewezen scheidsrechter het Internationaal Monetair Fonds — de Antilliaanse begroting in balans te brengen, hebben vooral de onderkant van de Curaçaose samenleving hard getroffen. Waar de middenklasse vertrok naar goedbetaalde banen in Nederland en de Curaçaose elite zijn kapitaal veiligstelde op bankrekeningen in Zwitserland en Miami, begonnen lager geschoolden hun heil steeds meer in de drugshandel te zoeken. In Nederlandse wijken als Hoogvliet, Oud-Krispijn en de Bijlmermeer, maar ook op Curaçao zelf.

Dat was ook niet moeilijk. Curaçao ligt midden op de route van cocaïne producerende landen als Colombia naar de afzetmarkten in Europa en de Verenigde Staten. Volgens de Nederlands-Antilliaanse kustwacht op Curaçao gaat er jaarlijks zo’n 800.000 kilo cocaïne via het Caribische Gebied naar Europa en Amerika.

Curaçao kreeg al in de jaren zestig met de eerste verschijnselen van deze stroom te maken. Tijdens het wekelijkse happy hour bij het koloniaal aandoende Avila Beach Hotel worden nog steeds sappige verhalen verteld over hoe mensen in die tijd met koffers vol cocaïne op Hato aankwamen. En konden doorlopen. De douane had nog geen idee van de drugshandel.

Zoniet de vissers in het dorp Boca Sami. Het vissersdorp, dat al jaren bekendstaat als doorvoerhaven van contrabande, knoopte al vroeg banden aan met Colombiaanse drugs bazen. Niet voor niets heet het lokale voetbalteam Jong Colombia. Het zou echter nog jaren duren voor de autoriteiten begrepen wat er aan de hand was.

Dat inzicht begon te komen in de jaren tachtig. Het ging Curaçao in die jaren voor de wind. De offshore-sector genereerde toen zo’n vierhonderd miljoen Antilliaanse guldens — ruim 260 miljoen euro — per jaar. De overheid gaf dat geld met bakken weer uit. Het uitgavenpatroon lag ver boven het budget en de geldstromen waren niet altijd even makkelijk traceerbaar in het offshore-paradijs. Het goede leven kon niet op en daar hoorde voor de lokale elite op zijn tijd ook een snuifje coke bij.

Volgens demissionair premier Miguel Pourier is de normvervaging in die jaren begonnen: «Er is toen een gebrek aan opvoeding ontstaan. Iedereen leefde er maar op los, er was geld zat. Daar plukken we nu de wrange vruchten van.» Anderen zien de bron van de problemen in de uit de hand gelopen arbeidersstaking annex revolutie van 30 mei 1969, toen de Curaçaose bevolking haar eigen stad platbrandde. «Daarna zijn we zwart gaan regeren. En die emancipatie is totaal mislukt», meent professioneel dwarsligger Errol Caprino, presentator en producent van het enige kritische programma op de Curaçaose tv, Binnenste buiten.

Hoe het ook zij, eind jaren tachtig begonnen de eerste drugsverslaafden de straten van Willemstad te bevolken. De zogeheten «chollers» waren voornamelijk in de ban van crack. Maar de lokale markt was al snel niet meer interessant. Doordat de Midden-Amerikaanse route gedeeltelijk werd dichtgegooid, de Russische en Oost-Europese markten lucratief werden en de Colombiaanse kartels openbarstten, werd Curaçao de speelbal van de drugsbazen, die lang als de paria’s van het eiland werden beschouwd.

«Zo’n zeven, acht jaar geleden waren de dealers nog uitschot. Mannen met grote zonnebrillen in landrovers, waar je niets mee te maken wilde hebben. Dat veranderde vier tot vijf jaar geleden. Toen zag je opeens allemaal jonge ventjes in witte Tercels rondrijden. Dat waren nog niet van die dure auto’s, maar wel Toyota’s. Nu is de aanwas zo groot, iedereen doet het», zegt Leslie Roosberg, general manager van de stichting voor verslavingszorg FMA, in zijn gekoelde kantoor in de met Amerikaanse strip malls gevulde wijk Salinja.

Volgens Roosberg is Curaçao meegesleurd in een maalstroom. Inmiddels draait tussen de 25 en de 40 procent van de Curaçaose economie op narco-dollars. De socioloog Roosberg maakt zich ernstige zorgen over Curaçao. Daarin staat hij niet alleen. Ook rechter Bob Wit ziet de gevolgen van de drugsindustrie voor de Curaçaose gemeenschap dagelijks met pijnlijke duidelijkheid aan zich voorbijtrekken. «Drugsdealers zijn role models geworden», meldt Wit telefonisch. Hij ziet geen heil in het bouwen van extra cellen voor drugskoeriers. «Hoe meer we er opsluiten, hoe meer er blijven komen. Deze mensen worden door hun bazen opgeofferd. Als een soort natuurlijke doodstraf, het openscheuren van een bolita in de maag, ze niet afschrikt, waarom zou een gevangenisstraf dan wel beangstigend zijn?»

Daarmee slaat Wit de spijker op zijn kop. Want hoe wanhopig moet iemand zijn om zich vol te stoppen met mogelijk dodelijke cocaïnebolletjes voor een bedrag van tienduizend gulden? Het antwoord is paradoxaal.

Drugshandel op Curaçao is inderdaad een enorme industrie geworden. Het zijn allang niet meer exclusief Curaçaoënaars die zich laten overhalen als drugskoerier te fungeren. Ook Brazilianen, Nigerianen, Russen, Polen en andere Oost-Europeanen laten zich invliegen om bolletjes te slikken. Maar ondanks die enorme industrie die er omheen hangt, lijkt het voor de bolletjesslikkers zelf helemaal niet zo’n big deal. «Iedereen doet het. En als je met minder dan een kilo gaat, gebeurt er niets. Als je dan met dat geld en mooie spullen terugkomt uit Nederland, dan kun je dat wel laten zien in de buurt», pocht een jongen in een salsabar op het Curaçaose platteland, Band’Abou.

Op Curaçao is de drugscultuur de schaamte voorbij. De Nederlandse criminoloog Frank Bovenkerk schreef al eerder dat het smokkelen van drugs in de Antilliaanse gemeenschap niet als crimineel gedrag wordt gezien. Op Curaçao zelf blijkt dit vooral uit de talkshows op de ontelbare lokale radiostations. Openlijk wordt gerefereerd aan en reclame gemaakt voor bepaalde drugsdealers, met de boodschap «dat we zo nog wel even bij je langskomen om de spullen te halen». Op een ander radiostation krijgt een gedetineerde in de Koraal Specht-gevangenis ruim baan om per telefoon zijn beklag te doen over een gebroken pingpongtafel.

Een hoogtepunt in deze Tupac Shakur-achtige cultus was de begrafenis van drugsdealer Deivenier Tutu Apostel op Curaçao in oktober van dit jaar. Apostel, een grote jongen in het circuit, werd geliquideerd, vermoedelijk door een Colombiaanse bende. Toch was de begrafenis verre van treurig. Bendes betuigden opzichtig de laatste eer. Er werd in de lucht geschoten, terwijl de populairste band van het eiland op een podium naast de kerk een wervelende show ten beste gaf. Mannen op motoren deden wheelies en met snelle auto’s werden cirkelvormige sporen op het asfalt getrokken, het zogenaamde «fever». De politie stond erbij en keek ernaar.

Maar de verheerlijking van het illegale circuit gaat verder dan de drugscultuur. Op 18 januari won de omstreden arbeiderspartij Frente Obrero I Liberashon 30 di mei (FOL) de Antilliaanse verkiezingen met overmacht. Dat was geen toeval. Sinds de partij in juni vorig jaar uit de regering werd gezet — wegens het onbeschofte gedrag van partijleider Anthony Godett en verdenking van corruptie van FOL-politici bij overheids-NV’s — voerde de oranje arbeiderspartij een campagne die zijn weerga niet kende.

Tegenstanders constateerden zuur dat FOL meer uitgaf dan alle andere partijen bij elkaar. Het campagnebudget van Frente werd geschat op een half miljoen Antilliaanse gulden, ruim 330.000 euro. Over de herkomst van dat geld wordt druk gespeculeerd.

Feit is dat het brein achter Frente Obrero, de zakenman Nelson Monte, twee jaar geleden werd veroordeeld voor het sjoemelen met de LGO-regeling. Onder die regeling mogen de Antillen rijst en suiker uitvoeren naar de Europese Unie. Daar werd gretig gebruik van gemaakt. Tot bleek dat de rijst uit Brazilië kwam en op Curaçao alleen maar werd herverpakt. Monte werd veroordeeld tot twaalf maanden onvoorwaardelijk, maar wist er in hoger beroep met een taakstraf af te komen.

Het beeld van een breeduit lachende Monte die als vrij man van de trap van de rechtbank loopt staat veel mensen op het netvlies gegrift. Voor de arme en laag opgeleide Curaçaoënaar is dat een beeld van zelfredzaamheid.

«De afgelopen jaren heeft het volk aan de onderkant geen leiders gezien waar ze zich aan konden optrekken. Er zijn te veel gevallen geweest waar gegraaid werd zonder gestraft te worden. Als je niet te eten hebt, dan denk je op een bepaald moment: dat kan ik ook. Als je dat jarenlang volhoudt, dan wordt dat een way of life», zegt Errol Caprino.

Intussen is het Openbaar Ministerie een onderzoek begonnen naar corruptie van andere Frente-leden. Maar dat kon de arme Curaçaoënaars niet deren. Zij stemden op 18 januari massaal op de omstreden arbeiderspartij. Het beeld dat Frente presenteert, is er een van zelf je zaakjes opknappen — los van de Nederlandse waarden en normen als deugdelijk bestuur en transparantie. Nederland is ondanks alle bezuinigingen van de afgelopen jaren niet, zoals was afgesproken, over de brug gekomen met extra financiële hulp voor de Antillen. De lager geschoolde Curaçaoënaar heeft daaruit de conclusie getrokken dat als het niet lukt op de Nederlandse manier, er een eigen oplossing gezocht moet worden.

«De verkiezingsuitslag laat zien dat de gemarginaliseerde Curaçaoënaar zich niet aan het lijntje laat houden. Van een flankerend, sociaal beleid is de afgelopen jaren met alle bezuinigingen niets terechtgekomen. Als Frente dan, hoe populistisch ook, belooft zich wél voor de onderklasse in te zetten, dan gaan mensen daarvoor. Het resultaat is geïnstitutionaliseerde corruptie», zegt auteur en consultant Norbert George. Ik tref George op het terras van het lokale Sheraton-hotel. Volgens hem gaat het in rap tempo bergafwaarts met Curaçao, wat hij mede afleidt uit het feit dat we door niet-Curaçaose werknemers worden bediend.

Waar de lokale elite vasthoudt aan het idee dat de Curaçaose economie het dieptepunt bereikt heeft, is George daar niet zo zeker van. Daarnaast heeft hij weinig vertrouwen in Nederland. «Wie zegt dat het hier geen Haïti of Colombia kan worden? Iedereen gaat er maar vanuit dat Nederland de devaluatie van de Antilliaanse gulden zal tegenhouden. Maar hoe kun je daar zo zeker van zijn? Kijk wat er in Suriname gebeurd is.»

Caprino gaat nog een stap verder. «Is Nederland niet medeschuldig aan de huidige situatie? Men wist ten tijde van De Koning (Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 1977-1981 — ms) dat het geld niet terechtkwam waar het zijn moest. Toch bleef men geld pompen. Als je dat jarenlang toestaat, moet je nu niet schijnheilig gaan doen als de boel in elkaar stort.»

In hun boek De waarheid van Curaçao halen Valdemar Marcha en Paul Verweel de antropoloog Levi-Strauss aan. Hij maakte onderscheid tussen westerse en niet-westerse bestuursstijlen. De westerse benadering gaat uit van geloof in een groter plan, van het kunnen beheersen van materie. De niet-westerse bestuursvorm noemt Levi-Strauss de bricoleursstijl. Deze gaat uit van creativiteit, spontaniteit en het met toevallig aanwezig materiaal zorgen dat iets werkt. De Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen typeerde dit al eerder als «geniale anarchie».

«Curaçao (gaat) al sinds de aankomst van Johan van Walbeeck in 1634 naar de bliksem. De situatie vraagt niet om een moderne maakbaarheidstijl van Europese snit. Er valt immers niets te maken. Het land gaat toch naar de bliksem. Daar helpt geen ingenieursstijl aan. Je kan alleen met een bricoleursstijl de boel nog tijdelijk bijeen houden», schrijven Marcha en Verweel.

George en Caprino zijn het erover eens dat, gezien de recente verkiezingsuitslag, Curaçao steeds meer richting Zuid-Amerika begint te drijven. De gemarginaliseerde Curaçaoënaar heeft gesproken en kiest, zowel op hoog als laag niveau, voor de zelfredzaamheid van de bricoleursstijl. Of dat erg is valt nog te bezien. Maar het is zeker een ontwikkeling waar ook Nederland debet aan is.