Profiel: Gerrit Komrij

De Narrenkoning

Gerrit Jan Komrij kwam ter wereld op 30 maart 1944, exact op hetzelfde uur en op dezelfde dag van dezelfde maand als honderd jaar eerder Paul Verlaine, een omstandigheid die hij getuige zijn autobiografische roman Verwoest Arcadië (1980) niet geheel voor toevallig hield. Zou er inderdaad sprake kunnen zijn geweest van een postume literaire zielsverhuizing van Parijs naar Winterswijk, zoals Komrij suggereert?

Met Verlaine deelt Komrij in elk geval de muzikale gratie van de pen, het vermogen om taal te laten dansen, als ook het door melancholische droefheid voortgestuwde universum en de voorkeur voor donkere knapen. Maar de verschillen liegen er ook niet om: Komrij heeft bijvoorbeeld een aanzienlijk beter management dan de Franse poète maudit, die reeds op zijn veertigste aan de bedelstaf was en zijn dagen halfblind van de absint uitzat in het Parijse nachtleven.

Gerrit Komrij daarentegen is het schoolvoorbeeld van de succesvolle literaire ondernemer. Met de gietijzeren discipline van de literaire monnik heeft hij zich opgewerkt tot de welhaast pauselijke status van Dichter des Vaderlands, een eretitel waarvoor hij verleden jaar als eerste dichter in de Nederlandse geschiedenis werd uitverkoren na een door de NPS, de VPRO en de NRC gehouden verkiezing (overigens met precies hetzelfde aantal stemmen als Rutger Kopland, die voor de eer bedankte).

Komrij is precies het tegenovergestelde van Verlaine overkomen: in plaats van verguisd en verdoemd werd hij het mikpunt van een nimmer aflatende stroom eerbewijzen: de literaire prijzen en eredoctoraten vliegen hem, de gewezen paria uit de Kinkerbuurt, dagelijks om de oren. Komrij slaagde met vlag en wimpel waar Oscar Wilde, zijn andere grote literaire voorbeeld, wegens frictie met het establishment moest afhaken: hij werd een echte literaire vorst en is sindsdien bezig aan een permanente zegetocht, strooiend met bon mots en aforismen zoals de Osmaanse sultans met parels en juwelen plachten te smijten. Dichters die niet in een van zijn kloeke bloemlezingen worden opgenomen storten zich van de brug, terwijl meer fortuinlijke collega’s die wél de opperste gratie hebben mogen ontvangen juist opbloeien als rozen in de lentezon. Gerrit Komrij is met andere woorden literaire royalty geworden. De nar werd koning. Hij onderhoudt zich dan ook op gelijke voet met koningin Beatrix, voor wie hij als Dichter des Vaderlands inmiddels een troostende hymne heeft gecomponeerd: «Ze zorgt ervoor dat Nederland bestaat./ Ze maakt het buitenland tot buitenland,/ De presidenten temmend — en kordaat/ Blust ze soms een geheime binnenbrand».

Waar het allemaal nog toe leiden mag: God mag het weten. Over zijn tomeloze ambitie heeft Komrij nooit geheimzinnig gedaan: «Ik wil in mijn leven eigenlijk zo veel doen dat buiten mij de hele Nederlandse literatuur kan worden afgeschaft en dat er — als ze dat gedaan hebben — toch nog een complete Nederlandse literatuur overblijft», zo sprak hij in een interview in 1980.

Over zijn gouden jeugd in Winterswijk heeft Komrij roerende bladzijden geschreven. Het begin was niettemin diep ongelukkig. Komrij kwam ter wereld in een kippenhok, waar zijn ouders tijdens een luchtaanval een goed heenkomen in hadden gezocht. Hij werd geboren met een bochel. «Het eerste halve jaar van zijn leven had hij in een ziekenhuis gelegen», schreef hij in de nadrukkelijk als autobiografie gepresenteerde roman Verwoest Arcadië. «Moeizaam hadden ze hem daar gladgestreken. ’t Lukte. Hij wilde leven blijkbaar.» En: «De ziekenhuismannen hadden hem na de operatie op een plank vastgebonden, en hij kon alleen zijn hoofd en zijn handen bewegen. Zo ontwikkelde hij al vroeg een groot gevoel voor maat en ritme. Toen hij anderhalf was, was hij de kunst van het scanderen meester. Door te neuriën en te zingen gaf hij van zijn aanwezigheid blijk. Hij neuriede dwangmatig. Hij tikte met zijn handen. Hij rolde met zijn hoofd. De muziek was er. De maat was er. Later kwamen de woorden vanzelf.»

Komrij omschrijft zijn ouderlijk huis als «een sympathiek arbeidersgezin». Zijn dagen waren gevuld met onuitsprekelijk geluk. Stil geluk vooral, het geluk van de splendid isolation. «Als kind leefden voor mij, ik was me daar altijd sterk van bewust, de dingen veel intenser dan de mensen. Alleen voor de dingen had ik eigenlijk aandacht, alleen de dingen hadden een hartslag. Met dingen kon ik een gesprek voeren en ik was uren in de weer met het arrangeren van objecten om ze daarna tegen elkaar uit te spelen», schreef hij in De paleizen van het geheugen (1983). De misantropie die hem later zo vaak verweten zou worden, ging er bij Komrij blijkbaar met de paplepel reeds in. In Verwoest Arcadië: «Dingen waren zijn vrienden. Woorden waren zijn vrienden. Maar mensen? Verkalkt zaten ze achter hun vensterramen en broedden daar nietwaardige plannen uit. Op verjaardagen schepten ze vruchtenbowl uit een grote schaal of dronken aalbessen op alcohol, en hun verhalen gingen over niemendal.»

De literator in hem werd al vroeg geboren. Naar eigen zeggen was hij van het allerprilste moment overtuigd van zijn komende heldenrol. «Vanaf mijn allereerste gedicht heb ik geweten dat ik nog eens een groot dichter zou worden, dus heb ik mij sinds ik dat schreef gedragen alsof mijn hele oeuvre al geschreven was. Maar die stomme hufters wisten dat toen nog niet!»

Ook de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid verliep via een vastberaden schema. «De eerste en enige schok die ik me uit mijn jeugd herinner was de schok op het moment dat ik erachter kwam dat er mensen bestonden die niet homoseksueel waren», schreef Komrij in Intimi teiten (1993). «Eerst ontdekte ik er één van het soort, en al snel meer. En nog meer. Goeie god, de wereld leek wel vergeven van zulke vreemde wezens. Hoe was het mogelijk dat ze deden wat ze beweerden te doen!»

Komrijs liefde gaat in de allereerste plaats uit naar boeken. Het is een amour fou. Hij is al snel bibliomaan. Als meesterdief trekt hij een vernietigend spoor langs boekhandels en antiquariaten. Vooral het werk van Goethe maakt een bovenmenselijke hebzucht in hem wakker, totdat hij op zekere dag geen letter meer van de titaan uit Weimar kan verdragen en de duizenden titels in een klap verkoopt.

In 1963, negentien jaar oud, vertrekt Komrij naar Amsterdam om te gaan studeren, eerst neerlandistiek en later algemene en vergelijkende West-Europese literatuurwetenschap.

Teneinde ontsporing in de zondige hoofdstad te voorkomen, wordt hij door zijn ouders samen met een schoolvriend, een zoon van een dominee, op kamers geplaatst in het AMVJ-hotel, het Nederlandse equivalent van de YMCA. Een jaar later ontmoet hij in een koffiekelder aan het Frederiks plein Charles Hofman, die zijn levensgezel werd en dat tot op de dag van vandaag zou blijven. Komrij levert enkele bijdragen aan Propria Cures. Zijn boekenliefde begint serieuze proporties aan te nemen met reeds veertienduizend titels. Weer een jaar later houdt Komrij zijn studie voor gezien. «De studie was wel iets voor mij, maar ik niets voor de studie.»

Om «een aantal wraakacties» (welke bleef onduidelijk, wellicht uit de hoek van de ambulante boekhandel?) te voorkomen, neemt hij de wijk naar Kreta, met het voornemen zich daar voorgoed te vestigen. In Hotel Kentrikon in Iraklon werkt hij als tolk. Later wordt hij privé-leraar.

Daarnaast maakt hij voor uitgeverij De Arbeiderspers vertalingen, bijvoorbeeld van de schandaalkroniek Pausin Johanna, geschreven door de Griek Emmanuel Rhoïdis. Uitgever Theo Sontrop ontdekt dat zijn protégé soms woorden of hele zinnen onvertaald laat. Komrij, zo ontdekt de uitgever, is zo arm dat hij geen woordenboeken kan kopen. Dat wordt met een postzending naar Kreta rechtgetrokken.

Echt geweldig naar zijn zin heeft Komrij het niet tussen de Grieken. Een Lord Byron zou hij niet worden. In 1966 keert hij terug naar Nederland. «Ik heb van Griekenland (van het kolonels regiem) zo genoeg dat ik geen woord Grieks wil spreken. Alleen nog vertalen. De Griek is een apathisch, egoïstisch figuur. Hij is lijdzaam en verdraagt alles en iedereen die boven hem staat. Daarom kon dat regiem zich daar makkelijk vestigen. Voor de toeristen is er een façade opgetrokken. Maar je moet er dan ook bepaald niet langer dan een paar weken verblijven. Ik reis trouwens niet meer. Het vermoeit zo, je wordt er ziek van» (interview met De Gelderlander, 10 april 1977).

In 1968 debuteert Komrij als dichter met de bundel Maagdenburgse halve bollen. Twee jaar later krijgt hij de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor zijn bundel Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker.

De media ontdekken de excentrieke literator in zijn bovenwoning aan de Jacob van Lennepkade al snel. Tegenover Lidy van Marissing, die hem in februari 1969 voor de Volkskrant interviewt, beklaagt het jonge genie zich over het onvermogen van de Nederlandse literatuurkritiek. «Critici van formaat ontbreken in ieder geval. Iemand heeft twee bundels geschreven, heeft genoeg van vertalen en mag kritieken schrijven voor de krant. Ik zie mezelf dat lot boven het hoofd hangen, ware het niet dat ik voor mijzelf wat anders uitgestippeld heb.» Om daaraan toe te voegen: «Ik ben overigens corrupt genoeg om volgend jaar vergeten te zijn wat ik dit jaar heb gezegd.»

Dat blijkt al snel wanneer Komrij in 1972 met instant succes een nieuw leven begint als literair criticus bij Vrij Nederland. Hier klinkt een nieuw geluid in de zo treurige literatuurkritiek. Sinds Lodewijk van Deyssel was er niet meer zo hardhandig met auteurs omgegaan. «In Rusland word je als schrijver in kampen gestopt», klaagt Arie B. Hiddema in 1974 in de NRC. «In Nederland is het veel erger, daar word je besproken door een tweedehands droplul als Gerrit Komrij.»

A star is born. «Alles wat mijn handen aanraken wordt in goud veranderd», aldus de literator in 1974 tegenover Max van Rooy in de Haagsche Post. De interviewer treft overigens een treurig voorbeeld aan van een door en door verliteratuurd mens en zijn omschrijving moet dienen als afschrikwekkende waarschuwing aan het adres van iedere jongeman die een greep naar de dichters lier overweegt: «Zijn gelaat doet een gesteldheid vermoeden welke met doodziek nog te eufemistisch is omschreven; de ongecontroleerde snifjes, oprispinkjes en keelgeluidjes zouden hem in de rol van gepensioneerd archivaris goed van pas komen. Zoals Gerrit Komrij er bij zit, lijkt hij niet jong, toch is hij pas dertig.»

«De echte, goeie criticus (ik denk daarbij dus vooral aan mijzelf) is een zure, slecht in het pak zittende tobber, die door tijdgenoot en nageslacht gelijkelijk verguisd wordt», zo definieert Komrij zijn nieuwe status. Qua verguizing zit hij in ieder geval meteen goed. Komrij maakt zich met grote vasthoudendheid in recordtempo bijzonder ongeliefd bij zijn collega-literatoren. Publicisten die het wagen hem aan te vallen, kunnen rekenen op een onderdompeling in hoon en verachting. Wanneer criticus Ad den Besten van het blad De Wending waagt te twijfelen aan het goddelijke gehalte van Komrijs Maagdenburgse halve bollen komt hem dat op de volgende poëtische reprimande te staan:

«Oh Den Besten; Poelhekke zonder benul,

Brenger van Esso’s Dichteromnibus

Prulcollectioneur en grote lul

Met poëzieballen vol windroospus!»

Vanzelfsprekend leidt deze literaire guerrilla in naam van de Opperste Schoonheid tot een contraoffensief. «Hofnars worden nooit serieus genomen», verklaart Adriaan Venema nadat diens boek over Ludwig II, Een sterfgeval in Duitsland, door Komrij is omschreven als «een collage gemaakt van in de steek gelaten opzetjes, uittreksels van boeken, aftreksels van die uittreksels, en artikelen uit de Winkler Prins en de KRO-gids, aangevuld met eigen opwellingen, alles bij toeval gegroepeerd om een historisch figuur, van wie hij niets begrijpt».

Of Komrij wat men noemt «een integer criticus» is, wat natuurlijk op zich al een contradictio in terminis heten mag, wordt fundamenteel betwijfeld. Het probleem is dat hij er zelf al helemaal geen geheim van maakt dat zijn gramschap, zoals al zijn opvattingen, eigenlijk nogal willekeurig tot stand pleegt te komen. «Ik trek een mening aan zoals een vrouw een avondjapon aantrekt», verklaart hij. «Ik trek een mening aan die bij mijn stemming past.»

Toch ontwaart collega-literator Hans Warren achter al deze façades een serieuze literator. «Komrij is een haast morbide romanticus, zo zeer aangedaan door leven en lot en wereld dat piasserij een noodzakelijkheid werd, een vorm van zelfbehoud. Ook deze niets ontziende spot en deze drift tot zelfvernietiging zijn immers inherent aan de echt romantische levensinstelling.» Maar ja, Warren is al sinds 1969 met Komrij bevriend, hetgeen Komrij later dan ook in Warrens Geheim dagboek zal doen belanden, zeer tot diens ontstemming.

Ook is Komrij niet bepaald gelukkig met de wijze waarop Gerard Reve hem als Albert S. een plaatsje toebedacht in Lieve jongens, met spottende bewoordingen die volgens Komrij vooral waren ingegeven door Reves mislukte avances richting Komrijs levenspartner.

Dat het bij Komrij ook bloedige ernst kan zijn, blijkt als hij in 1974 de strijd aanbindt met de Scientology Church. In Propria Cures klaagt hij onder de titel Nederland loopt gevaar! de sekte van Ron Hubbard («een beweging waarbij vergeleken de Jehova’s Getuigen van de heer Knorr een zachtaardig stelletje bloedzuigers zijn») aan met een felheid die alle ironie ver achter zich laat. In het artikel stelt Komrij Scientology mede verantwoordelijk voor de dood van de journalist Johan Phaff, die in opdracht van het ministerie van Justitie, het ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en het ministerie van Binnenlandse Zaken bezig was over deze beweging een rapport op te stellen. Komrij: «Phaff was zo geschrokken van de walm die opsteeg dat hij de bevindingen van zijn getergde reukorgaan had meegedeeld in enkele artikelen in Vrij Nederland. Naar aanleiding daarvan werd hem gevraagd ’n nader onderzoek te verrichten. Had hij dit nu maar niet gedaan…» Komrijs kruistocht tegen Scientology leidt in 1979 tot het schotschrift De stankbel van de Nieuwezijds: Contra Scientology.

De aangeklaagde partij is not amused: «Komrijs gedrag maakt de waardigheid van de Nederlandse journalistiek compleet te schande en schaadt deze bovendien. Hij doet denken aan Goebbels, de minister van propaganda van de nazi’s.»

Er zouden wel meer momenten komen dat Komrij zijn narrenkap zou afgooien en met schijnbaar heilige ernst de literaire arena betrad. Als in de nieuwlinkse vleugel rondom het kabinet-Den Uyl plannen worden uitgebroed de kunsten in te zetten als sociaal-democratisch instrument tot verheffing van het volk, laat de in een rood gezin opgegroeide publicist daar een bijna mystiek beginselprogramma van l’art pour l’art op los. Collega-literatoren beschouwen hem als een ultraconservatief. De Zuid-Afrikaanse schrijver Abraham Leroux beschuldigt Komrij er zelfs van een paladijn van het «technocratische kapitalisme» te zijn.

Helemaal los gaat het in 1989, als Komrij als reactie op de fatwa van ayatollah Khomeiny jegens Salman Rushdie fel van leer trekt. «Als er een ding duidelijk wordt, nu duizenden mohammedanen schreeuwend en tierend de straat op gaan, dan is dat wel het volkomen echec van het multiraciaal, multicultureel beleid dat ons door de politiek altijd werd aangeprezen», schrijft hij in een felle boutade tegen wat later de «islamisering van Nederland» is gaan heten. Bij NRC Handelsblad is niet iedereen erg gelukkig met deze pennenvruchten. NRC Handelsblad-redacteur K.L. Poll («de sokophouder van de Nederlandse literatuur», aldus Komrij) vindt dat de columnist de grenzen der welvoeglijkheid heeft overschreden.

De affaire krijgt nog een raar staartje als in 1990 het boek De ondergang van Nederland van een zekere Mohamed Rasoel verschijnt. Deze literaire mystificatie zou volgens de Amsterdamse tekstwetenschapper Teun A. van Dijk van niemand minder dan Komrij zijn. Een kwalijke beschuldiging, temeer wanneer Rasoel in 1992 door de rechtbank tot tweeduizend gulden boete wordt veroordeeld vanwege racisme en het aanzetten tot vreemdelingenhaat. De man die bij die gelegenheid wordt veroordeeld is een zekere Zokan van A., een half-Pakistaanse variété-artiest die beter bekend staat als The Son of Tarzan. Van hem gelooft niemand dat hij het boek werkelijk geschreven heeft. Maar wie dan? Van Dijk komt op de proppen met een reeks citaten uit Rasoel die qua terminologie inderdaad zeer dicht tegen Komrij aanleunen. Echt sluitend bewijs is het niet; hoogstens wordt aangetoond dat Komrij inderdaad over een immer uitdijend en niet altijd even fris legertje epigonen beschikt, zoals hij zelf ook al droefgeestig had vastgesteld. Komrij is dan ook des duivels over Van Dijk, die «het laatste restje stalinistisch Nederland vertegenwoordigt, verpakt in political correctness». Vergeefs stapt hij naar de rechter. «Zou iemand die mijn werk volgt en leest, kunnen geloven dat ik racist ben?» vraagt hij zich af.

Dat laatste moet inderdaad uitgesloten worden geacht. Komrij is toch voor alles de eenling, geen man voor nationaal pathos derhalve, laat staan voor de hysterische en hetzerige xenofobie die van alle pagina’s van De ondergang van Nederland afdruipt in naam van behoud der Hollandse eigenheid. Bovendien, tegen de tijd dat het gewraakte boek verschijnt, heeft Komrij er zelf alweer ruim vijf jaren als emigrant opzitten in zijn nieuwe vaderland Portugal.

Sinds 1984 woont hij met Charles Hofman in het gehucht Vila Pouca de Beira, zeventig kilometer van Coimbra. Daar leert hij de speciale smarten van de emigrant te goed kennen om zich onledig te houden met een Vlaams Blok-achtig antivreemdelingentraktaat als Rasoels Ondergang. «Dichters, homoseksuelen en emigranten, ze zijn alledrie misplaatst», schrijft hij in Intimiteiten. «Door hun creativiteit, hun averechtse geaardheid en hun letterlijke buitenstaanderschap tarten ze het nuchtere verstand, de maatschappelijke norm en de burgerlijke honkvastheid.»

Er zijn mensen die hardnekkig volhouden dat Komrijs literaire ster minder radiant is gaan stralen sinds hij uitweek naar het land van Fernando Pessoa. Het liefst hadden deze fundamentalisten hun idool vastgeketend in de Kinkerbuurt, zodat hij tot de laatste snik zou blijven ageren tegen de jongste misstanden in «Absurdistan». Het toont aan hoe hardvochtig de literaire liefde kan zijn. En vooral hoe onrechtvaardig. Er kan toch onmogelijk worden ontkend dat Komrij sinds Portugal geheel nieuwe wegen van flonkerende creativiteit is ingeslagen. Zijn Portugese roman Over de bergen (1990) is niet alleen Komrijs eerste echte roman, het getuigt ook nadrukkelijk van een nieuwe fase in zijn schrijverschap.

In Over de bergen wordt de kunst om zich in een ander te verplaatsen bedreven, terwijl de Nederlandse Komrij toch vooral bezig was de ander af te branden, waar het voorheen met name om draaide in het kader van broodnodige zelfverwerkelijking.

Komrijs gebundelde observaties van het Portugese leven, in 1996 verschenen als Een zakenlunch in Sintra, laten ook een geheel nieuwe Komrij zien: mild, met een bezonken wijsheid, maar even onweerstaanbaar humoristisch als in zijn dolzinnigste dagen als literair kruisvaarder te Amsterdam. Een zakenlunch in Sintra werd vertaald door Fernando Venançio, die het boek aanbeval als het leukste boek over Portugal ooit door een buitenstaander geschreven. Net als Fernando Pessoa ontdeed Komrij zich in Portugal van zijn al te zwaar geworden ego. Hij stapte in nieuwe gedaanten, zoals ook Pessoa aan zichzelf ontsteeg door in de huid van een ander te kruipen.

Zo zijn vriend en vijand het erover eens dat Komrij de ware schrijver is van de bundel literaire scheldkritiek Erg!, van de hand van een zekere Patrick Demompere, een Vlaming die volgens de achterflap werkzaam is als assistent-boekverkoper in een der grotere boekhandels van het land. Interessant is dat Demompere zijn giftige pijlen onder meer afschiet op… Gerrit Komrij, vanwege zijn roman Dubbelster, die naar de mening van de recensent een afgeraffeld broddelwerkje is. «Wie naar buiten scherp doet en van binnen half-zacht is, komt uit op de schel klinkende middelmaat. Van alle maskers die Komrij probeert op te zetten staat de boeventronie hem het schijnheiligst», schrijft Demompere. Zulks moet een bevrijdende exercitie zijn geweest.

Je zou kunnen zeggen dat Komrij in Portugal dan toch echt een Mensch is geworden. En dat is uiteindelijk toch niet het ultieme dichterschap?