Menno Hurenkamp

De naschoolse opvang als kolenmijn

Jozias van Aartsen is voor mij een sterk kompas. Wanneer hij iets wil, wil ik dat niet. Maar voor één keer maak ik graag een uitzondering. Zijn oproep om kinderen ook na schooltijd te laten opvangen was verstandig. Wanneer dat gebeurt door gekwalificeerd personeel gaat de kwaliteit van leven van werkende ouders enorm vooruit. Maar zoals de media berichten over het fenomeen naschoolse opvang weet je niet beter of alle televisie zenders zijn direct afhankelijk van het CDA. Het provinciaalse medelijden met de arme kinderen die «niet naar huis mogen» droop van de ene Netwerk- na de andere Nova- reportage. Alsof niet al onze buurlanden al decennia dit soort voorzieningen kennen, zonder dat daar de zelfmoordcijfers of au to-inbraken plots sterk zijn opgelopen.

Is dat nou niet zielig? vroeg Jeroen Pauw aan een tafel vol mannen nadat een spekkig ventje zei liever thuis achter de computer te zitten dan op school te moeten tekenen en knutselen. Alsof de stakker met een carbidlamp op het hoofdje de kolenmijnen in was gejaagd. Vermoedelijk ontving Pauw nog dezelfde avond de Vetleren Medaille voor Hoeders van het Gezin uit handen van onderwijs minister Maria van der Hoeven. De vraag waarom het precies erg is dat dat knulletje niet thuis achter de computer mocht, stelde niemand hem. Dat was evident: een kind dat niet thuis is, is deerniswekkend. Maar dat het leven van kinderen één groot feest moet zijn is een merkwaardige opvatting.

Wie of wat er ook zorgt voor de entree van het kind – God, liefde, lust, ijverzucht of een reageerbuis – het kind zelf heeft er niks mee te maken. Het komt niet voor zichzelf op de wereld maar omdat anderen het willen. (De Engelse dichter Philip Larkin schreef: «They fuck you up, your mum and dad./ They may not mean to, but they do./ They fill you with the faults they had./ And add some extra, just for you.»)

Misschien dat juist daarom schuldgevoel ontstaat dat maakt dat mensen vervolgens denken dat álles om dat kind moet draaien, en dat het vooral nooit «zielig» mag zijn. Maar dat is de wereld op z’n kop. Een kind moet zich geborgen weten. Daarvoor hoeft het niet de hele dag bij moeder op schoot te zitten. De enige randvoorwaarde is kundig personeel, dat zorgt voor een voorspelbare en zorgzame omgeving. Bovendien is het helemaal niet erg als een kind niet zijn zin krijgt, integendeel. Milde frustratie is goed voor de vorming, stelde de pedagoge Rita Kohnstamm recent weer vast in de Abel Herzberglezing.

Natuurlijk is het sneu als je vijf dagen per week van half acht ’s ochtends tot zes uur ’s avonds op school moet zitten. Maar dat zal maar een klein gedeelte van de kinderen overkomen. Nederlanders, en zeker ouders met kinderen, zijn deeltijdwerkers. Het gros speelt regel matig door de week met zijn koters.

En dan nog. Kinderen in Nederland werken niet in mijnen. Ze hoeven zelfs geen aard appels meer te rooien. Ze krijgen een hoeveelheid aandacht zonder historische parallel, op het hysterische af. («Mijn zoon is allergisch voor fotonen en mag alleen brood van onder volle maan geoogste spelt eten.») Als hun grootste tegenslag is dat ze na school een paar uur met andere kinderen moeten spelen, dan is dat een uiterst milde frustratie.