‘Gaat u naar huis. Zij is dood’

De nasmaak van de dood

Ebola dreigt in de Democratische Republiek Congo endemisch te worden, met catastrofale gevolgen voor de bevolking en risico op verspreiding naar het buitenland. Vorig jaar werd de provincie Équateur getroffen.

Irene Mboyo Mola-Mohoke zit met haar kinderen en buurvrouw in haar huis. Haar echtgenoot Clovis, ‘Olifant’, was een van de drie ebolaslachtoffers in de stad Mbandaka

In een droom hoorde pater Lucien Ambunga in de verte stemmen. Gestalten in stralend witte overalls bogen zich over hem heen. In een spookachtig licht zag hij grote helmen op hun hoofden, ze kwamen hem bekend voor. Het zijn Ninja Turtles, dacht hij, net als in de film. De stemmen werden luider, helderder. ‘Kom terug’, riepen ze. Met een schok opende hij zijn ogen en hij schrok zich dood toen hij besefte dat hij bijna naakt, alleen in zijn onderbroek, in een plastic zak op de grond lag. ‘Ik was nog helemaal niet dood.’ Hij lacht droogjes, maar in zijn ogen is de ontzetting te lezen. ‘Ze hadden me al in een lijkzak gestopt.’

Toen de 37-jarige Lazarist de eerste symptomen van ebola bespeurde – hevige hoofdpijn, exploderende koorts – ging hij naar zijn kamer in de missiepost St. Jozef in Itipo om in alle stilte te huilen. Pater Lucien vermoedde dat ook hij nu besmet was met de ziekte waar al zovelen aan overleden waren. Twee dagen eerder had hij nog aan de zwaar zieke verpleger Charles de laatste sacramenten toegediend en zijn hand vastgehouden toen hij overleed. Net als iedereen in het dorp wist hij: wie naar het ziekenhuis moet, komt daar niet meer levend vandaan.

Op 8 mei vorig jaar werd officieel de negende ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo bekendgemaakt. Het zeer besmettelijke virus werd in 1976 in de buurt van de Ebola-rivier ontdekt. Het ministerie van Volksgezondheid reageerde snel en geroutineerd. Samen met de Wereldgezondheidsorganisatie, Artsen zonder Grenzen en andere internationale partners begon binnen een paar dagen de bestrijding van de epidemie in de afgelegen provincie Équateur. Mensen en materiaal werden per helikopter ingevlogen, triagesystemen voor de identificatie van verdachte gevallen opgezet en speciale ebola-behandelingseenheden ingericht.

Ook pater Lucien werd meteen in quarantaine gezet. Op een foto, die de hele wereld over is gegaan, is te zien hoe hij achter het oranje net van het quarantainestation knielt en de zegen van de aartsbisschop van Mbandaka ontvangt. Sindsdien is hij de meest prominente overlevende in het land en is hij actief in de Association de Vainqueurs d’Ebola, de Vereniging van Ebola-overlevenden. ‘God heeft mij de wedergeboorte geschonken’, zegt hij. ‘Nu strijd ik voor onze rechten.’ >

Het was in januari begonnen. Toen het met de leraar Chou Biliya-Mola slecht afliep, begon de nachtmerrie in het dorp Ikoko-Impenge.

‘Hier ligt hij’, zegt Genina Iyiko-Wenze, en ze wijst met een versteend gezicht naar de grond. Als je in het regenwoud een stekje in de grond plant, komen daar binnen de kortste keren blaadjes aan en wordt het een boom. Het graf van haar man Chou is door het omringende oerwoud alleen nog te onderscheiden door de uitbottende twijgen die het zorgvuldig uit los gesteente gevormde bed markeren.

Ikoko-Impenge ligt ten zuiden van Mbandaka, de hoofdstad van Équateur in het westen van de Democratische Republiek Congo. De streek is vanuit de hoofdstad Kinshasa alleen per vliegtuig te bereiken, of via een dagenlange bootreis over de Fleuve, zoals de Congo-rivier wordt genoemd. Het dorp strekt zich uit langs de onverharde weg die dwars door het dichte oerwoud van Bikoro in het westen naar Itipo in het oosten voert. Vele met riet bedekte lemen huizen zijn versierd met veelkleurige illustraties, meestal van luipaarden, priesters en soldaten.

Équateur was ooit de thuisprovincie van dictator Mobutu Sese Seko. Zijn afzetting, gevolgd door de tweede Congo-oorlog tussen 1998 en 2003, die ruim vijf miljoen mensenlevens eiste, heeft de provincie in voortdurende politieke en militaire conflicten gestort. Mobutu’s opvolger, Laurent-Désiré Kabila, en zijn zoon Joseph Kabila, tot begin dit jaar president, komen uit het oosten van het land en hebben Équateur uit politieke overwegingen systematisch veronachtzaamd en geïsoleerd. Diepe armoede en Verelendung zijn het gevolg: de provincie geldt als veruit de armste van het reusachtige land.

‘Het was een mooie Matanga’, zegt Genina. ‘Hij was zeer geliefd, hij was immers de directeur van de basisschool.’ Traditiegetrouw werd de overledene gewassen en voor zijn huis opgebaard. Iedereen kwam om afscheid te nemen. Na de begrafenis werd een dodenwake gehouden, die normaal gesproken een hele maand duurt. Zoiets is een groot evenement waarvoor het hele dorp wordt uitgenodigd om het leven van de overledene te vieren. Gezinsleden en vrienden blijven nachtenlang op en eten, drinken, roken en maken grappen over de dode. Ditmaal was er echter nauwelijks tijd om te rouwen.

Chou Biliya-Mola was met hevige hoofdpijn wakker geworden. Voor zijn huis wachtte hij op het moment dat de ‘apotheek’ voorbijkwam, de jongeman die als een marskramer pillen, zoetwaren en sigaretten verkoopt. De pijnstiller werkte niet en hij kreeg hoge koorts en diarree en moest hevig overgeven. Chou sleepte zich ten slotte naar het rudimentair ingerichte plaatselijke ziekenhuisje. Verpleger Didier diagnosticeerde malaria, niets ongewoons in deze contreien. Een paar dagen later adviseerde Didier echter de zwaar zieke Chou naar een echt ziekenhuis over te brengen.

Regenwouddorpen als Ikoko-Impenge hebben zo goed als geen medische basisvoorzieningen en zelfs waar die wél bestaan kunnen de meeste mensen zich die niet veroorloven. Ondervoeding is een vaak voorkomende doodsoorzaak en mensen overlijden vaak aan eenvoudig te behandelen ziekten. De levensverwachting in Congo is net iets boven de zestig jaar, tegen ruim tachtig in Nederland. Medewerkers in de gezondheidszorg zijn slecht opgeleid en worden systematisch onderbetaald. Van ebola had hier nog nooit iemand gehoord.

‘Hij kon niet meer staan. We moesten hem op de motorfiets hijsen’, zegt Genina en wijst op het roestige gevaarte dat tegen de muur van haar spaarzaam gemeubileerde woonkamer staat. Haar jongste zoon rijdt erop rond. De 44 kilometer van Ikoko-Impenge naar het Hôpital Général van Bikoro kwamen haar voor als een eeuwigheid. Haar oudste zoon Biyenga bestuurde de slingerende machine, waarop zij met z’n drieën zaten. Ze kwamen nauwelijks vooruit. De rode weg was als zachte zeep, de kuilen waren met troebel water gevuld en de bladeren van de jungle dampten van de regen.

De leraar Biliya-Mola, door iedereen Maître Chou genoemd, liep intussen het bloed uit de neus, oren en ogen. Op de terugreis naar het dorp hielden zijn zonen het lijk goed vast, zodat het niet van de motorfiets gleed.

‘Er was een vloek uitgesproken over de familie – het was beslist hekserij.’ Genina zit in haar gescheurde groene T-shirt op het echtelijk bed. Zij weet het zeker: ‘Het waren de buren. Daar hadden we ruzie mee, het ging om een klein stuk grond, daar in het bos. Toen werd hij ziek en begon het sterven. En de buurman verbouwt daar nu maïs.’

De 25-jarige Biyenga werd nog tijdens de begrafenis van Chou ziek. Hoge koorts, diarree, braken. Ten slotte begon ook hij uit al zijn lichaamsopeningen te bloeden. ‘Op weg naar het ziekenhuis overleed hij’, zegt zijn moeder Genina met lege ogen. ‘Hij stierf op dezelfde motorfiets als zijn vader.’ Genina werd zelf ook zwaar ziek en sindsdien kan de ooit zo sterke vrouw zich nauwelijks nog bewegen. Kleinkind Philippe, de baby van haar dochter Nathalie, werd korte tijd later ziek. De kleine Phili spuugde zwart bloed en overleed na zes dagen in het ziekenhuis van Bikoro. De ooms uit Mbandaka werden ziek. Teddy, de doodskistenmaker. Ten slotte kreeg ook grootmoeder Mama Amba Iyengi, de moeder van Maître Chou, de ziekte. Ze overleed op 12 april.

‘Het waren de buren. Daar hadden we ruzie mee, het ging om een klein stuk grond, daar in het bos. Toen werd hij ziek en begon het sterven’

Na hun begrafenis liepen de sterfgevallen als gevolg van een – zoals het eerst officieel heette – ‘niet-gediagnosticeerde ziekte’ in Ikoko-Impenge snel op. Het zou nog bijna een maand duren voordat het ministerie van Volksgezondheid in Kinshasa de Wereldgezondheidsorganisatie op de hoogte stelde van de uitbraak van een ebola-epidemie in het Centraal-Afrikaanse land. Mama Amba Iyengi geldt officieel als patiënt nul, terwijl het dorp de epidemie herleidt naar de dood van Maître Chou. Maar ook het naburige dorp Boyeka kende een reeks onopgehelderde sterfgevallen; de oorsprong van de ebola-uitbraak is achteraf niet meer te achterhalen.

Dorpelingen in Ikoko-Impenge begraven een twaalfjarig meisje volgens de lokale traditie. Dit meisje is niet aan ebola gestorven

‘Ik kon niet eens meer met hem praten’, zegt Amba Boongo. De tengere jonge vrouw zit met een kleuter op schoot onder een schaduwdak van bananenbladeren. Toen zij Maître Chou voor de eerste keer tegenkwam, was het tussen hen beiden liefde op het eerste gezicht. Hij was een vriendelijke man, niet groot, maar hij zag er goed uit en was slim. Het hele dorp wist van haar relatie met de leraar, zeker toen zij bijna twee jaar geleden beviel van haar zoon. ‘Waarom nou juist hij?’ vraagt ze zachtjes. Een week voordat hij overleed had ze nog zijn lievelingseten klaargemaakt: bonen, gekookte maniokbladeren en makaku – door haar oom kort daarvoor geschoten. Het was de laatste aap die leraar Chou ooit zou eten.

Sinds duizenden jaren wordt in de bossen van Centraal-Afrika op wild gejaagd. De belangrijke eiwitten zijn echter niet zonder risico: verschillende vleermuissoorten en vliegende honden zijn drager van het ebolavirus en kunnen vermoedelijk zoogdieren als apen, wilde zwijnen en antilopen infecteren. Ebola is een zoönose, een ziekte die van dier op mens overspringt. Als de ziekte een menselijke gastheer heeft gevonden, verspreidt ze zich door rechtstreeks lichamelijk contact met de lichaamsvloeistoffen van patiënten en overledenen.

Onderzoekers vermoeden dat de toename van de ebola-uitbraken rechtstreeks verband houdt met de klimaatverandering, de veranderde weersomstandigheden en de vernietiging van leefruimte. De enorme ontbossing in het Congolese regenwoud verandert niet alleen het hele ecosysteem en de migratieroutes van wilde dieren, maar ontsluit ook transportwegen en als gevolg daarvan nieuwe jachtroutes. De afgelopen decennia is de consumptie van wild, zogenoemd bush meat, sterk toegenomen: er wordt geschat dat in het Congo-bekken intussen bijna vijf miljoen ton wild per jaar gegeten wordt. Door de groei van stadscentra is de handel in wild een steeds belangrijker inkomstenbron geworden, maar ook een steeds grotere bedreiging.

S-A-D-A-M-I. Emmanuel Bopa Bansa-Lukwa heeft zijn bijnaam zelf in grote blokletters op zijn rechteronderarm getatoeëerd. Hij grijnst trots en ietwat verlegen: ‘Duidelijk, precies zoals Saddam Hoessein!’ Emmanuel kijkt argwanend uit zijn ogen, alsof hij de verdenking koestert dat men hem niet serieus neemt. Maar de Grand Maître van Ikoko-Impenge is een alom gevreesd man. Nog geen dertig jaar oud geldt hij als een van de machtigsten in zijn vak. Iedereen is doodsbang voor de Nganga.

‘Het hele dorp denkt dat ik de ziekte heb veroorzaakt.’ Emmanuel snuift verontwaardigd. ‘Daarbij komt dat een Nganga een heler is, geen tovenaar!’ Emmanuel behoort tot de Twa-Pygmeeën, die aan de rand van Ikoko-Impenge wonen, buiten de nederzettingen van de Bantu, de meerderheid van de bevolking. De verhoudingen met de buren zijn complex en tegenstrijdig. ‘Wij zijn hun slaven, wij zijn min of meer hun eigendom, dat is al zo sinds de oertijd’, zegt Emmanuel. ‘Wij jagen op wild voor ze, verzamelen paddenstoelen en vruchten in het bos, wij kappen bomen voor ze. Toch blijven wij arm, ze betalen ons weinig of helemaal niets.’

De Bantu geloven dat de Twa als oorspronkelijke bewoners van het equatoriale regenwoud speciale magische krachten hebben. Daarom is iedereen bang voor ze, maar ze zijn ook vaak slachtoffer van zware misdaden en mishandeling. De grootmeester heft gefrustreerd zijn armen. ‘De ziekte, dat was ik niet, dat was een Lotoko, een boze geest! Ik heb alleen maar geprobeerd iedereen te helpen.’ De ziekte trof ook de Twa. ‘Maar het heeft geen zin naar het ziekenhuis te gaan’, zegt Emmanuel. Zelfs bij de spaarzame Congolese gezondheidsdiensten worden de Twa meestal geweerd, en niet alleen maar omdat ze de rekeningen niet kunnen betalen. ‘De verplegers weigeren ons te onderzoeken. Ze behandelen ons als melaatsen.’

‘Niemand interesseert zich voor ons, niet eens de Mondélé, die gekomen zijn om het dorp te helpen.’ Hij heeft zijn kruiden gebruikt. ‘Ik heb ze aangebracht op de plekken waar die mensen bloedden, in de oren, ogen, neus en mond. Velen zijn ervan opgeknapt, slechts een paar hebben het niet overleefd.’ Van de 25 besmette Twa zijn er zeven overleden, zegt Emmanuel, waaronder zijn moeder. Voor een echte begrafenis, een mooie Matanga, had hij te weinig geld, en daarom was hij blij om te horen dat de helpers gratis begrafenissen organiseerden. Ze legden het in een doek gewikkelde lichaam aan de rand van de weg, maar niemand nam de moeite om het lijk op te halen. Na drie dagen begroeven ze het ten slotte zelf maar.

Begin mei had de familie Mola bijna tien van haar leden verloren. ‘Chou, Biyenga, Phili, Mama Amba, haar zuster Marthe, haar kleinkind Teddy, mijn vrouw Fifi…’ Leraar Jacques Loyemi pauzeert tijdens zijn opsomming. Hij slaat de bladzijden van een vergelend fotoalbum om en wijst ten slotte op de foto van een jonge vrouw. Zijn stem breekt: ‘En toen werd mijn dochter Irene ziek, twee dagen na Fifi’s begrafenis.’

In Bikoro werd bij Irene door artsen uit Kinshasa bloed afgenomen. Toen de diagnose kwam, zetten haar vader en haar beide zussen de vrijwel bewusteloze Irene op een geleende fiets en brachten haar naar het ziekenhuis. Het was bijna een processie, want het bericht had zich als een lopend vuurtje verspreid. ‘Ebola, ebola’, riepen de sensatiezoekers die hen op de weg begeleidden. Het was de laatste keer dat Jacques zijn dochter zag.

Jacques wachtte. Dagenlang liep hij de lange, overdekte gangen van het ziekenhuis op en af. Hij wist niet wat zich achter de plastic schermen afspeelde en werd bijna gek van de zorgen. Op 23 mei kwam de arts naar hem toe: ‘Gaat u naar huis. Zij is dood.’ De dertigjarige Irene Mbembe was het eerste bevestigde geval van de negende ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo.

Om besmettingen van het medisch personeel en familieleden te voorkomen heeft het Rode Kruis een ‘veilig en waardig begrafenisprotocol’ ontwikkeld, waarbij de familie er normaal gesproken bij wordt betrokken, maar wordt afgezien van gevaarlijke rituelen als het wassen, aanraken of kussen van de dode. Irene viel echter geen waardigheid ten deel, want de noodhulp was nog niet naar behoren gecoördineerd. Daarom was er niemand bij toen ze ’s ochtends door het medisch personeel werd begraven. ‘Zij stierf eenzaam’, zegt Jacques. ‘Om acht uur ’s ochtends was ze dood. En toen werd ze eenzaam begraven.’ De familie ging de hele weg te voet naar huis, zwijgend, vertwijfeld.

Met loeiende sirenes haasten leger en politie zich naar het houten huis. De jungle, die zojuist nog in een stille duisternis gehuld was, licht op door schijnwerpers en zwaailichten. Dieu Boongongo-Yolo is omsingeld. Uit zijn schuilplaats ziet hij hoe mensen in witte, beschermende kleding uit hun auto’s springen en het lijk van zijn vader, de commandant, uit het huis een ziekenwagen in slepen. Vervolgens beginnen ze alles te verbranden wat ze kunnen vinden: het ledikant, het matras, de fiets, de kleren, de meubelen. Het vuur laait met zwarte rook de nachtelijke hemel in. De zeventienjarige jongen voelt zich nog steeds schuldig: ‘Ik heb ze me mijn vader eenvoudigweg laten ontnemen.’

Dagen tevoren was in Mbandaka grote paniek uitgebroken: ebola had de miljoenenstad aan de Congo-rivier bereikt. Over de rivier worden dagelijks duizenden mensen op grote binnenvaartschepen in alle richtingen vervoerd. Er waren drie geïnfecteerden afgeleverd bij het ziekenhuis van de voorstad Wangata. Zij kwamen uit het dorp Ikoko-Impenge, ongeveer 150 kilometer zuidwaarts. De geruchten over het virus uit het regenwoud volgden elkaar snel op. Niemand gaf elkaar nog een hand. De motorfietstaxi’s die normaal gesproken met honderden tegelijk over de rode wegen van de stad flitsen, stonden op klandizie wachtend aan de rand van de weg. De marktvrouwen aan de moerassige oever van de rivier bleven plotseling zitten met hun gedroogde apen en stukken wild uit het oerwoud die een dag eerder nog gretig aftrek hadden gevonden.

‘De families van de doden zouden ieder een zak rijst van dertig kilo krijgen, maar iedereen kreeg maar vijf kopjes. Wie heeft de rest in zijn zak gestoken?’

Dieu Boongongo-Yolo keek naar voetbal in een bar in zijn wijk. Real Madrid speelde. Toen hem het bericht van de dood van zijn vader bereikte, trommelde hij zijn vrienden op. Een paar van hen aarzelden, maar hij verwijt het ze niet. Het was zwaar werk om het forse lichaam van zijn vader in de palmbladmatten te wikkelen, hem ongemerkt uit het quarantainestation te smokkelen en vervolgens naar de hut van zijn tante aan de rand van de stad te dragen. Daar slaakte Dieu een zucht. In het licht van een kaars kon hij het lichaam wassen, zegt hij. ‘Zoals het hoort, een dodenwake houden.’ Zijn kaakspier verstrakt. ‘In het ziekenhuis hebben ze de doden eenvoudigweg in een zak gestopt en begraven, heb ik gehoord. Hoe had ik dat kunnen toestaan?’

Pater Lucien Ambunga tijdens de dienst in de katholieke kerk in Itipo

Raphael Mohoke-Wokole (60), een kleermaker die oorspronkelijk uit Ikoko-Impenge komt, had van de mislukte coup van zijn neef Dieu gehoord. Hij rouwde zelf om zijn zoon, een geliefde voetbaltrainer die door iedereen ‘Olifant’ werd genoemd. Olifant was ’s ochtends overleden en Raphael hoorde van het oproer in de wijk. De vrienden van zijn zoon waren op weg naar het ziekenhuis om te eisen dat Olifants lichaam werd vrijgegeven. Ze waren met velen, ze waren verontwaardigd, ze waren vastberaden. Toen nam de kleine ambachtsman uit Bikoro een kloek besluit.

Hij is bescheiden: ‘Ik ben geen intellectueel. Maar ik wist dat zij allemaal besmet zouden worden.’ Hij had de waarschuwingen van het ministerie van Volksgezondheid op de radio naast zijn naaimachine gehoord. Raphael spoedde zich naar Wangata en versperde de groep gefrustreerde jongelingen de weg. ‘Hij is mijn zoon, horen jullie dat. Ik besluit hierover!’ Hij maakte hun duidelijk dat ze niet naar het kerkhof mochten gaan, waar het Rode Kruis de begrafenis organiseerde. ‘Ga niet, ga allemaal naar huis.’ De oude man ziet er moe uit. ‘Ja, misschien heb ik de ebola-epidemie gestopt. Maar het viel me zwaar me tegen mijn eigen cultuur te wenden.’

‘Het dorp Ikoko-Impenge is gevaarlijk’, zegt een medewerkster van de Wereldgezondheidsorganisatie. Ze zit in de geïmproviseerde noodhulpcentrale in Bikoro en kijkt met een gefronst voorhoofd over de rand van haar bril. ‘Wij weten helemaal niet waarom, maar de mensen lijken boos te zijn. Neem gewapende begeleiders mee. Beter nog: ga er helemaal niet heen.’

In het dorp zijn de gevoelens inderdaad nog rauw. ‘Ik ben woedend!’ zegt de chief (70) van Ikoko-Impenge. ‘We zijn allemaal bedrogen.’ Hij gebaart in de richting van een kortgeleden leeggemaakt stuk land. ‘Hier zou gebouwd worden. De minister van Volksgezondheid was hier en heeft ons een echte kliniek beloofd. En nu: niets!’ Hij somt op: ‘De families van de doden zouden ieder een zak rijst van dertig kilo krijgen, maar iedereen kreeg slechts vijf kopjes. Precies zo ging het met suiker en zout: een kopje in plaats van een kilo. Wie heeft de rest in zijn zak gestoken? Bij de families van de doden werden matrassen, kleding en meubels verbrand. Werden die vervangen? Dat was toch beloofd! Ze zijn nu allemaal nog armer dan eerst.’

‘Wij waren volledig onbeschermd. Hebben we daarvoor ook maar een bedankje gekregen?’ De vrijwilligers, die als zogenoemde contact tracers van huis naar huis gingen om de zieken en hun contacten te identificeren, kregen slechts een derde van het beloofde loon, veel te weinig geld voor hun levensgevaarlijke werk. En dat, zegt de chief, ondanks het feit dat het dorp de wereld heeft behoed voor ebola. En het ergste was: ‘We zijn als proefkonijnen gebruikt.’

Voor de farmaceutische industrie was ebola lange tijd niet interessant, de ontwikkeling van een entstof leek weinig lucratief. Door de ebola-uitbraak in Guinee, Liberia en Sierra Leone in de jaren 2014 tot 2016 veranderde dat op slag. Farmaceutische bedrijven begonnen vaccins te ontwikkelen. Toen ebola vorig jaar uitbrak in Équateur werd die voor het eerst bestreden met vaccinaties. Daarvoor werd een door het concern Merck geproduceerde experimentele entstof met de onmogelijke naam rVSV-ZEBOV gebruikt. Tot nu toe zijn ruim twintigduizend mensen in Congo daarmee ingeënt. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft het ebolavaccin in meerdere publicaties een ‘game changer’ genoemd. Zij is ervan overtuigd dat het vaccin verantwoordelijk was voor de snelle indamming van de epidemie in de evenaar-provincie.

Maar niet iedereen is even blij met hoe de vaccinatiecampagne werd uitgevoerd. De chief van Ikoko-Impenge had het document van zeven kantjes, dat het inentingsteam uit Guinee had uitgedeeld, weliswaar ondertekend, maar de kleine lettertjes pas thuis kunnen bestuderen. Het Frans was niet eenvoudig te begrijpen, in Équateur wordt hoofdzakelijk Lingala gesproken. ‘Niemand heeft ons verteld dat het vaccin helemaal nog niet was goedgekeurd’, zegt hij verontwaardigd. De mensen kregen gezondheidsproblemen. ‘Er waren zelfs miskramen’, zegt hij. ‘Wie dit vaccin heeft verkocht, is nu miljonair. En wij, wij hebben nog altijd niets dan doden.’

Ebola in Congo

Sinds mei vorig jaar kampt de Democratische Republiek Congo met dodelijke ebola-uitbraken. Eerst werd Équateur getroffen, een afgelegen provincie in het westen van het land. Op 24 juli 2018 werd de ebola-uitbraak in Équateur ten einde verklaard. Officieel waren er 33 mensen overleden, maar volgens de getroffen families waren het er veel meer. Enkele dagen later maakte het ministerie van Volksgezondheid een nieuwe uitbraak bekend, ditmaal in Noord-Kivu, een oorlogsgebied in het oosten van het land waar inmiddels al meer dan vijfhonderd mensen aan het virus zijn overleden.

Hulpverleners proberen al maanden de epidemische curve te keren, maar kunnen de slachtoffers moeilijk bereiken: het getroffen gebied is al jarenlang het middelpunt van een gewapend conflict om grondstoffen, waar meer dan 120 gewapende groepen met elkaar om strijden. Door chronisch conflict en chaotische verkiezingen is de bevolking wantrouwend en wordt ebola nog steeds als een politiek wapen gezien.

De buurlanden Oeganda, Zuid-Soedan, Burundi en Rwanda maken zich ook steeds meer zorgen dat formele grenzen het virus niet zullen tegenhouden. In Zuid-Soedan en Oeganda is de overheid al begonnen met het inenten van hulpverleners en het geven van informatie over ebola via de radiostations. Handelaren doorkruisen de streek niet alleen via officiële landsgrenzen, maar ook via illegale smokkelroutes. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft daarom het risico voor ebolabesmetting in de regio op zeer hoog ingeschat. Het mondiale besmettingsrisico is voorlopig nog laag.

Een zacht briesje trekt over de veranda van het parochiehuis St. Joseph, een welkome afwisseling van de gloeiende hitte die kenmerkend is voor een dag op de evenaar. De laatste medewerkers van de Wereldgezondheidsorganisatie die nog niet naar Noord-Kivu – naar de volgende epidemie – zijn afgereisd, werken zwijgend bij het licht van gloeilampjes. Het godshuis, waar vanaf de felgroene muren ingelijste pausen en bisschoppen omlaag kijken, wemelt plotseling van de politieagenten met machinegeweren. Er wordt luidkeels gediscussieerd, deuren slaan dicht. ‘Ze zijn gekomen om maffia te spelen’, fluistert pater Lucien Ambunga.

‘Het zijn allemaal dieven, zonder respect voor God!’ zegt hij later die avond. Van de interim-gouverneur is een delegatie gekomen om de motorfietsen van de ebolanoodhulp in beslag te nemen. Ook het ministerie van Volksgezondheid heeft een afvaardiging gestuurd. ‘Ze stelen het geld, ze vechten als gieren om de resten, ze verrijken zich aan onze ziekte.’ De anders zo goed geluimde priester beeft van kwaadheid. ‘Onze politici zijn vrijbuiters die hun eigen zakken volstoppen. Niemand interesseert zich voor ons. Geen mens heeft ooit gevraagd hoe het met de ebolaslachtoffers gaat.’

De meeste ebola-overlevenden zijn niet alleen getraumatiseerd, ze kampen ook met zware neurologische problemen, spier- en zenuwpijnen, migraine en depressies. Hun gezichtsvermogen en mobiliteit zijn aanzienlijk beperkt. Velen melden dat ze niet meer kunnen werken. Daar komt de maatschappelijke discriminatie en stigmatisering, waarvan zelfs pater Lucien gewag maakt, nog bovenop.

Iedereen is gekomen om hem te zien. De kinderen huppelen van opwinding. Pater Lucien Ambunga voelt zich weliswaar nog zwak, maar toch ook als een popster, als hij in zijn eenvoudige witte priestergewaad de kerk binnengaat om voor te gaan in de heilige mis. Kaarsen worden ontstoken. Met deinende schreden zwaaien de misdienaren het wierookvat op de maat van de muziek heen en weer. Diepgevoeld dankgezang schalt door de lichte kerkruimte uit de jaren zestig, waar zwaluwen nestelen in de bont gekleurde koppelbalken.

Pater Lucien staat met geheven armen voor de gemeente, om voor de eerste keer weer de communie uit te delen. De kerkgangers treden uit de rechter- en linkerbanken in de middengang en vormen een rij voor het versierde altaar. Stap voor stap komen ze naar voren om het avondmaal tot zich te nemen. ‘Toen verliet de een na de ander de rij om zich bij mijn collega te melden’, zegt pater Lucien met een pijnlijke grimas. ‘Uiteindelijk stond ik daar alleen.’ Niet één van de gelovigen wilde een hostie van hem aannemen. ‘Ik was ebola’, zegt hij bitter. ‘En ook al heeft mijn God mij gered, ik zal voor altijd ebola blijven.’


Het onderzoek voor dit artikel werd gesteund door het European Journalism Centre / Global Health Program. Vertaling: Menno Grootveld