Pijnlijke geschiedenis Op zoek naar de Nederlandse identiteit

De natie in verwarring

Het getouwtrek over ons nationale zelfbeeld past in een eeuwenoude traditie die gekoesterd zou moeten worden.

DE NEDERLANDSE IDENTITEIT is ‘zoek’. Ondanks de ernst waarmee politici, historici en intellectuelen zich over dit thema ontfermen, houdt het debat een enigszins tragikomisch karakter. Om de aanwezige slapstick expliciet te maken, hoeven we die alleen maar te vertalen naar een alledaagse persoonlijke realiteit. Als een vriend met de openhartige bekentenis zou komen: ‘Ik ben op zoek naar mijn identiteit’, zou het moeilijk zijn een lach te onderdrukken. Wat te denken van een heel land dat zogezegd ‘op zoek’ is naar zijn identiteit? Het idee dat Nederland op zoek is naar zijn identiteit suggereert dat deze ergens zomaar te vinden zou zijn, in al haar onbezoedelde glorie. Niet besmeurd door het relativisme, de vervlakking, het verval en andere ongewenste vuiligheden van de moderne tijd.
Een identiteit raakt natuurlijk niet zomaar zoek. De algemene lezing van de bijzondere geestestoestand waarin de Nederlandse natie zich nu bevindt, is dat het een kwalijke zaak van verwaarlozing betreft. We hebben te maken, in Paul Scheffers woorden, met een ‘school der capitulanten’, een elite van kosmopolieten en cultuurrelativisten die in hun wens om voorop te willen lopen in de vaart der volkeren de Nederlandse identiteit onvoldoende hebben gecultiveerd, ja, waarvan sommigen zelfs nog steeds verkeren in een hardnekkige ontkenningsfase. Het gevolg is in de woorden van H.J. Schoo niet alleen een natie in verwarring, maar ook een allochtoon smaldeel van de bevolking dat niet weet waarin het moet integreren: de Nederlandse identiteit bestaat toch immers niet? De oplossing hiervoor bevindt zich volgens de nieuwe nationalisten ergens tussen een cliteuriaans pleidooi voor een Leitkultur en de stelling van Scheffer – in navolging van het CDA – dat alles van waarde zich moet kunnen verweren, in het bijzonder het Nederlandse cultuurgoed. Het begin van deze vaderlandse assertiviteitstraining moet plaatsvinden aan de hand van een historisch zelfonderzoek, zoals dat op de sofa van de psychiater gebeurt.
Er schuilt echter een paradox in de hele discussie rond de Nederlandse identiteit. Een paradox waar Scheffer zich ook al van bewust was, maar waar in de eenkennige speurtocht van de laatste jaren – niet te vergeten de discussie over de geografische ligging van het Nationaal Historisch Museum – niet al te veel aandacht aan is besteed. Is het niet opvallend dat Scheffer zijn pleidooi voor een historische herwaardering van de Nederlandse cultuur baseert op een historische analyse van de Verenigde Staten? Het is de lezing van de geschiedenis van de VS als immigratieland, van het Amerikaanse nationalisme en de daaruit volgende assimilatie, die Scheffer leidt naar zijn conclusies over de Nederlandse identiteit en de Nederlandse geschiedenis.
Misschien is het gebrek aan (Nederlandse) historische onderbouwing van Scheffers betoog wel logisch. Want wie teruggrijpt op de Nederlandse geschiedenis, en in het bijzonder op de discussie over de Nederlandse identiteit, komt erachter dat juist het kosmopolitisme, de tolerantie jegens het vreemde en de geringschatting van de eigen nationale identiteit gerekend worden tot kenmerkende onderdelen van diezelfde nationale identiteit.
Johan Huizinga zelf, ’s lands grootste historicus en nota bene een conservatief, riep in zijn Nederlands Geestesmerk juist deze zelfrelativering uit tot nationale deugd: ‘Onder de deugden, die wij ons mogen toekennen, behoort buiten kijf een relatief geringe neiging tot nationale zelfverheerlijking en zelfverheffing. Vergeleken met andere volkeren zingen wij minder luid ons eigen lof. […] Een welbewust volk heeft kritiek op de eigen gebreken, en het ontbreekt ons daaraan niet, zo weinig zelfs, dat het gevaar om te vervallen in het tegengestelde kwaad van nationale zelfverguizing niet altijd vermeden wordt. Met dat al blijft soberheid en bescheidenheid van het nationale zelfgevoel ongetwijfeld een volksdeugd van het zuiverste kaliber.’
Nog verwarrender wordt het als Huizinga ‘ons openstaan voor de waarde van het vreemde’ met de eerdere zelfverguizing verbindt en nadrukkelijk als volksdeugd representeert: ‘Wij kúnnen het vreemde niet weren, en wij willen het niet weren. De auto’s en de films zijn ons welkom, en de ideeën, getoetst aan ons besef van waarde. De internationale interpenetratie der volken gaat, ondanks de ijlende koortsen die het lichaam der wereld schokken, haar gang. Laat haar op deze onze bodem vrij doorwerken, en houd uw Nederlandse hoofd koel.’
Zo gezien is het juist ‘de school der capitulanten’ die zich in het midden van de nationale traditie plaatst. Hoe kan er sprake zijn van verwaarlozing als bovengenoemde nationale deugden juist actief beleden worden door de capitulanten? Wie is hier nu de ware vertegenwoordiger van de Nederlandse cultuur?

MEER OVER DEZE PARADOX lezen we bij Wim Couwenberg, de Fortuyn-sympathisant die de elite een ‘weg-met-ons-mentaliteit’ verwijt, zij het op een vrij genuanceerde basis die de aandacht meer dan waard is. Hij stelt dat in het antinationalisme van de kosmopolitische elite toch een vorm van nationalisme schuilt, omdat Nederland zich volgens deze visie juist door het ontbreken van een bekrompen vaderlandsgevoel diende te verheffen boven andere landen. Hiermee wordt Nederland toch een verheven eigen identiteit toegekend en een ‘superieure geesteshouding’. Het is een atypisch nationalisme waarin Nederlanders ‘hun trots als Nederlander ontlenen aan het feit dat zij daar juist niet trots op zijn en zich daarvoor bijna generen’, aldus Couwenberg.
Dit superioriteitsgevoel, dit liberale nationalisme dat zich niet als nationalisme presenteert, zien we terug in uitgesproken nationalistische noties zoals ‘Nederland Gidsland’, dat opgang deed in de jaren zestig en, volgens historicus James Kennedy, ten onder ging tijdens de opkomst van Fortuyn. De gedachte achter Nederland Gidsland is dat Nederland een vooruitgeschoven post is in de wereldgeschiedenis, dat dit kleine landje de plicht heeft de rest van de wereld te laten zien hoe het moet. Dat Nederlanders in hun verlicht pragmatisme de dingen kunnen regelen op een betere, rationele manier: de legalisering van abortus en euthanasie, het drugsbeleid. Hoe kunnen we dit anders benoemen dan als een uitgesproken vorm van nationalisme? Nederland had in deze tijd van zogenaamde ‘identiteitsverwaarlozing’ juist een zendingsdrang van jewelste en stopte haar nationale trots niet onder stoelen of banken. Daarmee is het liberale nationalisme het verhaal van de kleren van de keizer op zijn kop. Een trotse keizer die denkt zich ontdaan te hebben van alle vormen van nationale klederdracht, terwijl het voor omstanders overduidelijk is dat de keizer alleen zichzelf misleidt, en nog steeds in een keurig rood-wit-blauw is gestoken.
Het is dit liberale nationalisme dat nu onder vuur wordt genomen. De Nederlandse identiteit is niet ‘zoek’ maar wordt betwist. We beleven een ‘clash der nationalismen’, een strijd om het nationale zelfbeeld die zich afspeelt tussen liberale kosmopolieten en cultureel conservatieven, een stellingenstrijd om culturele hegemonie waarin de posities in de stellingen in grote mate bepaald worden door sociale klasse, een strijd waarvan de uitkomst nog ongewis is.
Op zichzelf is dit niets nieuws. De discussie over de Nederlandse identiteit was nooit klasseneutraal. Er broeide altijd iets op het moment dat de nationale identiteit ter sprake kwam. Zo moet Huizinga’s Nederlands Geestesmerk niet gelezen worden als een poging tot natuurgetrouwe weergave van de sentimenten van de Nederlandse bevolking. Het is een subjectief, opiniërend artikel, een moreel appèl. Meer een beschrijving van hoe de Nederlandse identiteit zou moeten zijn, dan hoe die werkelijk werd beleefd. Onder de dreiging van het communisme en het fascisme prees Huizinga juist die waarden die Nederland zouden moeten beschutten tegen politiek extremisme. Deze waarden werden door hem ondergebracht bij het burgerlijk karakter, wat in zijn ogen de lijm was die Nederland bij elkaar hield: ‘Of we nu hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van de notaris tot de dichter en van de baron tot de proletariër.’
Het burgerlijk ideaal van Huizinga werd echter verre van breed gedragen, het was eerder een uitloper van een langlopende campagne van de liberale elite om de natie te vormen naar haar eigen evenbeeld. De historicus Henk ten Velde beschrijft dit beschavingsoffensief op verhelderende wijze: ‘In een land zonder een onafhankelijke, machtige aristocratie, vormde de hogere middenklasse de elite. In de negentiende eeuw zag deze elite zich als de personificatie van de nationale traditie – gezien als tolerant en liberaal – en wilde het volk verheffen. Deze verheffing betekende het bij het volk instampen van de nationale waardes: volgens de hogere middenklasse, waren dit de waardes van de serieuze, verantwoordelijke, degelijke en ruimdenkende burger. Hiervan uitgesloten waren het fanatieke Calvinisme, laat staan het zuidelijke Katholicisme of het revolutionaire socialisme. De emancipatoire bewegingen van de lagere middenklasse en de lagere klassen die deze ideologieën belichaamden werden gezien als een bedreiging van de nationale traditie en een mogelijke aanleiding tot de desintegratie van het vaderland.’

DEZE LIBERALE BURGERLIJKHEID was dus niet zonder tegenhangers. Een voorbeeld is Abraham Kuyper die de orthodoxe lagere middenklasse uitriep tot de spil waarom de natie draaide. Het is niet ver verwijderd van de huidige ‘clash der nationalismen’, waar het de kleine ondernemers zijn die door Rita Verdonk en Geert Wilders worden gemobiliseerd om zich teweer te stellen tegen de ‘subsidieslurpende grachtengordelelite’. De opkomst van Fortuyn was daarmee geen ‘opstand der burgers’, maar eerder een opstand tegen het burger-zijn, een opstand tegen de burgervaders, een opstand tegen de burgerlijke identiteit en de liberale invulling die zij middels een lange voorgeschiedenis heeft verkregen.
Slaat men de standaardwerken van historici als Simon Schama en Jonathan Israel erop na, dan komt men erachter dat de Nederlandse geschiedenis sinds het prille ontstaan van de Republiek in het teken staat van een culturele klassenoorlog. Een conflict met aan de ene kant de kosmopolitische, burgerlijke en liberale elite, het regentendom gepersonifieerd door figuren als Johan van Oldebarnevelt en Johan de Witt, gericht op consensus, machtsdeling en onderhandeling. Aan de andere kant de meer op conflict georiënteerde, openlijk nationalistische, oranjegezinde, calvinistische lagere middenklasse, met haar beroep op flinkheid, haar vriend-vijanddenken en het geloof in de sterke man, de stadhouder.
Het is dit culturele conflict dat aan de basis ligt van die andere twee spectaculaire politieke moorden die een centrale plaats verdienen in de galerij van wreedheden uit de Nederlandse geschiedenis: de brute terechtstelling van Johan van Oldebarnevelt, op 71-jarige leeftijd, door Prins Maurits, en de publieke lynchpartij van Johan de Witt, door een woedende massa, in het rampjaar 1672, waarna zijn uitgerukte hart nog enige tijd publiekelijk werd uitgestald, naast dat van zijn broer. Hier was het de onzichtbare hand van Willem III die door historici als organiserende kracht werd gezien.
Als een historische golfbeweging herhaalt deze strijd tegen het regentendom zich telkens opnieuw, in telkens andere gedaanten, in perioden van crisis of vernieuwing. Zij kan even goed naar links of naar rechts worden gearticuleerd. In de jaren zestig was het Nieuw-Links dat stelling nam tegen de regenteske VOC-mentaliteit die het volk zou ‘koloniseren’. Harry Mulisch’ stelde toen nog in zijn magistrale boekje De Rattenkoning dat ‘vrijwel iedere Nederlander, die een leidende positie bereikt, onmiddellijk de regentenmentaliteit vertoont – en dan moet men inderdaad veronderstellen, dat hij haar uitsluitend bereikte omdat hij die mentaliteit al vertoonde.’ Zijn woorden lijken van voorspellende waarde voor het lot van zijn eigen generatie, want nu worden door auteurs als Couwenberg en Schoo juist de babyboomers – de generatie van Nederland Gidsland – weggezet als een zelfgenoegzame regentenklasse. En de geschiedenis gaat voort. Was het tenslotte niet Melkert die in zijn confrontatie met Fortuyn de collectieve afschuw van het grote publiek over zich kreeg uitgestort, onder de beschuldiging dat hij een ‘cynische regent’ was?

INTERESSANT GENOEG melden degenen die het populisme bestudeerd hebben, zoals politiek filosoof Ernesto Laclau, dat de kern van het populisme draait om de herdefiniëring van het volk, en daarmee om het op de korrel nemen van de dominante conceptie van nationale identiteit. Tegelijkertijd stelt hij ook dat het de essentie van de politiek is, tout court. Het conflict om de staat uit zich als een conflict om de natie. Wat is de identiteit van de politieke gemeenschap, in wiens naam worden beslissingen genomen? Zoals de Franse filosoof Claude Lefort stelt is de onderscheidende waarde van een democratie ten opzichte van een totalitair systeem dat de plaats van de macht altijd leeg blijft, en onderwerp van conflict: ‘De democratie is de enige samenlevingsvorm die het onophefbare sociale conflict dat aan de basis van elke maatschappij ligt, erkent. Meer nog, ze leeft van dat conflict. Het is haar bron van energie en vernieuwing. De conflictualiteit kan in een democratie noch worden opgeheven, noch te boven gekomen.’
Net zo goed als dat democratie is gebaseerd op een leegte, zal de Nederlandse identiteit nooit zomaar ‘gevonden’ kunnen worden. Wat niet betekent dat de Nederlandse identiteit niet bestaat, zoals het GroenLinks-programma vermeldt; dat is de keizer zonder kleren. Het is duidelijk dat de Nederlandse identiteit bestaat, maar altijd als een terrein van conflict. De rol van het Nationaal Historisch Museum, discussies over chronologie en postmodernisme daargelaten, zou kunnen zijn om juist het eeuwenoude getouwtrek over de Nederlandse identiteit zichtbaar te maken. Van de mythische geschiedenis der Batavieren en het gebruik van de bijbelse Exodus-vertelling ter legitimering van de revolte tegen het Spaanse juk, van het pamflet Aan het Volk van Nederland dat de geschiedenis in dienst stelde van de patriotten, tot de schizofrene geschiedschrijving in de verzuiling. De geschiedenis wordt altijd voor de kar gespannen van de politiek. Laten we de politieke aard van de Nederlandse geschiedenis en de nationale identiteit niet begraven onder de verstikking van een nieuwe consensus. Het zich eindeloos voortslepende gebekvecht over het Nationaal Historisch Museum staat midden in de Nederlandse traditie.