De nationaal-liberale gevarendriehoek

Milton Friedman *31 juli 1912
Jeane Kirkpatrick *19 november 1926
Augusto Pinochet * 25 november 1915

Met zijn voorliefde voor uniformen met rode kragen, grote donkere zonnebrillen, gelakte zwarte laarzen en zo nu en dan zelfs een cape, toonde Augusto Pinochet de wereld een Latijnse kitschversie van de Europese fascisten van enkele decennia eerder. Een typische dictator, zo leek het. Maar dat was hij niet. Op een belangrijk punt onderscheidde Pinochet zich van zijn gelaarsde collega’s in de rest van de wereld. Terwijl die voor de consolidatie van hun macht het overheidsapparaat uitbreidden, concentreerde de Chileense despoot zich louter op het veiligheidsapparaat. De economie was een zaak van particulieren, niet van de staat. Pinochet was geen nationaal-socialist, maar een nationaal-liberaal, waarbij het containerbegrip ‘liberaal’ op de economie slaat. Zijn bewind was autoritair, zoals de meeste rechtse dictaturen. Maar dat van hem werd ook nog eens gekenmerkt door een, zeker voor die tijd, ongewone laissez faire- benadering van de economie.

In zijn zoektocht naar de ultieme antithese van het marxistisch leninisme was hij uitgekomen bij de Amerikaanse econoom Milton Friedman, de monetarist en afvallige keynesiaan die bij het grote publiek bekend werd door zijn boek Capitalism and Freedom (1962) en door zijn televisiepraatjes, die in Amerika werden uitgezonden onder de titel Free to Choose. Deze intelligente en spitsvondige Nobelprijswinnaar hamerde voortdurend op hetzelfde aambeeld: de meeste maatschappelijke problemen zijn slechts op te lossen door de economische, politieke en zelfs morele principes van de vrije markt.

In de VS kreeg Friedman onder zijn uitdijende groep fans het etiket ‘vrijheidsstrijder’. Dat label dankte hij niet alleen aan zijn zucht iedere menselijke onderneming te privatiseren, maar ook aan zijn rol in de afschaffing van de dienstplicht (‘gelegaliseerde ontvoering’) en zijn steun voor de legalisering van drugs en prostitutie. Het wereldwijd verspreide Britse weekblad The Economist, waarvan de redacteuren consequent internationale vrijhandel en een neoliberale economische politiek steunen, kopte bij Friedmans verscheiden afgelopen november op de omslag: ‘How Milton Freed Man’. Het hoofdcommentaar stelde kordaat dat Friedman nog niet genoeg mensen had bevrijd. Zijn invloed was tanende en daar liet het blad graag een traan om.

Maar Friedmans vrijheidsliefde moet niet al te politiek worden opgevat. De liefde weerhield hem er niet van in te gaan op Pinochets uitnodiging zijn regering te adviseren. Tijdens zijn bezoek aan Chili, in 1974, was inmiddels duidelijk dat Pinochet alleen door zijn eigen bevolking op gigantische schaal te terroriseren een jaar eerder een einde had weten te maken aan het democratisch marxistische experiment van Salvador Allende. Om de omvang daarvan te schetsen: in de jaren negentig concludeerde een Chileens overheidsrapport, na het raadplegen van meer dan dertigduizend getuigen, dat Pinochets junta 3197 mensen had laten ombrengen. Nog eens 29.000 Chilenen waren slachtoffer geweest van de meest gruwelijke martelingen.

Meer dan de helft van deze gruweldaden geschiedde direct na zijn staatsgreep, toen Friedman in een gesprek met Pinochet tot zijn blijde verrassing ontdekte dat de dictator, ‘heel sympathiek’, zich ‘aangetrokken voelde tot het idee van een shock treatment’. Omdat er geen sprake was van stroperige democratische besluitvorming konden Friedman en zijn leerlingen het land gebruiken als laboratorium voor hun ideeën. Het ontbreken van democratische rechtsbeginselen en het gebrek aan respect voor mensenrechten namen de vrijheidsstrijders uit Chicago op de koop toe. Friedmans geestverwant en collega-Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek was even verrukt over dit vooruitzicht. Hij verklaarde tegen een Chileense interviewer: ‘Mijn persoonlijke voorkeur gaat eerder uit naar een liberale dictatuur dan naar democratie zonder liberalisme.’

In democratieën kunnen mensen voortdurend kiezen voor hun eigen onvrijheid; voor hoge belastingen en uitkeringen, voor moeilijke vestigingsvoorwaarden voor buitenlandse bedrijven, voor nationalisatie van bedrijven, enzovoort. Kortom, de democratie laat burgers het recht om economisch oliedomme keuzes te maken die hen uiteindelijk, menen Friedman en Hayek, op ‘het pad naar slavernij’ voeren, zoals de titel luidt van Hayeks beroemdste boek.

Jaren later verklaarde Hayek nog eens in een brief aan de Londense Times: ‘Ik heb niet één Chileen gevonden die niet erkende dat de persoonlijke vrijheid onder Pinochet groter was dan onder Allende.’ Als je ergens in gelooft, moet je ook niet al te veel om je heen kijken.

Friedman, op zijn beurt, sprak in 1982, op het hoogtepunt van zijn roem, over ‘het Chileense wonder’. Hij moest wel, want nooit eerder was het gebeurd dat een economische theorie zo rigoureus werd ingevoerd als in het Chili onder Pinochet. 25 Chileense studenten van Friedman kregen hoge posities in de regering. Deze ‘Chicago Boys’ privatiseerden de eerder door Allende genationaliseerde bedrijven, evenals het pensioensysteem en de gezondheidszorg. Ook schaften ze alle invoerrechten af, subsidies, kapitaalcontroles, hinderende arbeidsmarktwetten en nagenoeg alle sociale wetgeving.

De bevolking heeft het geweten. Het radicale beleid stortte het land in twee gigantische depressies, in 1974-’75, toen het bruto binnenlands product met twaalf procent kromp, en in 1982-’83, toen het bbp vijftien procent daalde. De werkloosheid bedroeg intussen dertig procent. De koopkracht was 45 procent lager dan in 1970. Er zijn ‘fouten’ gemaakt, zo erkende zelfs The Economist in de necrologie van de dictator.

Tegelijk is het waar dat er in de perioden tussen de recessies prachtige groeicijfers werden geboekt. Ook is het opvallend dat Chili op dit moment als enig Zuid-Amerikaans land zich kan beroepen op een sterke economie, terwijl de sociaal-democraten die ook de laatste verkiezingen weer wonnen, lang niet alle ‘verworvenheden’ uit het nationaal-liberale tijdperk van Pinochet terug hebben gedraaid.

Zoals vaak is gememoreerd, hielp Amerika de Chileense militairen bij hun staatsgreep. Maar niet veel later kreeg Pinochet het toch moeilijk met de VS. Jimmy Carter was sinds 1976 aan de macht. Mensenrechten speelden opeens een belangrijke rol in de buitenlandse politiek. Tot ergernis van de Democrate Jeane Kirkpatrick, die zich met enkele collega’s verenigde in hun afkeer van de ‘slappe’ buitenlandse politiek. Met een tienduizendwoordenartikel in Commentary, destijds het lijfblad van de neoconservatieven, wekte Kirkpatrick in 1979 de belangstelling van de Republikeinse presidentskandidaat Ronald Reagan. Onder de titel ‘Dictatorships and Double Standards’ maakte Kirkpatrick een helder onderscheid tussen rechtse pro-Amerikaanse en linkse anti-Amerikaanse autoritaire regimes. ‘Traditionele autoritaire regeringen’, aldus Kirkpatrick, ‘zijn minder repressief dan revolutionaire autocratieën.’ Ze doelde daarbij niet op het aantal uitgetrokken teennagels of het aantal moorden dat de machthebbers op hun geweten hadden. Dat ontliep elkaar allemaal niet zo veel, beweerde ze. Nee, de gedachte was dat je onder rechtse dictators tenminste nog een ijscotent kon runnen en zelf je eigen economische toekomst kon bepalen, net als in Amerika. Het was een historische fout van de VS, zo schreef ze, om dictators als Somoza in Nicaragua of de sjah van Perzië niet tot het einde toe te steunen. Zolang zij de belangen van Amerika verdedigden, waren ze te prijzen.

‘Dit is ongelooflijk. Wie is deze kerel?’ zei Reagan nadat hij het artikel in één ruk had uitgelezen. De medewerker die hem het artikel te lezen had gegeven, gaf tekst en uitleg. Een jaar later stelde Reagan professor Kirkpatrick aan als zijn VN-ambassadeur. Vanaf dat moment kon Chili binnen de Verenigde Naties altijd rekenen op de steun van Amerika. Ook zou Kirkpatrick zich achter de schermen ontpoppen tot aanjager van de steun aan de contra’s in Nicaragua, ‘vrijheidsstrijders’ volgens Reagan.

Kirkpatrick zag zichzelf, net als Friedman, eveneens als een vrijheidsstrijder. Daar was geen greintje cynisme bij. Tot haar dood, afgelopen december, bleef ze verbonden aan het bekende Freedom House, een instelling die zich wereldwijd inzet voor de verspreiding van vrijheid. En in een interview in 1996 zei ze dat macht ‘niet alleen een basis vindt in geld en wapens, maar vooral in de kracht van een persoonlijke overtuiging’. In de Amerikaanse dagbladen van afgelopen maand wordt ze zelfs herdacht als de belangrijkste vrouwelijke strijder in de Koude Oorlog.

Niet wordt gememoreerd dat Kirkpatrick ongelijk heeft gekregen in haar belangrijkste leerstuk. Tenminste getalsmatig. Een van de grote verschillen tussen rechtse en linkse ondemocratische regimes, schreef ze nog voor ze haar positie bij de VN kreeg, was dat rechtse dictaturen gemakkelijker konden worden gedemocratiseerd dan linkse, al gaf ze toe dat een democratiseringsproject altijd moeilijk, zo niet onmogelijk is. Haar eigen ‘overwinning’ in de Koude Oorlog bewees haar ongelijk. Sinds 1989 hebben tientallen voormalig communistische landen de democratie geaccepteerd en soms zelfs omarmd. Op het westelijk halfrond lijkt alleen Castro haar nog altijd gelijk te geven.

Friedman geloofde iets soortgelijks als Kirkpatrick. Telkens als hij zich verdedigde voor zijn adviezen aan Pinochet, benadrukte hij dat economische vrijheid voorafgaat – en vooraf moet gaan – aan politieke vrijheid. Doordat Pinochet ‘meer ruimte gaf aan individueel initiatief dan Allende’, beweerde Friedman eens, ‘werd onder Pinochet de kans op een terugkeer naar een democratische samenleving groter dan onder (de democratisch gekozen – PvO) Allende’.

Kennelijk geloofde Pinochet dat na jaren zelf ook. Tot zijn stomme verbazing, zo verklapten zijn medewerkers, verloor hij het referendum over de voortzetting van zijn macht dat hij in 1990 had uitgeschreven. Hoe diep ‘de principes van de vrijheid’ er gedurende zijn zeventienjarige schrikbewind ook in waren geramd, de mensen waren nog altijd zo dom om op sociaal-democratische politici te stemmen.

Sindsdien groeit de Chileense economie twee keer zo snel als het Zuid-Amerikaanse gemiddelde. Ook het armoedecijfer is sinds 1990 gehalveerd. De democratie is sterk. Eerder dit jaar werd er opnieuw een socialistische president gekozen, Michelle Bachelet, die nog heeft geleden onder Pinochets ‘vrije’ politiestaat.

Voor Kirkpatrick waren landen vrij als ze openlijk het vrije Amerika steunden. Voor Friedman waren ze vrij als ze invoerrechten afschaften en de binnenlandse markt liberaliseerden, wanneer, met andere woorden, iedereen de vrijheid genoot een bedrijfje te beginnen. Dit waren de vrijheden die een man als Pinochet zonder morren wilde verdedigen. Sterker, zolang de persvrijheid en de vrijheid zich politiek te organiseren maar waren uitgebannen, zag hij er geen been in voor deze vrijheden te folteren.

Martelen ter verdediging van de vrijheid. Al zijn deze drie hoofdrolspelers inmiddels dood, het fenomeen leeft voort.

Milton Friedman 16 november 2006

Jeane Kirkpatrick 7 december 2006

Augusto Pinochet 10 december 2006