Hoe multicultureel zijn we, of zijn we geweest?

De nationale boksbal

Al sinds de jaren negentig vindt in Nederland een rituele dans plaats waarbij het multiculturalisme steeds opnieuw bekritiseerd, afgewezen en (vanaf nu echt!) in de ban gedaan wordt. Maar wel beschouwd heeft Nederland nooit een sterk multicultureel beleid voor migranten gekend.

Er zijn tegenwoordig nog maar weinig Europeanen die zichzelf zonder ironie omschrijven als ‘multiculturalist’. De associaties zijn dan ook niet mals. Sommigen moeten bij de term denken aan kneuterige bewierokingen van diversiteit. Anderen vrezen problematische ‘parallelle samenlevingen’ of erger nog, toenemend terrorisme of het op cultuurrelativistische gronden toestaan van vrouwenbesnijdenis.

Vrijwel alle Europese politiek leiders deden ‘het multiculturalisme’ dan ook in de ban. Zo was premier Mark Rutte eigenlijk late to the party, toen hij tijdens zijn Zomergasten-interview in 2016 opmerkte dat hij het woord ‘haat’. Veel Europese leiders zoals Angela Merkel, Nicolas Sarkozy en David Cameron hadden al in 2011 opgemerkt dat het multiculturalisme ‘mislukt’ was. En ook deze politici waren niet meer bijster origineel, want zij deden hun uitspraken in het kielzog van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat in 2008 in een veelbesproken White Paper afrekende met het multiculturalisme. Het Comité schreef dat een strategie van ‘interculturalisme’ te prefereren valt in Europa, omdat multiculturalisme leidt tot wederzijds onbegrip en bijdraagt aan de ondermijning van rechten.

Ook binnen de Europese wetenschap is de term ‘multiculturalisme’ behoorlijk uitgerangeerd: onderzoek dat zich richt op uitdagingen van migratiesamenlevingen concentreren zich nu vooral op ‘diversiteits-’ of ‘integratievraagstukken’ en neemt ‘gelijkwaardig burgerschap’ als uitgangspunt. Tegelijkertijd maakte in de afgelopen decennia een toenemend aantal nieuwe concepten furore in de academie, zoals het genoemde ‘interculturalisme’ maar ook ‘superdiversiteit’. Vrijwel niemand wil in de bres springen voor het woord ‘multiculturalisme’. Dat is ter ziele gegaan, lijkt de consensus. Next.

Is dit erg? Tot op zekere hoogte is dit natuurlijk een saaie vraag. Het publieke debat (en ook wetenschap, soms) gaat steeds vaker op een vreemdsoortig felle manier over terminologie. En dat terwijl niet iedereen altijd hetzelfde bedoelt met bepaalde woorden, en de onderliggende thema’s behoorlijk hetzelfde blijven. Toch lijkt het nodig ‘het multiculturalisme’ nog een keer onder de loep te nemen. Reden: het multiculturalisme houdt Nederland nog altijd in een ijzeren greep. Tenminste, daar lijkt het op, als we het Nederlandse politieke debat en de media volgen.

Het zal misschien weinig verbazen dat in vrijwel ieder verkiezingsspotje van anti-immigratiepartijen als de pvv en Forum voor Democratie het woord multiculturalisme terugkomt en wordt omschreven als een van de grootste bedreigingen van Nederland anno nu. Maar opvallender is dat ook politici van traditionele middenpartijen zoals het cda, de vvd, SP en pvda zich, als het even kan, distantiëren van de ‘multi-culti’-benadering. Of het nu de H.J. Schoo-lezing, een Kamerdebat over integratie of een item bij Jinek of Pauw is, een inmiddels bekend riedeltje klinkt: aanvankelijk koos Nederland (of ‘de Nederlandse elite’) voor een softe multiculturele aanpak, maar inmiddels dient het einde van dit model te worden ingeluid. Nederland moet op een andere manier met integratie omgaan.

De gemiddelde krantencolumn klinkt niet anders. Het is nauwelijks overdreven om te stellen dat er wekelijks een column te vinden is in vrijwel ieder dag- en weekblad waarin de gevaren en het falen van ‘het multiculturalisme’ worden aangestipt. Steeds opnieuw wordt het omschreven als een verzengende politiek correcte ideologie die de overheid en het publieke debat beheerst. De twee algemene delers die aan het multiculturalisme worden toegedicht zijn dat het een relativistisch en censurerend project van (vooral) ‘links’ is, en dat het ‘onze’ fundamentele waarden, belangen en cultuur steeds verder afkalft. En niemand mag er iets van zeggen, of doet er iets aan.

***

Dit roept de vraag op wat het multiculturalisme precies is. En hoe kan het nog zo invloedrijk zijn? Binnen discussies over multiculturalisme wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen multiculturalisme als feit en als beleid. Multiculturalisme als feit houdt de empirische constatering in dat er in een land burgers met verschillende culturen leven. Hoewel vvd-minister Blok ook deze variant vorig jaar als inherent problematisch omschreef, wordt meestal benadrukt dat descriptieve multiculturaliteit in principe geen probleem is. Feitelijke diversiteit is zo oud als de mensheid zelf. De wrevel ontstaat rondom multiculturaliteit als beleid, dat als doel heeft de culturele verscheidenheid tussen groepen burgers te erkennen en te accommoderen.

Deze variant van het multiculturalisme deed zijn intrede in de jaren zestig in Canada en Australië. In Canada, bijvoorbeeld, startte de discussie aanvankelijk vanwege de moeilijke verhouding tussen de Frans- en Engelstalige regio’s, maar al in 1971 besloot het land het multiculturalisme in brede zin vast te leggen in de grondwet en in de Canadian Multiculturalism Act. In de tweede helft van de vorige eeuw kwamen ook in West-Europese landen multiculturele vragen steeds prominenter op tafel te liggen: moeten migranten de taal leren? Mogen ze dubbele paspoorten hebben? In hoeverre mogen ze hun eigen identiteit behouden? Moet de nationale identiteit culturele homogeniteit of diversiteit promoten?

Academische discussies over multiculturalisme (als beleid) kwamen pas in de jaren negentig echt op stoom. Daarin wordt steevast een onderscheid gemaakt tussen ‘nationale minderheden’ en ‘immigrantengroepen’. Bij nationale minderheden moeten we denken aan native Americans in de VS, of Aboriginals in Australië, maar ook Catalanen in Spanje en Duitstaligen in Italië. Het gaat om groepen die (min of meer) territoriaal geconcentreerd zijn, een taal en cultuur delen en historisch deel uitmaken van het land. Veel multiculturalisten, zoals Canadese denkers als Will Kymlicka en Charles Taylor, bepleiten dat het rechtvaardig is dat dit soort groepen minderheidsrechten krijgen, zoals territoriale rechten, een mate van politieke zelfbeschikking en dat hun taal wordt erkend als officiële taal.

Hoewel het precieze pakket van minderheidsrechten dat een nationale minderheid toekomt per historische context verschilt, staat dit type multiculturalisme niet ter discussie. Ook in Nederland lijkt men haast vergeten dat de institutionele regelingen voor de Friezen een voorbeeld van geslaagd multicultureel beleid zijn te noemen. Friezen zijn de (enige) erkende nationale minderheid in ons land, met onder meer taalrechten en verschillende Friese Raden.

Verhitte discussies over het multiculturalisme ontstaan als het gaat over multicultureel beleid voor migrantengroepen. Voor deze groepen wordt nooit gepleit voor groepsrechten die hun territoriale of politieke autonomie zouden geven. In plaats daarvan stellen voorstanders van multiculturalisme dat naast de meerderheidscultuur óók de culturen van migranten erkend moeten worden. In lijstjes die turven hoe multiculturalistisch landen in dit opzicht zijn, worden beleidsopties genoemd als: het opnemen van een ‘multicultureel curriculum’ in scholen (dus dat er ook lessen moeten zijn over de culturen van aanwezige migranten en hun kinderen), positieve discriminatie, uitzonderingen op kledingvoorschriften en beschikbaar publiek geld voor etnische en culturele organisaties, activiteiten en adviesraden.

Mensenrechten? Naïef! Vrijheid van meningsuiting voor Nederlandse moslims? Cultuurrelativisme!

Het doel van multicultureel beleid voor migrantengroepen is succesvolle integratie in de bredere maatschappij, niet afzondering. Als we bijvoorbeeld kijken naar het hedendaagse Canada biedt dit land migranten de ruimte om hun cultuur te behouden en te vieren, maar vraagt hun ook Canadees te worden, Engels of Frans te leren en zich aan de grondwet te houden. Het oogmerk is niet om culturele en etnische enclaves op te zetten. En moreel relativistisch is het ook niet, want het gaat om het beschermen van waarden zoals gelijke kansen en gelijkwaardig burgerschap voor iedereen.

***

Het is natuurlijk mogelijk dat in de praktijk multicultureel beleid niet leidt tot integratie maar tot segregatie, hoewel het anders belooft. Zo helpt het natuurlijk niet als illiberale of extremistisch-religieuze clubs publiek geld krijgen voor allerlei activiteiten. In theorie is dit ook niet de bedoeling. Zo onderscheidt Kymlicka in zijn werk het verschil tussen ‘externe bescherming’ van culturen en ‘interne restricties’ binnen culturen, waarbij hij bepleit dat multicultureel beleid culturen ‘extern’ dient te beschermen tegen marginalisatie maar dat daarbij ‘intern’ de fundamentele grondrechten van burgers niet aangetast mogen worden. Multicultureel beleid gebaseerd op dit idee, en zoals ingevoerd in Canada, bevordert dus uitsluitend culturele erkenning binnen de kaders van de grondwet en mensenrechten (en laat geen ruimte voor zaken als uithuwelijking en vrouwenbesnijdenis). Dit moderne multiculturalisme zet zich daarmee af tegen vormen van verzuilde tolerantie zoals historisch onder meer voorkwam in het Ottomaanse Rijk, waarin er geen overkoepelende fundamentele rechten bestonden en streng religieuze regelstelsels golden binnen groepen.

Een veel genoemd nadeel van multicultureel beleid is dat het rust op een star en essentialistisch perspectief op wat een ‘cultuur’ is. Waarom zouden, bijvoorbeeld, de Surinaamse, Friese en Marokkaanse cultuur wél vormen van accommodatie verdienen, maar, zeg, gothics, Brabanders en antroposofen niet? Er zijn meer pluriforme systemen van accommodatie denkbaar. Ten tweede bestaat er in de academische filosofie een stroming binnen het multiculturalisme die de nadruk legt op het belang van de ‘erkenning’ van culturele achtergronden, zonder dat specifieke beleidsopties worden besproken. Deze theorieën maken rechtvaardigheid vaak (te) sterk afhankelijk van de subjectieve psychologische toestanden van groepen: het gaat sterk over wanneer mensen zich erkend voelen. De implicaties van deze theorieën blijven soms wat vaag – wat moet er nu precies gebeuren? Tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat het lastig leven is voor een minderheid als deze structureel wordt uitgejouwd door de rest van de samenleving.

Tot slot is er veel geschreven over de vraag of multiculturalisme slecht uitpakt voor vrouwen. Zo schreef Susan Moller Okin in 1999 een invloedrijk essay waarin zij haar zorgen uitsprak over het beschermen van minderheidsculturen, omdat deze er vaak patriarchale opvattingen en praktijken op nahouden, vooral bij familiaire aangelegenheden als het huwelijk, scheiding en erfenissen. En ook als deze praktijken (net) binnen de grenzen van de grondwet blijven, draagt dit bij aan onderdrukking. Om deze reden zouden overheden minderheidsculturen niet moeten steunen, stelt Okin: voor veel vrouwen zou het beter zijn als (vaak meer conservatieve) minderheidsculturen niet gepreserveerd blijven, maar langzaam oplossen in de (vaak) meer liberale meerderheidscultuur.

Dit is een belangrijk punt, dat aan meer raakt dan aan multicultureel beleid. Als we de kritiek van Okin doortrekken doemt bijvoorbeeld de vraag op of godsdienstvrijheid niet ook slecht uitpakt voor vrouwen (wat al zo was voor het multiculturalisme in de jaren zestig opkwam, en zo zal blijven als het is afgeschaft). Niettemin kan multicultureel beleid zoals het in Canada bestaat dan nog steeds als extra nadelig worden gezien, omdat de multiculturele staat niet alleen grondrechten beschermt maar culturen expliciet steunt en viert, ook als zij onderdrukkende structuren kennen. >

***

De voor- en nadelen van het multiculturalisme als beleid verdienen dus gedegen debat. Maar nu terug naar de vraag of, en hoe, het multiculturalisme Nederland in zijn greep houdt. Hoe multicultureel zijn we, of zijn we geweest? Het antwoord op deze vraag ligt genuanceerd. Zo is de oprichting van islamitische scholen in Nederland mogelijk gemaakt door de pacificatie en de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1917, niet door een keus voor een multiculturele beleidsoptie. Als we inzoomen op specifiek multicultureel beleid, dan tonen statistieken dat Nederland in de tweede helft van de vorige eeuw meer multiculturalistisch was dan nu: er was budget voor culturele en etnische clubs, de publieke omroep kende de Nederlandse Moslim Omroep en Organisatie Hindoe Media, en in de jaren tachtig kregen de kinderen van gastarbeiders (soms) Turkse en Marokkaanse taallessen op basisscholen.

Toch stelt Maarten Vink, hoogleraar politieke sociologie, dat het een ‘mythe’ is dat Nederland ooit een baken van multicultureel beleid voor migranten was, met als doel het creëren van een islamitische zuil. In het naoorlogse Nederland werd wel gesproken over ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ nadat de gastarbeiders arriveerden en de familiehereniging op gang kwam, maar dit was volgens Vink vooral een excuus van de overheid om géén integratiebeleid in te voeren. Anders gezegd, de frase dat migranten hun identiteit mochten behouden werd vooral ingezet om een gebrek aan actie van de overheid te rechtvaardigen, niet om de culturele identiteit van nieuwkomers te erkennen.

Ook Jan-Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie, onderschrijft dat het gebruikelijke beeld dat Nederland ooit een coherent multicultureel beleid had als strategie om met migratie om te gaan nergens op gebaseerd is. Als er al maatregelen waren, werden deze ad hoc ingevoerd en ook weer afgeschaft. Zo waren er in de jaren tachtig inderdaad Turkse en Marokkaanse taallessen (maximaal vijf uur per week) op Nederlandse scholen. Maar het idee achter die lessen was nooit om diversiteit een vaste plek te geven in het onderwijs. Soms werden de lessen verdedigd met het argument dat die kinderen weer zouden vertrekken en daarom hun eigen taal moesten spreken, anderen stelden dat zij sneller Nederlands zouden leren als zij eerst hun moedertaal goed spraken. Al met al heeft Nederland nooit een doordacht en samenhangend multicultureel beleid gevoerd, als het aankomt op beleid voor migrantengroepen.

Duyvendak merkt daarbij op dat het huidige frame dat Nederland multicultureel beleid gekend heeft vooral een politiek doel dient. En dit doel is dat de afschaffing van het multiculturalisme wordt gepresenteerd als een noodzakelijk breekpunt met een (niet bestaand) verleden, dat heeft aangetoond dat een meer strenge en assimilerende omgang met migranten gelegitimeerd en vereist is. Ook internationaal gezien is dit een interessante observatie: zo bleef het niet onopgemerkt dat toen Merkel en Sarkozy het multiculturalisme afserveerden Duitsland en Frankrijk geen multicultureel beleid kenden. En in het Verenigd Koninkrijk veranderde er na de afzwering van het multiculturalisme door Cameron ook weinig: het VK kent traditioneel vrij veel multicultureel beleid – het hebben van meerdere nationaliteiten is toegestaan, er is publiek budget voor etnische clubs, kledingvoorschriften zijn relatief flexibel – en dat bleef zo, en sinds 2010 zijn daar extra vormen van positieve discriminatie aan toegevoegd.

***

Er bestaat dus nauwelijks een link tussen het feitelijke multiculturele beleid dat Europese landen al dan niet hebben en hun retorische omgang met de term ‘multiculturalisme’. In Nederland merkte filosoof Baukje Prins dit al op in 2002 toen zij, vlak na de moord op Pim Fortuyn, schreef over ‘een toenemende aantrekkingskracht van een specifiek genre van spreken dat geleidelijk het Nederlandse publieke debat over de multiculturele samenleving is gaan overheersen’. Dit genre noemt zij ‘het nieuw realisme’ en vvd-leider Frits Bolkestein wijst zij aan als een belangrijke instigator ervan in het begin van de jaren negentig. Prins omschrijft dat ‘nieuw realisten’ zich presenteren met dat zij over ‘ongemakkelijke waarheden’ spreken maar dat de tijd van ‘taboes’ voorbij is. Om deze reden tonen zij de ‘moed’, vaak expliciet omdat zij willen opkomen voor ‘de gewone man’, door nuchter naar de feiten van de multiculturele samenleving te kijken, zonder verblind te zijn door politiek correcte ideeën. Tot besluit, schrijft Prins, benadrukken nieuw realisten dat ‘links’ met haar multiculturalisme liberale beginselen heeft verkwanseld en dat het ‘cultuurrelativisme’ nu baan moet maken voor een meer restrictief integratiebeleid.

In het post-multiculturele tijdperk staat het halve land al op zijn achterste benen als de politie mee-eet bij een iftar

Het valt op dat de tekst van Prins, geschreven aan het begin van deze eeuw, met minimale aanpassingen vandaag opnieuw gepubliceerd zou kunnen worden. Als we haar analyse meenemen, is Nederland dus al bijna dertig jaar bezig met een rituele dans waarbij het multiculturalisme steeds opnieuw bekritiseerd, afgewezen en (vanaf nu echt!) in de ban gedaan wordt. Maar wat zijn de precieze gevolgen van deze eindeloze herhaling, als we in ogenschouw nemen dat Nederland nooit sterk en samenhangend multicultureel beleid voor migranten heeft gekend? De enkele splinters beleid die ons land had, lagen in de jaren negentig al onder vuur, dus het zou verbazingwekkend als we er nog altijd onder gebukt gaan. Hebben die subsidies voor etnische clubs en die handvol taallessen op scholen in de jaren zeventig en tachtig zulke lange sporen achtergelaten?

Het nieuw realisme heeft in ieder geval een grote invloed gehad: zelfverklaarde multiculturalisten zijn in Europa nog met een lichtje te zoeken. Ook de Nederlandse politiek en media leken de afgelopen twintig jaar een rij dominostenen, waarbij iedereen toekeek hoe steeds meer stemmen het discours van het nieuw realisme overnamen. Daarbij heeft Nederland sinds 1998 stapsgewijs uitzonderlijk restrictief, en voor migranten prijzig, inburgeringsbeleid ingevoerd, dat steevast verdedigd werd als het broodnodige alternatief voor het afgeschafte multiculturalisme. Inmiddels hebben meerdere wetenschappelijke studies, de Nationale Ombudsman en een recente wetsevaluatie geconstateerd dat dit beleid volledig geflopt is. Het staat op gespannen voet met Europees recht en is vooral gebaseerd op ideologie (‘wij zijn vanaf nu streng voor migranten’) in plaats van dat het beleid de participatie van nieuwe Nederlanders ondersteunt.

Opvallend hierbij is overigens dat multicultureel beleid en inburgerings- en integratebeleid helemaal geen alternatieven vormen. Als we nogmaals naar Canada kijken, vult dit land multicultureel beleid juist aan met gedegen integratiebeleid voor migranten, zoals het (verplicht) kennis aanbieden van de taal, de grondwet en praktische en historische informatie over Canada. Dit brengt ons terug bij de vraag: wat betekent de inmiddels decennialange discursieve afschaffing van het multiculturalisme nu precies?

***

In 1997 sprak journalist Anil Ramdas de Socrateslezing over het multiculturalisme uit, die destijds werd gepubliceerd in De Groene Amsterdammer. Hij stond stil bij het Nederlandse ‘dogma’ dat ‘eerlijkheid boven beleefdheid moest gaan’, dat volgens hem vooral een schaamlap was om hardop onbeleefdheden te uiten, zoals ‘moslims komen uit een achterlijke cultuur en moeten zich klakkeloos aanpassen aan onze hogere beschaving en anders teruggaan naar waar ze vandaan komen’. Nu, een dikke twintig jaar later, bleek zijn intuïtie terecht, hoewel ‘onbeleefdheden’ misschien niet de meest precieze woordkeus was.

Het afschaffen van het multiculturalisme is in een kwart eeuw verworden tot een merkwaardige variant van de nietzscheaanse Eeuwige Wederkeer, die op een eigen manier het heden steeds opnieuw urgentie geeft. Het is een noodzakelijke retorische inleiding, die ruimte creëert voor steeds meer verregaande voorstellen op het gebied van immigratie, integratie en diversiteit. Het multiculturalisme wordt gepresenteerd als de eeuwige rottende pit onder Nederland, die aanhoudend verregaande tegenmaatregelen legitimeert. Het is de nationale boksbal, die constant rond geduwd kan worden omdat hij geen enkele bondgenoot kent. En omdat het ambigu blijft wat dit invloedrijke ‘multiculturalisme’ precies is, vallen gaandeweg steeds meer discussies onder de paraplu van de term. Mensenrechten en vluchtelingenrecht? Naïef! Godsdienstvrijheid of vrijheid van meningsuiting voor Nederlandse moslims? Cultuurrelativisme! Streven naar diversiteit binnen de media, rechterlijke macht en universiteiten? Links!

Het repetitief beëindigen van het multiculturalisme is daarmee een machtsvertoon geworden, waarbij impliciet wordt benadrukt dat de meerderheidscultuur in Nederland de maatschappij niet (meer) hoeft te delen met minderheidsculturen. Het heeft niets meer te maken met het redelijk afwegen van voor- en nadelen van beleidsopties. En de geest is al behoorlijk uit de fles. In het postmulticulturele tijdperk staat het halve land al op zijn achterste benen als de politie een keer mee-eet bij een iftar, de maaltijd waarmee moslims het vasten doorbreken tijdens de ramadan. ‘Daar gáán onze cultuur en waarden!’

Dit werpt ook nieuw licht op de opkomst van termen als ‘interculturaliteit’ of ‘superdiversiteit’. Instituties, politici en wetenschappers die deze termen bezigen, zijn overduidelijk ‘pro-diversiteit’ in brede zin, en zullen de huidige dominante anti-multiculturalismediscoursen in Europa ongetwijfeld problematisch vinden. De meesten lijken echter te accepteren dat het woord ‘multiculturalisme’ het geslachte zwarte schaap is, opgeofferd in reactie op de bredere onvrede in Europa over migratie in de tweede helft van de twintigste eeuw. Vanuit dit perspectief is de keuze voor alternatieve woorden, onder meer door de Raad van Europa, boeiend: wat nu als het nieuwe labels voor multiculturalisme zijn? De keuze voor een nieuwe ‘pro-diversiteit’-term vormt daarmee het antwoord op de vraag hoeveel politiek wisselgeld men wil inzetten voor een verloren woord. De tijd en energie om te betwisten dat we niet werkelijk in een postmulticulturele fase zitten, kan bespaard blijven als er onder een nieuwe vlag verder gestreden wordt.

Toch wringt de schoen. Het is niet zo simpel dat met oude wijn in nieuwe zakken op oude voet aandacht kan worden gevraagd voor inclusiviteit en gelijkheid. Het verhaal dat Nederland eerst multicultureel beleid had maar nu realistisch is geworden, is inmiddels zo gangbaar dat het haast een vast onderdeel is van een nieuwe nationale identiteit. Maar als het onbetwist blijft dat dit een verdraaiing van de recente Nederlandse geschiedenis betreft, laten alle pro-diversiteitstemmen in Nederland zich meteen in de verdediging drukken.

De waarheid is dat Nederland nooit kwalitatief hoogstaand beleid heeft gehad om met het opvangen van migratie om te gaan, en dat het tijd is daar eens constructiever over na te gaan denken, zónder dat we grondwettelijke normen en fundamentele rechten op de tocht zetten. Dit betekent niet dat Nederland een tweede Canada moet worden. Maar het slaat nergens op hun multiculturalisme als gevaarlijk of moreel relativistisch te omschrijven. Sterker nog, Nederland kan waarschijnlijk best wat leren van de Canadese vorm van inclusief nationalisme dat diversiteit binnen de grondwet omarmt.

Het is voor nu de vraag hoe lang de ‘taboedoorbrekers’ die dapper strijden tegen het multiculturalisme hun aantrekkingskracht kunnen behouden. Ze zitten stevig in het zadel, maar nog even en dit discours is veertig jaar oud; het kan haast niet anders dan dat het iets sleets en stoffigs gaat krijgen. Bovendien rust er iets paradoxaals in dat rechts-conservatieve partijen die het nieuw realisme inmiddels onverbloemd uitdragen (tegen ‘links’) juist aan de macht waren de afgelopen decennia. Dit maakt hun verhaal dat de multiculturalisten tot de dag van vandaag Nederland in een houdgreep houden steeds onwaarschijnlijker: logischerwijs zouden de huidige ‘problemen’ met diversiteit eerder het resultaat van hun beleid moeten zijn dan van vermeend multicultureel beleid ergens in de vorige eeuw.

Dit kan slecht uitpakken. Zo lopen de middenpartijen die de afgelopen decennia in Nederland het nieuw realisme adopteerden nu een groot risico deze strategie als een boemerang in hun gezicht terug te krijgen. Het is immers duidelijk dat het discursieve afschaffen van het multiculturalisme een subtext is van dat de culturele meerderheid de baas moet zijn, ook als dat botst met het rechtsstatelijk beschermen van minderheden. Dit maakt dat dit discours hoort bij, of op z’n minst de weg plaveide voor, de bredere verschuiving richting de illiberale democratie in Europa. Een belangrijke vraag voor middenpartijen is daarom of zij deze retoriek moeten willen (blijven) inzetten en voeden – ook al, of misschien wel juist nu nativistische populistische partijen electoraal in hun nek hijgen. Het heeft onrechtsstatelijke krachten versterkt die zij uiteindelijk niet tevreden kunnen stellen of beheersen. Een pijnlijk voorbeeld hiervan is dat FvD-leider Thierry Baudet de schuld van de recente aanslag in Utrecht meteen gaf aan de vvd en het cda– jarenlang sterke aanwakkeraars van het nieuw realisme –, vanwege hun ‘volstrekt naïeve ongeïnteresseerde wegkijk-beleid als het gaat om integratie’. Enkele dagen later boekte hij een flinke verkiezingswinst bij de Provinciale Staten. De olievlek van wie bij het ongrijpbare maar voor Nederland levensgevaarlijke multiculturalisme zou horen, breidt zich razendsnel verder uit.

Hoe dan ook, de resultaten van inmiddels een kwart eeuw ‘postmulticulturele aanpak’ zijn weinig hoopgevend: toenemende polarisatie tussen bevolkingsgroepen. Mislukt inburgeringsbeleid. Steeds meer partijen met een ‘Nederland voor de echte Nederlanders’-mentaliteit. Tienduizenden vluchtelingen (onder wie veel kinderen) gestrand op Lesbos. Een flinke normerosie van de democratische kernwaarde van gelijkwaardig burgerschap. De tijd lijkt rijp voor een nieuw inclusief politiek elan, met een nadruk op de grondwet, mensenrechten en een gedeelde samenleving.


Tamar de Waal is universitair docent algemene rechtsleer aan de Amsterdam Law School (UvA) en voorzitter van Stichting Civic