‘Identiteitspolitiek’ is een effectief scheldwoord gebleken. Niemand wil beschuldigd worden van het bedrijven ervan. Met name minderheden hebben last van de slechte naam van identiteitspolitiek. Zij krijgen het verwijt dat hun streven naar bijvoorbeeld genderdiversiteit of het tegengaan van racisme zou afleiden van de echte (lees: sociaal-economische) problemen. Minderheden worden dan half geruststellend, half ridiculiserend toegesproken (denk aan Ewald Engelens Het is klasse, suffie, niet identiteit!). Geruststellend wanneer minderheden verzekerd wordt dat het heus wel goed komt met hen als de klassenstrijd eenmaal gestreden is. Maar vaker nog ridiculiserend: ‘Wie durft aandacht te vragen voor genderneutrale toiletten nu de wereld vergaat?’

Minderheden worden gemaand om hun issues op te schorten ten behoeve van ‘serieuzere zaken’. En zo blijven we steken in een onproductief gesprek over de vraag of bepaalde onderwerpen wel of niet op de agenda horen. We zijn verstrikt geraakt in een metadiscussie waarin minderheden op hoge toon wordt verteld dat hun onderwerpen irrelevant of prematuur zijn – omdat het om ‘identiteitspolitiek’ zou gaan. Maar waar komen we ‘identiteitspolitiek’ tegen? Waar gaat het dan over? Is het werkelijk zo dat we allemaal minderheden zijn geworden en de meerderheid is gevaporiseerd, zoals superdiversiteitsdenkers claimen? Of dat alle verschillen (etniciteit, klasse, gender, seksualiteit et cetera) met elkaar samenhangen, zoals de intersectionalisten ons voorhouden? Of dat minderheden hun mond moeten houden, zoals de marxisten stellen?

Ik wil echter niet beginnen met deze vragen over minderheden (de usual suspects) maar met de meerderheid, de mainstream. Gek genoeg gaat het bij het verwijt van identiteitspolitiek namelijk bijna altijd over minderheden, terwijl de meerderheid veel vaker en effectiever identiteitspolitiek bedrijft. Dat blijft uit beeld: meerderheidsidentiteiten zijn zo vanzelfsprekend dat zij niet als zodanig worden herkend. Pas als minderheden daar last van hebben en van zich laten horen, blijkt hoe gevestigd meerderheidsidentiteiten zijn. Zo gevestigd dat minderheden van de weeromstuit het verwijt krijgen dat zij aan identiteitspolitiek doen.

Identiteitspolitiek

We zijn verstrikt geraakt in een metadiscussie waarin minderheden op hoge toon wordt verteld dat hun onderwerpen irrelevant of prematuur zijn – omdat het om ‘identiteitspolitiek’ zou gaan. De komende tijd zal Jan Willem Duyvendak in een drieluik van dat metaniveau afdalen en terugkeren naar de inhoud.

In zijn net gepubliceerde boek Met Nederland in therapie schrijft Kiza Magendane: ‘Er heerst een heilige tweedeling in de Nederlandse samenleving die de ene groep als echte Nederlanders beschouwt en de rest als eeuwige migranten typeert. In de volksmond wordt die tweedeling gekenmerkt met de begrippen “autochtoon” en “allochtoon” – of “Nederlanders” en “Nederlanders met een migratieachtergrond”.’ Hij vraagt zich af ‘waarom wij het in Nederland normaal vinden dat sommige mensen die in Nederland zijn geboren en een Nederlands paspoort hebben, als “gasten” worden gezien. Komt dat omdat wij er niet in slagen Nederlanderschap los te koppelen van etniciteit?’

In zijn boek laat Magendane zien dat Nederlanders vaak vanzelfsprekend wit zijn, althans in de ogen van veel witte Nederlanders. Migranten en hun kinderen ervaren iedere dag aan den lijve dat zij niet als mede-Nederlanders worden gezien, zelfs niet als zij de Nederlandse nationaliteit hebben. Ook tijdens de discussies over Zwarte Piet bleek hoe die uitsluiting werkt: zwarte activisten mochten geen kritiek hebben, want dit ging om een Nederlands feest, Sinterklaas was Nederlands erfgoed, en zij waren blijkbaar in de ogen van de pro-Pieten geen (echte) Nederlanders.

Het antwoord op de vraag wie Nederlander is, hangt dus niet af van het bezit van een Nederlands paspoort. Het gaat niet om iemands formele burgerschapsstatus maar om culturele en ‘raciale’ verwantschap. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’, tussen natives en non-natives. Sommige mensen horen hier blijkbaar echt thuis terwijl dat van anderen nog maar de vraag is, zeker als het idee bestaat dat zij een bedreiging vormen voor de ‘Nederlandse identiteit’.

We voeren nu al zo’n twintig jaar in Nederland op hoge toon een vruchteloze discussie over wat die identiteit inhoudt – ongeveer vanaf het moment dat Paul Scheffer in de NRC de aanval inzette op de multiculturele samenleving (‘het multiculturele drama’). In die discussie gaat het niet alleen om de vraag wat typisch Nederlands is, maar ook wie aan dat gesprek mag deelnemen. Prinses Máxima mocht in 2007 ervaren dat zij daar in ieder geval niet bij hoorde, toen zij waagde te betwijfelen of ‘de’ Nederlandse identiteit wel bestond. Zelfs de enorm populaire prinses werd tot buitenstaander verklaard, zij was op slag weer een Argentijnse, een non-native, die niets snapte van Nederland en haar mond moest houden over iets wat haar niet aanging.

Het debat over de Nederlandse eigenheid toont dat de meerderheid voortdurend identiteitspolitiek bedrijft. Of, preciezer gezegd: politici van allerhande partijen voeren ‘de meerderheid’ in hun betogen op als de groep die hier werkelijk thuis hoort. Soms wordt die groep aangeduid met ‘de gewone Nederlanders’, een andere keer heten zij ‘hardwerkende Nederlanders’ te zijn, maar voor de goede verstaanders is duidelijk dat bepaalde groepen er niet mee worden bedoeld.

Rechts-radicale partijen, zoals de pvv en Forum voor Democratie, sluiten bijvoorbeeld Nederlanders met een moslimidentiteit uit. Een citaat van Geert Wilders: ‘Stop de immigratie uit moslimlanden, sta geen enkele nieuwe moskee meer toe, sluit alle islamitische scholen, verbied de boerka en de koran. Zet criminele moslims, zoals die Marokkaanse straatterroristen waar de mensen in het land gek van worden, het land uit.’ In dit citaat staan tegenover moslims ‘de mensen in het land’ – een populistische term, ooit gemunt door Hans Wiegel. De suggestie bij zowel de pvv als Forum is dat moslims hier niet thuis horen – en eigenlijk het beste kunnen verdwijnen (‘minder Marokkanen’).

Ook vvd en cda zetten volop in op native Nederlanders, bijvoorbeeld door te suggereren dat tegenstanders van Zwarte Piet geen ‘echte Nederlanders’ zijn, want anders zouden zij deze traditie wel op waarde weten te schatten. Wanneer criticasters stellen dat Zwarte Piet racistisch is, leveren ze daarmee het ultieme bewijs dat zij niet echt Nederlands zijn: ‘Iedereen weet toch dat Nederlanders niet racistisch zijn.’ Hier geboren en getogen Turkse en Marokkaanse Nederlanders zijn in de ogen van de vvd ook geen echte Nederlanders. Zoals het weinig subtiel verwoord werd in het vorige vvd-verkiezingsprogramma: ‘We weten voor wie we het doen: Nederlanders die zich zorgen maken over de internationale ellende die ze terugzien in hun eigen buurt.’

Wat is die identiteit waar het voortdurend over gaat, wat is des poedels kern? Opmerkelijk genoeg draait het in de vele discussies over identiteit bijna altijd om een heel recente verworvenheid, namelijk dat ‘wij’ in Nederland gendergelijkheid en seksuele gelijkheid omarmen. In dat verband doet historische precisie er niet zoveel toe, hoewel cda-voorman Buma het met zijn uitspraak dat ‘in ons land al duizend jaar gelijkheid tussen man en vrouw bestaat dankzij het christendom’ wel heel bont maakte, en niet alleen qua timing. Nederlanders zijn, zo geloven deze politici, al eeuwen liberaal: er loopt voor hen een rechte lijn van Spinoza naar het homohuwelijk. En die progressieve traditie staat dan in scherp contrast met veel nieuwkomers, die niet liberaal zouden zijn – en dat ook nooit zullen worden.

De uiterste consequentie van nativisme is de wens dat ‘de ander’ niet meer bestaat

Het voortdurend hameren op de onoverbrugbare verschillen tussen de ‘oorspronkelijke’ bevolking en nieuwkomers wijst op de groeiende populariteit van nativisme in het Nederlandse politieke en publieke debat. Voor nativisten hoort de ene groep vanzelfsprekend ergens thuis en de andere niet. Sterker nog, nativisten zien die andere groep – een binnenlandse minderheid – als een bedreiging. Zij zullen daarom ofwel moeten assimileren of, als daar geen hoop op is, moeten verdwijnen (Rutte: ‘Rot op’).

Deze nativistische logica heeft de Nederlandse politiek de afgelopen jaren sterk gekleurd. Steeds opnieuw wordt gesuggereerd dat minderheden ‘de’ Nederlandse identiteit aanvallen. Het wensen van ‘prettige feestdagen’ in de decembermaand is dan al snel het bewijs van een knieval voor de ‘islamisering’ van ons land (War on Christmas!). Sommige politici grijpen iedere discussie – of die nu gaat over de woningnood, het krakende sociale-zekerheidsstelsel of files op de wegen – aan om te stellen dat er ‘van hen’ te veel zijn. Zij zien geen individuen meer, alleen nog maar groepen.

Hierbij valt op dat de groep die als bedreigend wordt gezien niet per se migranten hoeven te zijn (of hun kinderen). Ook de ‘linkse elite’ wordt vaak als vervreemd, als niet-geworteld, als non-native afgeschilderd. Zij zouden zich niet om Nederland en Nederlanders bekommeren maar zich inzetten voor migranten en de rest van de wereld. In de antisemitische versie van dit idee heet de elite dan footloose te zijn, kosmopolitisch. David Goodhart heeft dit idee van een ‘ongewortelde elite’ gepopulariseerd door een tweedeling te suggereren tussen somewheres en anywheres, een tweedeling die ook graag door Nederlandse politici wordt aangehaald. De somewheres zijn wel geworteld – echt van de grond, gehecht aan plekken die betekenis voor hen hebben, terwijl anywheres geen territoriale bindingen kennen, en dus ook niet loyaal zouden zijn aan een natiestaat.

Het gaat bij nativisten niet per se om het bestrijden van alle vreemdelingen maar om het tegengaan van de dreiging van vreemdheid. En de Nederlandse progressieve elite, vervreemd van het eigenlijke Nederland, is in hun ogen ook foreign, verraders van hun land, on-Nederlands. Het problematiseren van vreemdheid, en niet zozeer van alle vreemdelingen, heeft nog een tweede consequentie. Er zijn namelijk migranten die in de loop van de tijd toch als Nederlands, als native worden beschouwd. Dit betreft overigens vooral witte migranten, want kleuronderscheid is een funderend principe voor nativisten om de bokken van de geiten te scheiden; de autochtonen van de allochtonen.

Het nativisme heeft zich de afgelopen twee decennia als het masterframe van de Nederlandse politiek gevestigd. Samen met de socioloog Josip Kešić heb ik elders geanalyseerd hoe racisme, populisme en islamofobie vermengd zijn geraakt met nativisme. Zwarte Nederlanders hebben vaak niet alleen met ‘gewone’ discriminatie op basis van huidskleur te maken (wat erg genoeg is) maar horen ook dat hun Nederlanderschap – soms impliciet, soms expliciet – wordt betwist. Hetzelfde geldt voor de elite, die in de ogen van populisten niet alleen slecht beleid voert dat tot allerlei ‘puinhopen’ zou hebben geleid, maar ook verraad pleegt aan Nederland, waar haar loyaliteit niet zou liggen. Bij islamofobie is deze vermenging met nativisme het duidelijkst: hier domineert de claim dat ‘de islam’ niet bij Nederland hoort (noch bij Europa, noch bij de ‘judeo-christelijke beschaving’), en dat moslims nooit volwaardige Nederlanders zullen kunnen worden.

In het nativistisch gekleurde debat is de vraag centraal komen te staan wie zich hier thuis voelt en wie hier thuis hoort. Aan het Nederlanderschap van verschillende minderheden wordt getwijfeld: zien zij Nederland wel als hun huis? Voelen autochtonen zich wel bij hen thuis? Gelet op dit permanente debat valt moeilijk te ontkennen dat juist de autochtone meerderheid ‘identiteitspolitiek’ bedrijft. Maar net zoals vissen zich niet bewust zijn van het water waarin ze zwemmen, zo valt het de meerderheid niet meer op dat hun waarden, gewoonten en gebruiken de norm zijn, volstrekt normaal zijn. En wel zo normaal dat ze niet eens ter discussie mogen worden gesteld; dan ontsteken de woordvoerders van de ‘gewone Nederlanders’ in grote woede. Waar de Amerikaanse president Richard Nixon nog repte over the silent majority, lijkt het vandaag de dag adequater om te spreken van the vocal majority.

Hoe komt het dat meerderheidsidentiteiten zo vanzelfsprekend zijn? In de eerste plaats omdat natives nauwelijks bevraagd worden op de identiteiten waarop zij zich laten voorstaan: meerderheidsidentiteiten worden nu eenmaal breed gedragen en weinig betwist.

Er is nog een tweede reden. Meerderheidsidentiteiten kunnen, in een wereld verdeeld in autochtonen en allochtonen, ook niet echt ter discussie worden gesteld. De natives hebben namelijk altijd het gelijk aan hun zijde, juist omdat ze hier thuis zijn en horen. Op pogingen van minderheden om aandacht te vragen voor hun ideeën, gebruiken en waarden, en voor hun ervaringen met ‘de Nederlandse identiteit’, wordt minachtend gereageerd: wat denken die vreemde minderheden wel niet? Voeren zij geen identiteitspolitiek?

Waar komt het onderscheid tussen natives en non-natives vandaan? De ontwikkeling van natiestaten in de afgelopen eeuwen leidde tot inwoners-met-burgerschap versus migranten-zonder-burgerschap. Zoals Nandita Sharma prachtig laat zien in Home Rule: National Sovereignty and the Separation of Natives and Migrants werd de vanzelfsprekendheid van dit onderscheid door de dekolonisatie-oorlogen nog groter: natives konden hun land opeisen, vreemden niet. De ‘inheemse’ bevolking had het volste recht om zich los te maken van haar kolonisatoren. De opkomst van deze twee categorieën – native burgers die ergens thuis hoorden versus non-natives – had vergaande consequenties. In de ‘thuislanden’ van de kolonisatoren begon de oorspronkelijke, witte bevolking zich van de weeromstuit ook steeds meer native te noemen terwijl, tot dat moment, met name de onderworpen bevolking in de koloniën zo werd aangeduid. Toen voormalig gekoloniseerden zich vervolgens aan de grenzen van de ex-koloniale machten begonnen te melden, werd het onderscheid tussen autochtonen en allochtonen verder aangezet.

Soms mondde dat onderscheid uit in heus nativisme: autochtonen begonnen uit te dragen dat allochtonen hen bedreigden en daarom niet in het land thuis hoorden. Het is precies deze gedachte van onverenigbare identiteiten die radicaal-rechtse politici in talloze landen met succes uitdragen. Opmerkelijk genoeg ook in landen die qua bevolkingssamenstelling al veel langer gemengd zijn, zoals de Verenigde Staten. Het presidentschap van Trump heeft echter laten zien dat zwarte Afrikanen in mindere mate als Amerikaans worden gezien door delen van de witte bevolking. Om maar te zwijgen over Mexicanen en migranten uit muslim majority-landen die met onvervalst nativisme te maken kregen.

De opkomst van nativisme blijft niet beperkt tot de westerse wereld. Ook in Turkije, Rusland, talloze Afrikaanse landen en India is nativisme het masterframe geworden – met alle, soms bloedige gevolgen voor minderheden van dien. Hierbij gaat het zeker niet alleen om nieuwkomers: African-Americans wonen immers al eeuwen in de VS, evenals moslims in India en homoseksuelen in Polen. Minderheden zijn een dankbare tegenstander voor de nativistische meerderheid, die claimt dat deze minderheden niet of nauwelijks echt Pools, Indiaas, Amerikaans of Nederlands zijn.

We weten dat nativisme in het verleden tot enorme ontsporingen heeft geleid. Joden waren in Duitsland gevestigde burgers toen Hitler aan de macht kwam, maar stapje voor stapje werden ze steeds verder uitgestoten als ontworteld, vreemd, vijandig, onrein, on-Duits et cetera. De uiterste consequentie van nativisme toen en nu is de wens dat ‘de ander’ niet meer bestaat binnen de grenzen van het land. De nativistische logica is er een van onoverbrugbare tegenstellingen, die slechts kunnen worden opgelost als de minderheid van de nationale bodem verdwijnt.

Denken in termen van natives en non-natives hoeft niet per se zo te ontsporen. Dit gebeurt vooral wanneer het onderscheid zich baseert op Blut und Boden, op ras, religie en reinheid. In minder rigide opvattingen van ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ kan het onderscheid tussen beide vervagen en zal een minderheid op den duur opgaan in de mainstream.

De recente homogenisering van Nederland biedt weinig ruimte aan nieuwkomers

Maar recentelijk winnen uitsluitende opvattingen over ‘wie erbij hoort’ terrein, nu burgerschap steeds meer in emotionele en culturele termen wordt gedefinieerd. Wanneer de natie als een huis wordt gezien, worden medeburgers familieleden waarbij je je thuis zou moeten kunnen voelen, en dat blijkt niet altijd makkelijk. Deze verhuiselijking van de natiestaat leidt ertoe dat minderheden hun verblijf steeds meer als voorwaardelijk ervaren: horen wij er wel echt bij? Hoe kunnen we ons thuis voelen als anderen vinden dat wij hier niet thuis horen?

Deze minderheden voelen zich, door de blik van de machtige ander, gedwongen om zelf ook de taal van thuis horen en thuis voelen te gaan praten, de taal van de identiteitspolitiek. Dat zij zichzelf juist niet als verschillend van de meerderheid zien, maakt niet uit: zij zullen zich toch als ‘anders’ moeten manifesteren, op basis van de aan hen toegeschreven identiteit, willen ze enige aandacht krijgen. Groepen die het meest met de meerderheid vermengd zijn – denk aan Nederlandse Surinamers – accepteren het minst dat zij als non-natives worden weggezet. Maar als zij zich daar publiekelijk boos over maken, zien ook zij zich gedwongen om dat te doen als ‘zwart’: zij moeten hun gediscrimineerde identiteit als basis nemen voor hun strijd om gelijkheid. Tegelijkertijd willen de meesten van hen ook, of juist, als Nederlands gezien worden. Zich emanciperende jongeren met een migratie-achtergrond claimen Nederland dan ook nadrukkelijk als hun vaderland; seksuele activisten en gender-activisten laten zich voorstaan op het typisch Nederlandse karakter van hun strijd.

Zo dragen ze, ongewild, bij aan de dominante, nativistische vorm van identiteitspolitiek. Maar zelfs dat helpt hen uiteindelijk weinig: waar de meerderheid uit beeld blijft als het gaat om de vraag wie identiteitspolitiek voert, daar krijgen zij zowel kritiek als zij zich mobiliseren op grond van hun gediscrimineerde identiteit (‘zwart’ of ‘moslim’), als wanneer zij gelijkwaardig Nederlanderschap opeisen.

Het laatste wat deze minderheden echter verdienen is het selectieve verwijt van de meerderheid dat zij bij uitstek identiteitspolitiek zouden voeren. Minderheden kunnen niet ontsnappen aan het nativistische masterframe – en daarom moet niet de minderheid maar de meerderheid op gebruik van dat frame worden aangesproken.

Tamar de Waal en ik hebben eerder in De Groene Amsterdammer betoogd dat er weinig feitelijke redenen zijn waarom de meerderheid zich bedreigd zou moeten voelen – en dat zij geen ‘meerderheidsrechten’ nodig heeft om haar identiteit te bewaren, zoals bepleit door sommige politici en wetenschappers.

We baseerden ons daarbij op onderzoek dat laat zien dat veel culturele verschillen in Nederland de afgelopen decennia eerder kleiner dan groter zijn geworden – juist ook op de punten die kenmerkend zouden zijn voor ‘de Nederlandse identiteit’, zoals seksuele gelijkheid en gendergelijkheid. Daar bestaan langzamerhand Noord-Koreaanse meerderheden: zo zegt 94 procent van de Nederlandse bevolking niets tegen het ‘homohuwelijk’ te hebben, het hoogste percentage in de wereld.

In de afgelopen decennia hebben we ook gezien dat steeds meer politieke partijen, en niet alleen de linkse of de liberale, zich sterk zijn gaan maken voor vrouwen- en homorechten. Toegegeven: nativisten beijveren zich niet voor deze rechten als universele mensenrechten maar veeleer omdat die gelijkheid nu eenmaal bij de Nederlandse identiteit zou horen (en van echte genderdiversiteit moeten ze vaak weinig hebben). De nativistische profilering op liberale gender- en seksualiteitsopvattingen heeft overigens wel een onverwacht gevolg: de van huis uit zo oranjegezinde sgp, die nog als enige gekant blijft tegen seksuele gelijkheid en gendergelijkheid, kan nauwelijks meer overtuigend claimen een echt Nederlandse partij te zijn.

Terwijl er een heftige politieke strijd woedt over culturele eigenheid blijken verschillen binnen Nederland op cultureel vlak de afgelopen decennia juist sterk te zijn afgenomen. Waar komt dan het idee vandaan dat de samenleving uiteen zou vallen door haar toegenomen diversiteit? Dat komt in ieder geval niet doordat culturele verschillen objectief sterk zijn toegenomen; blijkbaar zijn ‘we’ wel gevoeliger geworden voor de resterende verschillen.

Hoe dit te begrijpen? Mijn stelling is: omdat ‘autochtone Nederlanders’ de afgelopen jaren sterk op elkaar zijn gaan lijken, kunnen zij nog maar moeizaam met verschillen omgaan, en zeker niet met verschillen die zij associëren met nieuwkomers. Het is moeilijk om door de tijd heen een inschatting te maken van ervaren verschillen – we hebben geen diachrone ‘mentale afstandsmeter’. Maar de enorme verschillen die Nederland vroeger karakteriseerden – tussen katholieken en protestanten, gelovigen en niet-gelovigen, mannen en vrouwen, homo- en heteroseksuelen, oud en jong, stad en platteland – zijn grotendeels verdwenen. Zo zijn de levens van mannen en vrouwen de afgelopen decennia sterk op elkaar gaan lijken, en dat geldt al helemaal voor hetero- en homoseksuelen. Terwijl de laatsten tot voor enkele decennia een volstrekt gemarginaliseerd bestaan moesten leiden, fuift menig hetero nu mee bij de Canal Parade. Hetzelfde geldt ook voor leeftijdsverschillen: waar is het generatieconflict gebleven?

En hoewel boeren erg boos zijn over het grootstedelijke onbegrip voor hun ongeluk is de afstand tussen stad en platteland sterk verminderd in het zo dichtbevolkte Nederland. Ook regionale verschillen worden kleiner en kleiner: lang geleden zijn de dagen dat Limburgers en Brabanders als allochtonen werden beschouwd toen ze in Rotterdam-Zuid kwamen wonen. En wie spreekt er nog een dialect als eerste taal in Nederland?

Het grotendeels irrelevant worden van religieuze verschillen is misschien nog wel het opmerkelijkst in een land waarin het samenleven gebaseerd was op verschil in denominatie. Terwijl katholieken en protestanten slechts in vrede konden samenleven als zij zich opsloten in de vertrouwdheid van de eigen zuil, daar weten alleen de bloedgroepen binnen het cda nog waar hun Hoekse en Kabeljauwse twisten om draaiden. Ook standsverschillen hebben aan scherpte verloren – er zijn maar weinig Nederlanders die zich als ‘minder’ beschouwen dan anderen, en iedereen laat tegenwoordig op straat luid van zich horen. De ‘grotemondigheid’ is gedemocratiseerd.

Deze homogenisering van autochtoon Nederland heeft als schaduwzijde dat de openheid ten opzichte van nieuwkomers verminderde, zeker toen het nativisme terrein won. Dat bracht autochtone burgers namelijk op de overspannen gedachte dat zij alleen hoeven samen te leven met mensen die sterk op hen lijken. En veel migranten vallen daar voor hen niet onder, omdat zij vaak nog sterk religieus zijn en conservatievere opvattingen hebben over de gelijkheid van mannen en vrouwen, en van homo’s en hetero’s.

Met andere woorden, ‘het multiculturele drama’ is gebaseerd op een illusoir monocultureel verleden. Het is niet het eensgezinde verleden dat ons hindert, maar de recente homogenisering die weinig ruimte biedt aan nieuwkomers. In plaats van hen verantwoordelijk te stellen voor ‘identiteitspolitiek’ is het productiever om te bezien hoe problematisch verschillen op cultureel vlak nu eigenlijk zijn. Daar lijkt al met al weinig reden tot grote zorg, en zeker niet voor paniek. In de eerste plaats hoeven we niet homogeen te zijn om samen te kunnen leven. Ten tweede, voor wie dat nog niet voldoende geruststellend is: Nederlanders met een migratieachtergrond lijken qua opleiding, arbeidsparticipatie, taligheid en opvattingen steeds meer op andere Nederlanders. En dat is best een opmerkelijk fenomeen, aangezien dat nativistische Nederland niet erg verwelkomend is. Natuurlijk zou het mooi zijn als liberale opvattingen onder sommige minderheden nog sneller terrein zouden winnen – niet omdat ze daarmee zouden aantonen hoe Nederlands ze wel niet zijn, maar omdat mensenrechten universeel horen te zijn.

Terwijl de Kulturkampf door nativisten wordt aangeblazen, zijn er andere kloven in de Nederlandse samenleving die veeleer aandacht zouden moeten krijgen: de grote ongelijkheden tussen Nederlanders in inkomen – vooral vermogen –, gezondheid, woonsituatie, opleiding. De dominantie van het nativisme staat een effectieve aanpak van die ongelijkheden in de weg. In plaats van minderheden daarvoor verantwoordelijk te houden, zou het gesprek moeten gaan over de vraag hoe sociaal-economische rechtvaardigheid en culturele diversiteit samen kunnen gaan.


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Netherlands Institute of Advanced Study (NIAS-KNAW). Dit voorjaar verschijnt bij Oxford University Press The Return of the Native: Can Liberalism Save Us From Nativism? dat hij schreef met Josip Kešić