De natuur

De rafelige eindjes van het leven, ik ken ze nu wel zo’n beetje. Ik zat om de tafel met een arts en een verzorgende. We hadden het over mager worden. Wankel. Een maand of drie lang heb ik proberen te denken dat het iets met haar schoenen te maken zou kunnen hebben. Maar nu zit ik hier, ronde formica tafel, vieze koffie, tl-licht. De arts gaat het formulier langs.

Het ene medicijn werkt misschien wel iets ongewensts in de hand. Maar stoppen met het medicijn zou misschien niet levensverlengend kunnen uitpakken. En als ze niet wordt onderzocht, in het ziekenhuis bedoelt hij, kan dat ook wel eens niet levensverlengend zijn.

Dat woord. Levensverlengend. De arts komt er steeds weer op uit, en telkens dwingt hij me er iets over te zeggen.

Dit gaat niet over mijn moeder, denk ik ondertussen bij mezelf. Dit gaat gewoon over een mevrouw.

Heeft ze pijn, die mevrouw?

Nee, waarschijnlijk niet.

Laat maar zitten dan, dat medicijn.

Ziekenhuis? Onderzoek?

Die mevrouw heeft een hekel aan ziekenhuizen. Nou ja, wie niet.

Voor ieder van ons komt ooit… dichtte Wislawa Szymborska.

Ja, voor ieder van ons, maar niet voor mijn moeder alsjeblieft.

‘Een heel bijzonder mens’, hoorde ik iemand zijn moeder karakteriseren.

Mijn moeder is geen bijzonder mens, mijn moeder is mijn moeder.

‘Goed kind’, zei een buurman over zijn dochter.

Het was bij een straatfeest, het goeie kind zou zo gaan optreden. Zou er ook een slecht kind zijn?

Een vriendin praatte me bij over haar nieuwe liefde: ‘Hele vriendelijke jongen.’

Het klinkt misschien beter dan ‘niet zo’n aardige jongen’, wat ik ook wel eens iemand heb horen zeggen over haar vriend, van wie ze in verwachting was bovendien. Maar toch. De mensen van wie ik houd hebben geen begin en geen einde, laat staan dat ik woorden op ze wil plakken.

Iemand kan de liefste zijn, en daarmee is alles gezegd.

Bijzonder.

Goed.

Vriendelijk.

De mensen van wie ik houd hebben geen begin en geen einde

Niet zo aardig.

Ik zeg het niet eens over m’n katten. Ja, dit is een bruggetje en afleidingsmanoeuvre tegelijkertijd. Er kwam een kattenfluisteraar over de vloer, wegens verregaande gedragsproblematiek. Mijn katten vechten elkaar de tent uit, vooral de een verandert langzaam in een stresskonijn. En dat voor een broer en een zus, allebei opgaand voor de titel liefste beest ter aarde. Ik had gehoopt op letterlijk een fluisteraar, iemand die iets in de oortjes siste, stofgoud in de lucht, vrede die vervolgens neerdwarrelde. In plaats daarvan een kruisverhoor met therapeutische trekjes. Na twee uur doorzagen was ik kapot.

De katten lieten zich ondertussen niet van hun aanminnigste kant zien. De een had zich teruggetrokken in haar loopgraaf, boven op de kast, klaar voor een bommetje, de ander lag als een aangespoelde zeerob op het rooster van de vloerverwarming.

Zo lief, zo zacht.

Zo heerlijk onbegrijpelijk.

Tot de kattenfluisteraar het in míjn oren siste: de een had zich, bang, verschanst op de enige plek die ze zich nog kon toeëigenen, de ander lag, strategisch, alle mogelijke vluchtwegen in de gaten te houden.

Het valt niet mee te erkennen dat dit een kleinigheid is,

gevoegd in de loop der gebeurtenissen,

overeenkomstig de procedure;

Ik houd van films waarin iemand de klok terugzet.

Ik heb moeite met onomkeerbaarheid.

De media haken daarop in, op die moeite. Kijk maar wat vandaag in de krant staat: normaal gaan mensen steeds een stapje achteruit, maar in de juiste omgeving gaan ze een grote sprong vooruit. In Hillegom moet je wezen, daar krijgen vijf uitverkorenen weer een menswaardig appartement.

Het gaat erom een nieuw gevoel van eigenwaarde te creëren, zegt de teamleider in Hillegom.

Maar ik zit niet in Hillegom, waar ze openslaande deuren naar een terras schijnen te hebben. Ik zit aan een formica tafel, in een huis waar het benauwd ruikt, we hebben het over levensverlenging.

Ik heb de liefste katten, dat kan met katten, ze kunnen allebei de liefste zijn. Als ik over ze praat met een deskundige heb ik het gevoel dat ik ze verraad. Ik wil ze geen van beide verraden. En toch. Toen ik vanavond thuiskwam, de een zich niet liet zien en de zachterik zoals altijd op me af kwam dribbelen, staart in de lucht, klaar om maximaal geaaid te worden, dacht ik opeens: wie ben jij.

… dat is het recht(s) en links van de natuur.

Dat, in het wilde weg, haar omen en amen.

Haar evidentie en omnipotentie.

Terwijl ik dit schrijf hoor ik geschreeuw. Ergens in huis maken ze elkaar het leven moeilijk. Mijn taak is het om ze af te leiden, ze op andere gedachten te brengen. Het kan met een snoepje, het kan met een spelletje. De een wil jagen, de ander wil zijn omgeving beheersen.

Ik zei het tegen de kattenfluisteraar toen ze haar jas weer aantrok. Dat ik op een wonder had gehoopt. Stofgoud dat opdwarrelt.