De stand van de natuur in Nederland

‘De natuur, dat is alles behalve mensen’

Roofvogelspecialist Rob Bijlsma heeft ook verstand van de duinpieper, de nachtzwaluw, de draaihals, de tapuit… En die beestjes zijn gestresst. Gestresst door mensen die van hun stress af moeten. Koos van Zomeren nam met Bijlsma de vogelstand door.

Eind november zaten we met een paar man op de boot naar Vlieland. Lenze was er ook bij. Lenze zet zich geweldig in voor de Wadden. Hij had het over mogelijkheden om het toerisme in goede banen te leiden. Je zou mensen bij laagwater meer ruimte kunnen geven, als je ze bij hoogwater maar weghoudt bij de vogels.

Rob zinde dat helemaal niet. ‘Je moet geen compassie hebben met de mensen maar met de natuur’, viel hij uit. 'Natuurgebieden zijn er voor de dieren, mensen moet je daar weren.’

'Daar heb je ongetwijfeld gelijk in Rob’, zei ik. 'Maar het lijkt me een nogal steriel standpunt.’ Want je kunt je in Nederland geen natuurbescherming meer voorstellen zonder het gebruik van publieke middelen, en ja, het woord zegt het al, publieke middelen.

Hier bleef het toen bij. Dit gesprek zou pas worden voortgezet bij Rob thuis, een voormalige boswachterswoning bij een vennetje in de bossen bij Wapse. Half januari, het vennetje bevroren, de bossen besneeuwd.

'Hier geen vetbollen en pindasnoeren’, stelde ik vast nadat we elkaar begroet hadden.

'Had je dat verwacht dan?’

Nee, natuurlijk niet. Rob leeft om de natuur te onderzoeken, niet om zich ermee te bemoeien.

'Anderhalve merel nog’, zei hij, 'en verder is het leeg rond dit huis en ik vind het prima zo.’

Zijn definitie van natuur: alles behalve mensen.

Rob Bijlsma. Hij staat bekend als roofvogelspecialist. Maar zijn actieradius is groter. Er zijn weinig vogels in ons land waar hij geen verstand van heeft. En als je dat eenmaal hebt geaccepteerd, kan hij je altijd nog verrassen met wetenswaardigheden over bosmuizen of Duitse wespen of mestkevers of nog weer heel andere beesten. Laatst dacht ik: als je het telefoonnummer van Rob hebt, kun je je handboeken wel uit het raam gooien.

Dat was toen ik hem gebeld had over de havikenstand. Het begint net gemeengoed te worden dat het goed gaat met de havik in Nederland, maar dan weet Rob alweer dat het helemaal niet zo goed gaat met de havik in Nederland. Een opsomming van oorzaken en gevolgen krijg je er desgewenst bij. Dit alles op basis van duizenden en duizenden uren veldwerk in combinatie met een ongelooflijk scherp waarnemingsvermogen.

Hijzelf zou dat overigens niet doen, boeken uit het raam gooien. Boeken zijn voorzover ik weet de enige luxe die hij zich veroorlooft. Deze voormalige boswachterswoning puilt uit van de boeken. Zo konden we om te beginnen van gedachten wisselen over het journalistieke en literaire werk van Vasili Grossman. Maar het betreft toch vooral handboeken en standaardwerken in diverse, ook minder gangbare Europese talen over de natuur. De neerslag van duizenden uren veldwerk van anderen.

'Ik ben echt verschrikkelijk blij dat mensen schrijven’, zei Rob. En: 'Ik voel me deelgenoot van een gemeenschap van mensen - mensen die serieus willen weten hoe het in de natuur toegaat.’ (Dit misschien met zoveel nadruk omdat hij niet graag als een zonderling zou worden afgeschilderd.)

Hij is autodidact. Hij schrijft rapporten en artikelen en (delen van) boeken, altijd op een hoog wetenschappelijk niveau. Als Rob zegt: dat weten we niet, en dat zegt hij regelmatig, dan kun je gevoeglijk aannemen: dat weten we niet.

Hij leeft buitengewoon sober. Hij informeerde (meer vanwege mijn leeftijd dan de zijne trouwens) belangstellend naar de hoogte van de aow, en jeetje, dat leek hem een enorme vooruitgang. Nee, ik zou zo gauw niemand anders weten die zich zo nuttig maakt tegen zulke lage kosten.

Ik ken Rob al twintig jaar: de eerste keer, in de winter van '89, zijn we samen op klapeksters uit geweest. Ik ken hem lang genoeg om te weten dat uitweidingen over zijn persoon hem tegenstaan. Maar één ding mag ik nog wel zeggen: hij is 54.

Het Mosselse Zand, een overzichtelijk stuk Veluwe. Er loopt een hek dwars overheen: de ene kant opengesteld voor publiek, de andere gesloten. Rob heeft gekeken naar verschillen in broedsucces van bodembroeders aan beide kanten, en dat bleek aanzienlijk te zijn (boomleeuwerik) of zelfs enorm (nachtzwaluw). Bij een derde soort was de vergelijking niet mogelijk, die broedde uitsluitend in het gesloten gedeelte (duinpieper).

Daarbij heeft hij ook gekeken naar de gevoeligheid van deze vogels voor verstoring. Hoe ver laten ze mensen komen voordat ze van het nest gaan? Hoe lang duurt het dan voor ze weer terugkomen? Alles verwerkt in grafiekjes. In feite kun je daaruit aflezen hoeveel energie vogels kwijtraken door mensen uit de weg te gaan.

Natuurlijk: hoe ingrijpender de verstoring, hoe langer ze wegblijven. (En als de kraaien zich intussen aan de eieren of jongen vergrijpen, wel, dan hebben die het gedaan!)

Dit onderzoek strekte zich uit over de jaren 1974-2005. In die periode nam de recreatiedruk op het opengestelde deel toe met een factor negentien en op het gesloten deel met een factor 26. Op het eind werd het gesloten deel net zo vaak betreden als het open deel in het begin - illegaal dus. En beide kanten steeds vaker met een loslopende hond.

'Misschien’, opperde ik, 'moet je ook nog iets zeggen over de penetratie in de natuur van al die mensen die haast hebben: atb'ers, hardlopers, nordic walkers…’

'Nou’, zei Rob, 'zulke passanten zullen een broedende raaf, om maar wat te noemen, wel alarmeren. Zijn hartslag zal wel oplopen, maar hij zal niet wegvliegen. Mensen die slenteren, die blijven staan kletsen, die naar boven kijken - die vindt hij pas echt link. Vooral als ze met een kijker naar boven kijken.’

Dat onderzoek dus, in september 2006 gepubliceerd in De levende natuur. 'En dan’, zei Rob, 'zijn er allerlei terreinbeheerders die zeggen: wat interessant. Gôh, is het zo erg, nee, dat wisten we niet.’

'Is dat niet leuk voor je?’

'Maar er is verpletterend veel literatuur beschikbaar over de effecten van verstoring in de natuur. Ze lezen gewoon niet. Ze wachten tot ik dat voor ze doe.’

'Ja Rob’, zei ik, 'hun tijd is geld.’

'En de mijne niet dan?’

Afijn, zoveel is nu wel duidelijk: mensen die zo nodig van hun stress af moeten, veroorzaken heel wat stress bij dieren. Dat is niet een simpel ongemak. Over de gevolgen voor broedende vogels hebben we het gehad. Maar daar gaat nog iets aan vooraf: de beslissing om te gaan broeden. Vogels weten heel goed hoe riskant een nest is, zowel voor henzelf als voor eventuele nakomelingen. Veiligheid is hun hoogste prioriteit. Zo kan één verstoring genoeg zijn om een duinpieper van een broedpoging te laten afzien, en zijn beperkte levensduur in aanmerking genomen kan dat best zijn enige kans zijn geweest.

Het Mosselse Zand maakt deel uit van de Planken Wambuis: bos, heide en zandverstuiving tussen Arnhem en Ede. Het was van een verzekeringsmaatschappij, die er jachtpartijen organiseerde. Het is van Natuurmonumenten.

Rob inventariseert sinds jaar en dag de vogels in het gebied, ook achter de verbodsbordjes. Hij komt er eigenlijk al vanaf 1968, zijn jongenstijd.

'Boomleeuwerik zat er met tientallen broedparen’, zei hij. 'Duinpieper zat er. Nachtzwaluw zat er. Draaihals zat er. Klapekster zat er. Tapuit zat er ook.’

'Allemaal verleden tijd?’

'Dat is bijna allemaal onder mijn handen verdwenen.’

En niet alleen de zeldzaamheden. Houtduif bijvoorbeeld, van 650 broedparen naar hooguit dertig - met dramatische gevolgen voor een vogel die in houtduiven zijn stapelvoedsel had: de havik! In totaal, zo heeft Rob berekend, is de biomassa van vogels er in die jaren met tweederde afgenomen.

Zeker, hij houdt van drama. Hij praat net zo gloedvol over de tegenslagen van vogels als over hun successen. Wat hem hindert is dat je er steeds de hand van de mens in ziet.

'Al met al’, zei hij, 'is dat gebied zwaar gekelderd in de waardering van lnv. Daar hanteren ze domweg een puntensysteem. Dat is ambtenarij, dat heeft met biologie niks te maken. Zij denken in productie, ze denken als boeren. Voor mij was het nog steeds een rijk gebied, een belangrijk gebied. Ik bekijk het desnoods op het niveau van goudhaantjes. In ieder geval mocht ik er nog altijd graag rondlopen.’

'Ook verleden tijd?’

'Het mooie was: er golden geen beheersmaatregelen. Het terrein werd aan zijn lot overgelaten, het kon zich ontwikkelen zoals het zich wilde ontwikkelen. Er was niemand die vond dat hij voor dat terrein beslissingen moest nemen.’

'Ja, en?’

'Nu worden er stukken bos gekapt. Naaldbos in de tussenfase, dat is inderdaad niet bijster interessant. Maar je moet over de horizon van je eigen leven heen kijken, en dan had je daar een Beekberger Woud in wording. Over honderd jaar had dat heel leuk kunnen zijn. Maar nee, open ruimte. De waan van de dag wil open ruimte. De subsidieverstrekkers willen open ruimte. Het dédain ook: wat er is wordt rücksichtslos uit de weg geruimd ten faveure van wat er volgens bepaalde functionarissen moet komen. Het is net de Grote Sprong Voorwaarts: talloze beesten sterven voor een stralende toekomst.’

'Wanneer is dat begonnen?’

'Wat?’

'Dat kappen.’

'Deze winter’, zei Rob.

Er is volgens hem een regelrechte uitverkoop van de natuur aan de recreatie gaande. Terreinen die bestemd zijn voor de natuur worden meer en meer ingericht als uitloopgebied voor mensen. Natuurlijke waarden worden daarbij meer en meer uitgevent als publiekstrekkers.

'En dan moet ik’, zei hij, 'gaan bewijzen dat mensen nadelig zijn voor de natuur. De omgekeerde wereld! Laten zij maar bewijzen dat mensen niet nadelig zijn voor de natuur - ze hebben tijd en geld en mannetjes zat.’

'Je zei’, zei ik, 'dat mensen uit natuurgebieden geweerd moeten worden.’

'Omdat de natuur het uitgangspunt moet zijn.’

'En ik zei’, zei ik, 'dat me dat een nogal steriel standpunt leek.’

'Ja’, zei Rob, 'dat zei je, en ik snap best waarom je dat zei. Maar het gebruik van publieke middelen betekent niet dat iedereen er ook maar over mee moet kunnen praten. Als met publieke middelen een doek van Mondriaan wordt aangekocht, laat je het ook aan een museumdirecteur of conservator over waar het komt te hangen, en of het wel ergens komt te hangen. Beslissingen over natuurgebieden moeten worden genomen door mensen die er verstand van hebben. Kunst is kwetsbaar, natuur is minstens zo kwetsbaar, in dit land, in deze tijd.’

'Nee’, zei hij, 'en ik vind mijn standpunt ook helemaal niet extreem. Simpel: natuurgebieden zijn er voor de natuur. Als je naar de oprichtingsstatuten van Natuurmonumenten kijkt: toen telde uitsluitend dat belang. Het punt is niet dat ze compromissen sluiten. Het punt is dat ze hun doelstellingen loslaten. Sta je voor de natuur, dan sta je voor de natuur!’

Voor hem, dit voor alle duidelijkheid, hoeven nu ook weer niet alle natuurgebieden te worden afgesloten. Maar wel meer.

'En de trend’, zei hij, 'is net andersom. Van de terreinen van Staatsbosbeheer is 95 procent opengesteld. Ik vind dat we daar radicaal het mes in moeten zetten. En particuliere organisaties helemaal - die hoeven helemaal niet toe te geven aan druk vanuit het publiek of de politiek.’

'Niet?’

'Nee’, zei Rob. 'En weet je wat ik vooral zo teleurstellend vind?

Het egoïsme. Het stuitende egoïsme. Wij mensen zijn als diersoort ongelooflijk succesvol. Zeker hier in Nederland, ongelooflijk rijk en welvarend. Veel dieren en planten daarentegen hebben het moeilijk en balanceren op de rand van hun bestaansmogelijkheden. En nu doet iedereen alsof wij het zijn die het moeilijk hebben. Stress! Jezus, is het werkelijk zo erg met ons gesteld dat we, ten koste van dieren en planten, ook nog eens over de natuur moeten kunnen beschikken?’

Goed, het ideale natuurgebied, is dat ook afgesloten voor Rob Bijlsma?

'Nee’, zegt hij zonder de minste aarzeling. 'Ik mag daar komen. Ik doe er wat mee. Ik heb er intussen dertig jaar van mijn leven in gestopt en ik-weet-niet-hoeveel gepubliceerd. Als mensen als ik er niet waren, dan wisten we helemaal niet waar we aan toe waren met die natuurterreinen. En dat ik dit werk graag doe, dat ik er gelukkig bij ben, dat is mooi meegenomen. Nee, toezicht en onderzoek moet er zijn - je moet wel blijven kijken wat daar gebeurt.’

Veel van zijn onderzoek is in aanleg volstrekt particulier. Zo heeft hij een publicatie op zijn naam over de ontbinding van een reekalfje dat hij stervend in het veld had aangetroffen. In juli 2002 was dat.

'Ja’, zei Rob, 'en de vliegen hadden al voordat hij dood was eitjes afgezet op zijn oogleden en bij zijn anus.’

'Wat voor vliegen?’

'Dat weet ik niet.’

'Dat valt me van je tegen, Rob.’

'Maar vliegen zijn niet zo makkelijk, Koos. Er zijn er nogal veel.’

'Maar wat ik eigenlijk wil vragen’, zei ik. 'Je praat zo enthousiast over zulke dingen. Waar gaat dat enthousiasme precies naar uit? Is het bewondering voor die vliegen?’

'Ook’, zei Rob. 'Ook. Daar ligt een kadaver en daar komen hordes beesten op af, die er allemaal hun claim op leggen. Hoe die allemaal hun werk doen… De opruimdienst.’

Binnen een week was van het kalfje alleen het skelet met wat vachtresten over. Kort daarna was ook dat verdwenen, als door de aarde verzwolgen.

Nu, afgelopen oktober, weer zoiets. Een reegeit vlak naast zijn huis, wankelend op haar poten, van alle vluchtreflexen gespeend.

'En dan heb je’, vroeg ik, 'niet het gevoel dat je zo'n dier moet helpen?’

'Dat gevoel’, antwoordde hij, 'heb ik sowieso niet zo. Maar in dit geval: wat had je kunnen doen? Ik denk niet dat dat dier het prettig had gevonden als ik hem was gaan aaien.’

'Zelfs ik’, hernam hij toen, 'kom in de natuur maar heel weinig dode beesten tegen.’

'Ik ook’, zei ik. 'Ik heb daar wel eens over geschreven. Vergeleken met het leven duurt de dood verbluffend kort.’

'In de biologie’, zei Rob, 'zijn we veel bezig met geboorte, paarvorming, voortplanting. Maar in de dynamiek van het leven is sterven natuurlijk net zo belangrijk. Ik heb daar weinig ervaring mee. Als me dat dan op mijn stoep wordt aangeboden, ben ik daar wel erg blij mee.’

Andere bezigheden hebben een formeler kader. Zo is hij nauw betrokken bij een onderzoek van Christiaan Both en Claudia Burger (Rijksuniversiteit Groningen) naar bonte vliegenvangers.

De bonte vliegenvanger behoort tot de zangertjes die hun jongen vooral rupsen voeren. Het aanbod van rupsen vertoont in loofbossen een scherpe piek in het voorjaar. Nu het voorjaar eerder intreedt, is ook de rupsenpiek naar voren geschoven. Bonte vliegenvangers, die in Afrika overwinteren, komen daardoor te laat met jongen te zitten. En nu zie je dat ze de loofbossen verlaten en in naaldbos gaan broeden. Het aanbod van rupsen is daar lager, maar meer gespreid in de tijd.

'Oké’, zei ik, 'dat heb ik gelezen. Maar wat ik dan wil weten: is dat iets wat het individu leert of iets wat de soort leert?’

'Precies’, zei Rob, 'dat zouden wij ook willen weten!’

Bonte vliegenvangers hebben maar twee, drie broedseizoenen te gaan. Dat is misschien wat weinig om te leren van ervaringen. Je zou dus eerder denken dat de natuur loofbosvliegenvangers domweg laat uitsterven, zodat er vanzelf alleen maar naaldbosvliegenvangers overblijven - maar dat beeld is weer zo mechanisch.

Goed, er wordt aan gewerkt. Zolang er leven is, is er tijd voor een antwoord.

'Rob’, zei ik, 'ik ben zo'n beetje de balans aan het opmaken. Hoe gaat het met de natuur in Nederland. Het is, na alles wat we besproken hebben, nogal een domme vraag, maar je ontkomt er niet aan.’

'Ik stel me die vraag zelf ook wel’, zei Rob, 'en het hangt erg van mijn stemming af hoe ik hem beantwoord. Het hangt ook af van het terrein waarin je werkt - wat daar gebeurt raakt je harder. Dat er hier in het beekdal geen wulpen en grutto’s meer zitten… Maar kinderen die nu opgroeien hebben dat nooit meegemaakt, die zullen het niet als een gemis ervaren. En weet je, ik ben helemaal niet tegen verandering. Integendeel, veranderingen maken het juist spannend!’

'Met veel beesten gaat het beter dan toen ik dertig jaar geleden met dit werk begon’, zei ik.

'Dertig jaar geleden? Daar zeg je wat. Dat was ook wel het diepste dieptepunt.’

'Das, zeehond, grauwe klauwier, ooievaar…’

'Maar dat is boekhouderij, Koos. lnv-denken! Het gaat niet om getallen, het gaat om verbanden. Het herstel van de ooievaar verandert niets aan de verloedering van het landschap. Het boerenland, al dat opgepepte grasland… ja, voor ganzen is het fantastisch, maar voor andere beesten is het een ramp.’

Grutto, veldleeuwerik, spreeuw, dacht ik. Maar dat vond Rob misschien te voor de hand liggend. Hij beperkte zich tot sprinkhanen. Hij zei: 'Vroeger trilde het boerenland in juli, augustus van het geluid van sprinkhanen. Helemaal weg!’

'En hier in de bossen’, zei hij. 'Goudhaantjes, vinken, hoe is het mogelijk dat dat allemaal zoveel minder is geworden, waar blijft dat allemaal, wat is er gaande?’

'Ik heb daar een bijna apocalyptisch gevoel bij’, zei hij. 'Ik heb het gevoel: hier zit iets fundamenteel verkeerd.’