Interview joep franssens 

‘De natuur is mijn spirituele leermeester’

De Rotterdamse concertzaal De Doelen viert zijn veertigjarig bestaan met een nieuw orkestwerk van Joep Franssens, Bridge of Dawn. Gesprek met een componist voor wie muziek meer een zaak van geloof dan van constructie is.

Joep Franssens (1955) is een held, voorzover een Nederlandse componist in vredestijd dat kan zijn. Toen ik hem jaren geleden voor het eerst interviewde, moest hij alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Zijn welluidende, expliciet tonale muziek stuitte bij subsidiënten en critici op toenemende weerstanden. Zeker toen in het orkestwerk Sanctus, het koorstuk Harmony of the Spheres en een grootscheeps Magnificat zijn spirituele inborst steeds nadrukkelijker aan het licht trad, klonken depreciërende vergelijkingen met de religieus gestemde klankschappen van Pärt, Peteris Vasks en John Tavener. Franssens werd een componist met een stigma: New Age. Dat had gevolgen voor zijn omzet. Mijn mond viel open toen ik hoorde wat hij met zijn werk verdiende: praktisch niets. Hij leek er niet onder te lijden. Op een dieet van Bach, Reich, Ligeti, Rachmaninoff en in de rug gedekt door een rotsvast geloof in zijn bestemming sloeg hij zich, met een prehistorische piano als werkezel, over het algemeen blijmoedig door het leven. Zijn onafhankelijkheid, legde hij met zijn licht Groningse tongval uit, ging hem voor alles. Met het Fonds voor de Scheppende Toonkunst wilde hij niets meer te maken hebben. En voor lesgeven voelde hij ook niks, hij was tenslotte componist. Geen geschnabbel: arbeid adelt. Als het leven hem te machtig werd ging hij vissen op de pier, of een strandwandeling maken. Dat hielp.

Rijk en beroemd is Franssens in de tussentijd niet geworden. Maar zijn positie is aanzienlijk versterkt nu het Nederlands Philharmonisch Orkest met enige regelmaat werken van hem uitvoert, de pianist Ralph van Raat zich voor zijn solowerken inzet, het Nederlands Kamerkoor zijn Harmony of the Spheres op cd vastlegde en hem op gezette tijden het privilege ten deel valt van een lovende recensie in de kranten. Bij het Orkest van het Oosten is hij komend seizoen composer in residence. Dit weekeinde brengt het NedPho onder leiding van Steven Sloane in de De Doelen het orkestwerk Bridge of Dawn in première, dat Franssens schreef voor het veertigjarig bestaan van de Rotterdamse concertzaal; het is zijn langste orkestwerk tot nu toe. Zijn projectagenda geeft geen reden tot klagen. Aan uitvoeringen in het buitenland ontbreekt het evenmin. Voor de eerstkomende jaren is zijn muzikale missie financieel gedekt.

‘Ik denk’, zegt Franssens thuis in Amsterdam-Zuidoost, ‘dat ik er diep in mijn hart toch op vertrouwd heb dat het goed zou komen. Al vraag ik me ook wel eens af hoe ik de afgelopen vijftien jaar ben doorgekomen. Eigenlijk is het een waanzinnige tijd geweest.’

Op de salontafel in zijn huiskamer, het is half twaalf ’s ochtends, stromen meeuwengekrijs en zeegeluiden uit een piepklein luidsprekersetje. Daarnaast een kan water. In de tot vuist gebalde linkerhand van de componist knispert het. Valkenoogstenen, licht hij toe: ‘Die passen bij me. Toen ik ze net gekocht had ging ik met die stenen in mijn hand over straat en voelde ik alle shit uit me wegstromen.’ In huis ruikt het naar buitenlucht; met roken is hij opgehouden. Alles zuivere koffie, puur natuur. Water, zee en stenen. Zonder ironie zegt hij: ‘Ik beschouw de natuur als mijn spirituele leermeester. Die strandgeluiden zijn onderdeel van mijn ochtendritueel. Ik heb veel tijd nodig. Voor alles. Toen ik mijn koorcyclus Harmony of the Spheres afmaakte, voelde ik me als een ingenieur Lely die de Afsluitdijk dicht. Langzaam, stap voor stap.

Het componeren van een stuk gaat nooit volkomen chronologisch, dat is gek. Je staat op een bouwplaats maar je weet niet precies wat je bouwt, dat moet eerst tot je doordringen. Je legt wat stenen neer, loopt weg, je komt weer terug en gaat ergens anders verder bouwen. Dat duurt en duurt, tot je ziet wat het wordt. Pas tien jaar nadat ik Sanctus had geschreven, een instrumentaal werk nota bene, wist ik waarom ik het stuk zo genoemd had. Sanctus is een gezang voor orkest, zonder tekst. Ik heb het sanctus-idee onbewust maar achteraf bezien opzettelijk uit zijn natuurlijke context gehaald. Omdat ik mijn spiritualiteit heb willen neerzetten als menselijke waarde, niet als onderdeel van een isme, een dogma, een religie. Er gaapt bij mij een diepe kloof tussen de eerste intuïtieve zekerheid en de bewustwording daarvan.

Bij Bridge of Dawn heb ik het ook gemerkt. Ik wist bijvoorbeeld wel meteen dat het Bridge of Dawn moest heten. Ik heb die titel uitgekozen omdat muziek voor mij de hoogste uitdrukking is van waartoe ik in staat ben, van mijn geestelijke vermogens dus, en dat muziek in staat is om een brug te slaan tussen – god, hoe moet ik dat zeggen – je onvermogens en je potentiële kunnen. Vertrouwen in je kunnen, daar gaat dit stuk over. Alleen kwam ik daar pas later achter. Eerst was er alleen… een beeld. Ik stelde me een zich langzaam ontvouwend, monumentaal werk voor. Maar het moest ook een jubileumstuk worden en hoewel ik niet per se vind dat dat gepaard moet gaan met veel muzikale toeters en bellen heeft dat op de achtergrond toch meegespeeld. Toch heeft het lang geduurd voor ik greep kreeg op mijn intuïtieve voorstelling van het stuk. Ik begon eraan in januari 2004 en eind dat jaar had ik het gevoel dat het af was. Pas daarna besefte ik dat het onderdeel zou worden van een veel groter geheel, een orkestdrieluik waarvan dit het eerste deel zou zijn en waarvan, dat ligt nu vast, de andere twee delen in 2008 in première gaan bij het Orkest van het Oosten. Deel 2 is ook af. Over deel 3 wil ik nog niks zeggen. Het bouwterrein is afgebakend, maar daar liggen bij wijze van spreken pas drie stenen.

Pas later kreeg ik door waarom ik aanvankelijk echt geen idee had waar het heen ging. De cd met Harmony of the Spheres was net uit en daar was ik nog zo vol van dat ik het begin niet kon vinden. Een opstartprobleem: ik zat mijn koorcyclus na te bootsen. Had ik Bridge of Dawn in minder tijd moeten schrijven, dan was het een ander stuk geworden dan het nu is.’

Wat het nu is: een orkestwerk van een half uur voor een min of meer courante symfonische bezetting. Beoogd eerste deel van een cyclus die uiteindelijk zal bestaan uit drie orkestpanelen met een totale lengte van een uur. Het tweede deel bevat een koorpartij; voor in het derde deel staat Franssens verder een sopraan voor ogen. De natuur voert de boventoon: ‘Ik vond een tekst van Hildegard von Bingen, die helemaal aansluit op hoe ik de natuur zie: als een bron van creatieve energie. Kijk hier, dit is de Engelse vertaling: “Glance at the sun/ see the moon and the stars/ gaze at the beauty of earth’s greenings/ Now, think.”’ Dat is taal naar zijn hart.

Deel 1 zet de toon. Dit is muziek van een gelovige, zij het niet in de confessionele zin des woords, die besloten heeft het leven onvoorwaardelijk te omhelzen. In elke maat resoneert een positieve grondhouding. Vier trompetten, deels in extatisch hoge liggingen. Veel molto espressivo en veel innigheid. Zelfs een vioolsolo. Brede, liggende bassen; orgelpunten. Groots opgetuigde harmonieën in D- en E-majeur, met voortekens en al, alsof een Schönberg nooit bestaan heeft. Een koraalachtig hoogtepunt en pianissimo-slotmaten: stemmingsmuziek.

Joep Franssens wijst me op een strijkersthema in de partituur: ‘Het meest lyrische dat ik ooit geschreven heb.’ Hij speelt me het agile voor, uptempo-optimisme. Yes on tour, 1972.

Het lijkt wel symfonische rock.

Een grijns: van zijn liefde voor Yes en Tangerine Dream heeft Franssens in interviews nooit een geheim gemaakt. ‘Ik ben blij dat je dat zegt. Ik zie al die sporen, al die elementen uit mijn muzikale geschiedenis in dit stuk samenvallen, in een geïntegreerde vorm. Ik hoor er ook mijn eerdere orkeststukken in terug. Sanctus, Phasing, Taking the Waters. Steve Reich, die scheurtrompetten die er dwars doorheen gaan. En Wagner, aan het slot. Ik heb niks van Wagner in huis, dat is het niet. Toch is er een aspect van Wagner dat me aantrekt: de dosering van climaxen. Maar het is geen bewuste verwerking van een Wagner-ervaring, zo zit ik niet in elkaar.’

Je bedoelt de Wagner van ‘Das Rheingold’, denk ik. Climaxen op liggende bassen. Dat is wat ik in je partituur zie.

‘Ja. Dat statische, orgelpunt-achtige.’

Als dit stuk een samenvatting is van wat je eerder hebt gemaakt, wat is er dan nieuw aan?

‘Ik denk de manier waarop ik aardse en hemelse elementen met elkaar combineer. Ik heb altijd gezegd dat er in mijn muziek twee bewegingstypen voorkomen: muziek van de aarde en muziek van de hemel, en dat het eerste type snel was en het tweede langzaam. Tot nu toe klopte dat ook. Sanctus is muziek van de hemel, langzaam. Mijn orkestwerk Roaring Rotterdam is muziek van de aarde: snel. In Bridge of Dawn is het precies andersom: de aardse muziek is langzaam en de hemelse snel. Die twee bewegingstypen staan in Bridge of Dawn symbool voor alle tegenstellingen die er zijn: licht en donker, hemel en aarde, verdriet en geluk, mannelijk en vrouwelijk. En ik denk dat het me voor het eerst gelukt is een synthese van beide bewegingstypen te bewerkstelligen in één stuk. Dat heeft me wel geholpen, moet ik zeggen. Door Bridge of Dawn heb ik meer respect voor mezelf gekregen. Deze cyclus heeft me meer leren begrijpen over hoe mijn creatieve energieën werken. Ik weet nu eens te meer wat de belangrijkste voorwaarde is om mijn muziek te kunnen laten stromen: tijd.’

Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v.

Steven Sloane

Franssens –Bridge of Dawn_, Nyman –_ gdm, concert voor marimba en orkest (Nederlandse première), Prokofjev – Symfonie nr. 5, zaterdag 25 november 2006, De Doelen, Rotterdam