Patrick Chabal & Jean-Pascal Daloz, Culture Troubles; Ronald Inglehart & Christian Welzel, Modernization, Cultural Change and Democracy

De natuur van cultuur

Patrick Chabal & Jean-Pascal Daloz

Culture Troubles: Politics and the Interpretation of Meaning

Hurst & Company, 362 blz., e 29,90

Ronald Inglehart & Christian Welzel

Modernization, Cultural Change and Democracy: The Human Development Sequence

Cambridge University Press, 344 blz., e 28,50

Bestaat er zoiets als een universele sleutel tot menselijke ontwikkeling? Volgens Ronald Inglehart en Christian Welzel wel. In hun boek The Human Development Sequence laten de Amerikaanse grondlegger van de World Values Surveys en de politicoloog van de universiteit van Bremen zelfs geen misverstand bestaan over de exacte volgorde van sociale processen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Het begint met modernisering gevolgd door culturele verandering uitmondend in democratie. Dat gaat als volgt in z’n werk: «De opkomst van een echt doeltreffende democratie weerspiegelt grotendeels de volgorde van menselijke ontwikkeling, opkomende zelf-expressiewaarden en democratische instituties. Democratie is de geïnstitutionaliseerde weerspiegeling van de emancipatoire krachten die inherent zijn aan menselijke ontwikkeling, en zelf-expressiewaarden zijn de beste indicator ván deze krachten.»

Op basis van onderzoek tussen 1981 en 2001 in meer dan tachtig landen, samen goed voor 85 procent van de wereldbevolking, concluderen Inglehart & Welzel dat «doeltreffende democratie zeer waarschijnlijk dan zal ontstaan als meer dan 45 procent van de individuen uit een maatschappij hoog scoren op de zelf-expressiewaardenschaal. Dit is een waarschijnlijkheidsrelatie, geen deterministische, maar het statistische verband is zeer sterk. Economische ontwikkeling draagt bij tot culturele veranderingen die democratie in toenemende mate waarschijnlijk maken.»

Patrick Chabal, hoogleraar afrikanistiek aan het Londense King’s College, en Jean-Pascal Daloz, als Afrika-analist verbonden aan het Franse Centre National de la Recherche Scientifique, hebben niks op met dergelijke «McSurvey’s». Die zouden meer verhullen dan verduidelijken. Ook wijzen ze in Culture Troubles op het instrumentele cultuurgebruik. Dit verwart modernisering met verwestersing en gaat er vanuit dat bijvoorbeeld Afrika op dezelfde weg zit als het Westen (richting functionerende staten met geweldsmonopolie en maatschappelijk middenveld).

In hun eerdere Africa Works: Disorder As Political Instrument uit 1999 stelden ze al vast dat de modernisering na de val van de Muur vooralsnog bestond uit vooruitgang (voor kleinere groepen) en achteruitgang (voor grotere groepen) die hand in hand gingen. Steeds meer economieën mochten in puin liggen, voor de informele netwerken van de Big Men bood deze stagnatie meer mogelijkheden tot vooruitgang dan de ontwikkeling van maatschappijen in hun geheel. Uit de overlappende tradities en moderniteit was in Afrika een politieke cultuur gegroeid met als kenmerk: het aanwenden van wanorde voor eigen doelen.

Vijf elementen lagen ten grondslag aan deze situatie, aldus de afrikanisten. Ten eerste zijn Afrikanen de gevangenen van hun gemeenschappen. In het Westen ontwikkelde zich een individuele burgerzin. Ook geldt binnen deze gemeenschappen het principe «voor wat, hoort wat». Van politieke partijen wordt eenvoudig verwacht dat ze hun achterban bedienen. Het is dan ook niet verbazend dat – ten derde – de politiek wordt gekenmerkt door sterk persoonsgerichte netwerken die hun achterban vanuit de top bedienen. Terwijl een Afrikaanse bevolking als geheel neerkijkt op degenen die zich verlagen tot kleine corruptie (louter gericht op eigenbelang) wordt het vaak grootschaliger machtsmisbruik van politici ten behoeve van hun eigen gemeenschap veelal gezien als moreel gerechtvaardigd. Voorts wordt de mate van succes van politici afgemeten aan de (on)tevredenheid van hun achterban. Geen wonder dat ze gebiologeerd zijn door kortetermijn- en deelbelangen die hun netwerken in stand houden.

Tegen deze achtergrond verbaast het geenszins dat Chabal & Daloz in Culture Troubles – een knappe poging tot herinterpretatie van de relatie tussen cultuur en politiek – niet al te zwaar tillen aan al dat gedemocratiseer in het Afrika van na de Koude Oorlog: «Het regelmatig houden van meerpartijenverkiezingen, hetgeen gewoonlijk gelijkgesteld wordt met democratisering, is voornamelijk ontstaan door druk van buitenaf, maar in de feitelijke praktijk is de democratie heel vaak aangepast aan de logica en gestrengheid van cliëntelisme, en niet andersom, zoals vaak wordt beweerd.» Ze wijzen erop dat de politiek moet worden geanalyseerd in haar culturele context. Want in principe bepaalt cultuur politiek, niet andersom. Dat wil zeggen, cultuur opgevat als een systeem van betekenis en niet primair van waarden. Chabal & Daloz schrijven: «Cultuur beschouwen in termen van waarden betekent dat men de zaak vanuit een normatief en, niet zelden, etnocentrisch perspectief benadert – en dat maakt het bijvoorbeeld moeilijk om een verklaring te geven voor ‹culturele› verschillen binnen één gemeenschap. Cultuur beschouwen in termen van betekenissen houdt daarentegen in: proberen om de taal toegankelijk te maken waarin mensen, die van mening kunnen verschillen over waarden of politieke doelen, dit kunnen uiten binnen een gedeeld perspectief.» Vandaar de ondertitel: Politics and the Interpretation of Meaning.

Maar hoe geef je vorm aan een interpretatieve benadering van cultuur? Volgens de afrikanisten door een inductieve aanpak in plaats van een deductieve: door niet langer aan te komen met grootse meeslepende sociaal-wetenschappelijke theorieën over menselijke ontwikkeling maar door uit te gaan van de waarneembare werkelijkheid en eclectisch te komen tot een beknopte visie van culturele verschillen. Chabal & Daloz: «Kortom, een culturele benadering is complex, contingent, denkt aan het verleden, is gevoelig voor de veelsoortige aspecten van de moderne tijd en staat open voor vele wegen naar en in de toekomst.»

Om hun visie kracht bij te zetten, beschrijven Chabal & Daloz de verschillen in politieke representatie in Frankrijk, Zweden en Nigeria. Zo bestaat in Frankrijk door zijn ontwikkelingsgang («Versailles en de Revolutie») minder respect voor de staat dan in Zweden, hoewel dat niets is vergeleken bij Nigeria (dat geen traditie kent van gecentraliseerde en geïnstitutionaliseerde bureaucratieën met geweldsmonopolies). Ook geldt in Zweden de Jante lagen, vrij vertaald «doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg». Uiterlijk vertoon gaat daar ten koste van de legitimiteit van representatie. In tegenstelling tot Nigeria, waar het voor politici niet ongewoon is om te koop te lopen met vrouwelijk gezelschap.

Chabal & Daloz: «In Nigeria vergroot de zichtbare bevestiging van roofzuchtige seksualiteit het politieke profiel van politici, die er vaak op uit zijn om hun autoriteit te laten gelden door het vrouwelijk gezelschap van hun tegenstanders te verleiden. In het Afrikaanse land is zo’n demonstratie van ‹viriliteit› niet zelden een politiek pluspunt voor de legitimatie van macht, het omgekeerde is waar in Zweden.» In Frankrijk gebeurt een en ander discreet achter gesloten deuren.

Wie hebben er gelijk: de politicologen of de afrikanisten? Het is goed even stil te staan bij de universele, «waardegeladen» grand theory van Inglehart & Welzel en de lokale, «betekenisvolle» small theory van Chabal & Daloz door Een kleine geschiedenis van Amsterdam erop na te slaan. Daarin beschrijft Geert Mak het Amsterdamse patronagesysteem van de achttiende eeuw aan de hand van het dagboek van koopman Jacob Bicker Raye. Die noteert tegen het eind van de eeuw in zijn journaal dat hij van zijn broer het ambt van afslager van de Grote Vismarkt op de Dam had overgenomen. Hij kreeg daarvoor tweeenhalf procent van de omzet van de markt, wat kon oplopen tot zo’n vijfhonderd gulden per maand. De man die het eigenlijke werk deed, betaalde hij vierhonderd gulden per jaar. De «rest» kon hij in zijn eigen zak steken. Volgens Mak is het boek «voor een niet gering gedeelte gevuld met het gesjoemel en gekonkel rond dit soort lucratieve ambten».

Hoewel het patronagesysteem op z’n retour was, circuleerden bestuurlijke posten zo ook onder een kleine groep van families. Of dit systeem werd geaccepteerd door de doorgaans toch goed gebekte Amsterdammer? Ja, sterker: alles voltrok zich in het openbaar. De doorsnee Amsterdammer profiteerde zelf ook van de windhandel in baantjes, want de patronage had zich op minischaal verspreid onder een groot gedeelte van de bevolking.

In een vergelijking à la Inglehart & Welzel met Afrika verliep in Nederland de evolutie van een Amsterdams patronagesysteem tot het kabinet-Balkenende relatief ongestoord, zonder al te veel ongewenste invloeden van buitenaf. In het vijftigtal Afrikaanse landen werd iets dergelijks pas echt mogelijk vanaf de val van de Muur en verloopt het minder gladjes. Dat zou pleiten voor geduld en ontwikkelingshulp. Maar tegelijk zou je vijftien jaar na de Koude Oorlog vanuit een invalshoek à la Chabal & Daloz tot de ongemakkelijke conclusie kunnen komen dat in Afrika een openbare wanorde groeit in plaats van een openbare orde en dat ontwikkelingshulp daar wel eens voedsel aan geeft.