Essay over voetbalmoraal

De Nederlaag

Voor enig aanzien in het buitenland moet Nederland het van kleinigheden
als succesvolle voetbaltoernooien hebben. Maar ook daar blijkt winst niet
eenvoudig te realiseren.

Op 7 juli 1974 verloor Nederland de finale van het wereldkampioenschap voetbal. Het was een wedstrijd die Nederland - we begonnen dat pas na verloop van tijd werkelijk te begrijpen - had moeten winnen, op het territorium van de vijand, in München, de stad van de Alte Pinakothek, Franz Josef Strauss, de mislukte Radenrepubliek van 1919 en de Hitler-putsch van 1923; een perfecte stad voor een voetbalzege. De nieuwe Nederlandse sterren hadden tijdens het toernooi tegen landen als Uruguay, Argentinië en Brazili ë bewezen dat ze het beste elftal van de wereld hadden, en nu Latijns-Amerika naar huis was gestuurd, moest het werk worden voltooid. Het was wedstrijd nummer 341 sinds die allereerste officiële interland van zondag 30 april 1905, tegen België, op het veld van Beerschot in Antwerpen. Er heerste in die dagen onrust over het bezoek van de pro-Duitse premier Kuyper aan Duitsland, een discussie waarin Wilhelmina zich persoonlijk mengde met de nota Voor- en nadeelen van een bondgenootschap; tot nader order was zij tegen. Het was een maand of tien na een bloedige veldtocht van luitenant-kolonel Van Daalen in Atjeh, besloten met het uitmoorden van de kampong Kutoh Reh; ook toen had men er kennelijk al moeite mee om rustig op zijn kamer te blijven zitten. Nederland won die dertigste april met 4-1, alle doelpunten gemaakt door Eddy de Neve (Velocitas Breda), waarvan drie in de verlenging. Het was in de tijd dat er wel regels waren tegen gelijkspelen, maar niet tegen oorlogen. Oranje moest winnen, maar het leed zijn grote, archetypische Nederlaag tegen de erfvijand. Waar is die grote Nederlandse roman van 777 pagina’s die 7-7-1974 als uitgangspunt neemt voor een groots epos over het vaderland, waarover vervolgens zo lang is nagetreurd dat het buitenlandse waarnemers moet hebben verbaasd; al is mij niet overgeleverd hoe lang bijvoorbeeld de onverslaanbare Hongaren zichzelf na «Bern 1954» (2-3 verlies, ook tegen Duitsland) met zelfverwijten zijn blijven overladen. Rond oktober 1956 hadden ze in elk geval weer iets anders aan hun hoofd. In het openbaar bleven we volhouden dat voetbalwedstrijden helemaal niet belangrijk waren, maar in de loop der jaren leek het wel of de pijn toenam. We gingen begrijpen dat er sprake was geweest van een «nu-of-nooit»-situatie, een indruk die niet verminderde toen Nederland in 1978, zelfs zonder Cruijff, weer tot de finale doordrong, tegen gastland Argentinië dit keer. Er kleefde «bloed» aan de paal dat ook Rob Rensenbrink niet kon uitwissen. Raak je gewend aan het verliezen van finales? Er braken magere jaren aan, waarin Nederland niet kon winnen van landen als Zweden (ruim 8,5 miljoen inwoners) en IJsland (vrijwel geen inwoners) en waarin je onwillekeurig Oswald Spengler-citaten te binnen schoten: «Auf mich wirkt diese ganze geistliche Gegenwart wie eine hässliche Dezemberlandschaft, Schmutz, Schnee, Dunst, Kälte, ein paar Krähen verdrossen auf kahlen Ästen. » De eindzege op het EK van 1988, precies tien jaar na «Buenos Aires» (dit ter aanmoediging van beginnende numerologen) gaf Holland wel enige verlichting - negen miljoen man op straat, de woonboten in Amsterdam werden deels onderzeeboten - maar die was toch niet voldoende. Tienduizend jaar na de laatste ijstijd is Nederland nog nooit wereldkampioen geweest, en dat doet zeer. Bij aanvang van het komende EK realiseren we ons dat het maximaal haalbare een herhaling van 1988 is, weliswaar in eigen land, maar toch een tweederangs onderscheiding. Een reactie als die van doelman Jan Jongbloed, die ooit verklaarde «toch wel tevreden » te zijn met het zilver, is zo onbegrijpelijk dat het een apocrief verhaal moet zijn. Tweede plaatsen zijn vanouds de ergste posities die je kunt innemen. Vraag het maar aan een eeuwige reserve of aan de voormalige Amerikaanse vice-president Dan Quayle, die vanuit een hogere staat van lediggang zulke opmerkelijke uitspraken ging doen dat er op het internet bloemlezingen van verschenen: «What a waste it is to lose one’s mind - or not to have a mind.» Dit is wat er met je gebeurt als je te lang op tweede posities verblijft. In september 1938 reisde de Britse premier Arthur Neville Chamberlain naar de Beierse hoofdstad. Hij was een gereserveerde, koudbloedige man die voor het eerst van zijn leven in een vliegtuig stapte, op weg naar een ontmoeting met ’s werelds bekendste Oostenrijker. Chamberlain vroeg en kreeg in ruil voor de soevereiniteit van de Sudeten-Duitsers garanties voor de veiligheid van Tsjechoslowakije en keerde vervolgens terug naar Albion, waar hij op de vliegtuigtrap met een stuk papier zwaaide en vervolgens de ietwat onnauwkeurige boodschap «Peace in our time» de wereld in stuurde. Toen Hitlers troepen in maart 1939 Praag bezetten, maakte niemand zich meer illusies over de nazi’s. Het excuus van «tijdwinst» - de Britten konden tijdens de phoney war in allerijl hun verwaarloosde defensie enigszins op krachten brengen - heeft nooit veel indruk gemaakt, ongeacht of het argument militair hout sneed of niet, en jonge Tsjechen zijn nog altijd geen intieme vrienden van de Navo, zo bleek vorig jaar tijdens demonstraties. We hebben het hier over belangrijke gebeurtenissen, maar «München 1938 » betekent voor veel Nederlanders minder dan «München 1974» en ook minder dan «München 1972», toen tijdens de Olympische Spelen elf Israelische sportlieden aan een terreuraanslag ten offer vielen. «München 1958 » is vooral in Groot-Brittannië een begrip: in februari van dat jaar kwam een groot deel van het wonderteam van Manchester United om het leven op het vliegveld Riem; het was het ongeluk dat Bobby Charlton en Matt Busby overleefden, maar Roger Byrne en Tommy Taylor niet. De schrijver H.E. Bates zette op die rampdag de televisie aan, en «my eyes went deathly cold and I sat listening with a frozen brain to that cruel and shocking list of casualties that was now to give the word Munich an even sadder meaning than it had acquired on a day before the war, after a British Prime Minister had come home to London waving a pitiful piece of paper and most of us knew that new calamities of war were inevitable». Voetbal is om de een of andere reden belangrijk, of we nu met de dedaigneus-sociologische blik of vanuit een universitair geschoold metaperspectief ernaar kijken. Voetbal is belangrijk in Europa en in de hele wereld, ook voor al die honderden intellectuelen die halsstarrig proberen om er Hard Gras-achtige «literatuur» uit te destilleren. Voetbal is een voornaam onderdeel van de public relations van een land of een bron van identiteitsvorming en zelfvertrouwen, zoals bij Kroaten en Turken kan worden nagevraagd. Waarom heeft de naam «Nederland» een zekere weerklank in de wereld? Het zijn niet de verzamelde werken van Multatuli of het voortreffelijke Engels van onze politici die ons de planetaire faam hebben gebracht, maar «Cruijff» (in de binnenlanden van Afrika kan met dit toverwoord nog altijd de vrijheid van een vastgelopen terreinwagen worden geregeld), «Amsterdam/verdovende middelen» (een of twee items?), «Van Basten», «Gullit», «Rembrandt », «Van Gogh», «Shell», «Rotterdam» (alleen dankzij het bombardement), terwijl men in het buitenland doorgaans onkundig is gebleven van Philips’ rol bij wereldomspannende uitvindingen als het cassettedeck en de compactdisc. We zouden, met in het achterhoofd onze glanzende exportcijfers, graag horen dat Nederland een middelgrote natie is, maar ook dat is betrekkelijk. In vergaderclubjes van rijke industrielanden mogen we niet meedoen en wanneer óns staatshoofd in 1963 zou zijn neergeschoten vanuit een schoolboekendepot zou de grote wereld dat allang weer zijn vergeten. We moeten het dus van spectaculaire kleinigheden hebben - Nobelprijzen en voetbaltoernooien. Brazilië was het toernooi uitgebikkeld door een generatie spelers die allemaal tussen 1940 en 1952 waren geboren (oorlog, wederopbouw), een generatie voetballers met ellebogen van beton. De namen Suurbier, Van Hanegem, Israël en Neeskens roepen bij menigeen een zekere weemoed naar «hardheid» op; er kwamen in die generatie geen «non-flying Dutchmen» voor, en de aanvaller die tussen Rinus Israël en Theo Laseroms door wilde, was levensmoe. Na het hardhandige afscheid van de wereldkampioen waren ook de laatste twijfelaars overtuigd van Oranjes kwaliteiten. Nederland speelde onder supervisor Rinus Michels het befaamde «totaalvoetbal», met multifunctionele spelers die bedreven waren in de snelle balcirculatie. Een systeem waarvan de primeur de Nederlanders bij gelegenheid wel werd betwist, terwijl anderen weer beweerden dat het allemaal niets nieuws was en dat het voornamelijk betekende dat Suurbier na het halen van de achterlijn te moe was om een behoorlijke voorzet te geven. Het zelfvertrouwen grensde aan arrogantie, die zichtbaar was aan de manier waarop de bal werd rondgespeeld. Er was nooit enige aarzeling, er was altijd een plan. Paul Breitner vertelde dat de ogen van de Nederlandse voetballers, toen zij die historische zondagmiddag hun kleedkamer verlieten, hun tegenstanders maar é én ding leken te vragen: «Met hoeveel zouden jullie vandaag willen verliezen? » Was er heel misschien nog enige politiek in het spel? De Tweede Wereldoorlog was in 1974 29 jaar geleden afgelopen en Duitsland was een fatsoenlijk land geworden met een keurige man als Willy Brandt aan het roer (net twee maanden voor de Nederlaag afgetreden, als gevolg van een spionageaffaire die echt niet zijn schuld was) en de topvoetballers van beide landen gingen bij elkaar op verjaardagsvisite. Toch heerste hier en daar al het gevoel dat er nog een rekening moest worden vereffend. Het viel een Britse sportjournalist op dat de Nederlanders zich na Neeskens’ premature strafschop, «a poisoned gift », 25 minuten lang beijverden de Duitsers te vernederen, kat en muis spelend met een «opponent which, for historical reasons, they longed to humiliate». 26 Jaar na die fatale korte draai van Gerd Müller vraag ik me weer eens af hoe de Nederlanders zich zouden hebben gevoeld wanneer er helemaal geen finale tegen West-Duitsland was gespeeld en wanneer de tijd vanaf mei 1945 zijn slijtvaste werk rustig had kunnen verrichten, dat wil zeggen zonder tussenkomst van nieuwe pijnlijke ervaringen. Is er soms sprake van twee trauma’s, waarbij het eerste het tweede heeft gevoed, maar ook, in veel mindere mate maar toch merkbaar, het tweede het eerste? De sportjournalist Simon Kuper vermeldt in zijn boek Voetbal als oorlog dat hij niet gelooft dat de Duitsers en Nederlanders elkaar in 1974 nog zo haatten en dat de animositeit zich pas na 1974 en als gevolg van diverse voetbalconfrontaties heeft ontwikkeld, maar ik ben daar niet zo zeker van: na de Nederlaag heb ik alleen maar mensen horen roepen dat ze ausgerechnet tegen Duitsland niet hadden willen verliezen. In het weekblad Der Spiegel is de Nederlanders ooit een grote-broercomplex toegeschreven, hetgeen gebaseerd was op de idee dat Duitsers en Nederlanders juist erg op elkaar leken, nog afgezien van het feit dat het normaal was dat kleine landen moeite hadden met hun grote buurlanden. Wie zal het zeggen? De Duitsers hebben wel vaker gedacht dat «wij Germanen» erg op elkaar leken. Je kunt je van een kwart eeuw afvragen of het nu een «lange» of een «korte» periode is, maar de beelden die door toedoen van sadisten bij de omroep bij de minste of geringste aanleiding herhaald worden, blijven onthutsend fris: het onmiskenbaar Münchense Olympia-groen, Neeskens’ ongemeen slordige strafschop (zulke strafschoppen horen in gewonnen wedstrijden thuis), de Schwalbe van Hölzenbein, de verstening van Jan Jongbloed bij de tweede Duitse treffer in die rampzalige 43ste minuut - onderscheiden op dit soort ogenblikken de briljante keepers zich van de goede? - en die voor eeuwig onbenutte mogelijkheden van Rep en Neeskens, die de nationale vernedering alsnog hadden kunnen verhinderen. Ik heb, in het kader van de rouwverwerking, wel eens geprobeerd een Mulisch-achtig verhaal te schrijven, waarin Nederland de achterstand heeft omgebogen in een 2-3 overwinning, maar waarin een jonge voetballiefhebber een verhaal schrijft over de situatie die zou zijn ontstaan wanneer Nederland níet had gewonnen. Maar het hielp niet. Dit was een nederlaag met de permanentie van een lichamelijke kwaal. Tot drie keer toe - de laagste schattingen - hadden de Batavieren het materiaal om wereldkampioen te worden, maar ze werden het niet. De geschiedenis had ondertussen wel wat beters te doen dan stil te blijven staan bij zoiets als een voetbalwedstrijd. De Duitsers werden in 1990 alwéér wereldkampioen, ditmaal dankzij een buiteling van Rudi Völler, en in de loop van de jaren negentig namen, meen ik te mogen constateren, bij mijn tijdgenoten de frustraties over de Nederlaag enigszins af. Gedeeltelijk werden ze geabsorbeerd door «Hamburg 1988» (de finale tegen de Russen, die weer in München plaatsvond, heeft veel minder emotionele sporen nagelaten), maar ook, zou ik zeggen, door de gewijzigde geopolitieke situatie. De wereld veranderde sinds 1989 zo sterk dat de wederwaardigheden van de geschiedenis vóór dat grote keerpunt nog deel uitmaken van de vorige wereld, die van de Koude Oorlog en de manicheïstische wereld waarin de rijken van de Duisternis en het Licht duidelijk afgegrensd waren, of je er nu in geloofde of niet. De historicus Hobsbawm laat zijn «korte twintigste eeuw» beginnen in 1914 en ophouden in 1991, en daar lijken - al is elke in deling in zekere zin willekeurig - goede redenen voor te zijn. Wanneer we willen geloven dat de Nederlaag nu verwerkt is (een weldenkend mens voelt heel goed aan dat het onzinnig is om over de millenniumwisseling heen te blijven doorzeuren over «1974», want in dat geval moet ook de brede maatschappelijke discussie over de Pruisische interventie van 1787 worden hervat), resteert de vraag naar de psychologische betekenis ervan. Waarom deden we er zo lang over om die te verwerken? Nederland lijkt af en toe, zoals we ook weer naar aanleiding van de Bijlmer-enquête hebben moeten constateren, op een hysterisch land. Op een Nordische manier hysterisch, zullen we maar zeggen. Een land dat met rampen kennelijk geen raad weet en zijn emoties niet kanaliseert via woedende volksmassa’s, politieke aanslagen en regeringswisselingen, maar met dikke rapporten en kamerdebatten, met collectieve fantasieën over mannen met witte pakken en met eindeloos gezever over de schuldvraag (momenteel wordt de Enschede-variant beproefd). Het zijn de culturele voortbrengselen van een volk met de langste lichamen én de langste tenen ter wereld, waarvan sommige onderdanen in het jaar 2000 nog altijd vinden dat keizer Akihito zijn excuses moet aanbieden voor omstandigheden waar zelfs zijn vader al niet veel aan kon veranderen. Omgaan met een nederlaag lijkt op het traditionele rouwproces, maar Nederland is lange tijd blijven steken in één van die fases die de Amerikaanse psychologe Elisabeth Kübler-Ross heeft beschreven: de woede. Tijdens sportuitzendingen is ontelbare malen met onverholen en infantiel leedvermaak gereageerd op elke nederlaag van het Duitse nationale elftal, uitspraken die meestal ook nog vergezeld gingen van de half schuldbewuste wending: «Het is kinderachtig, we mogen het eigenlijk niet zeggen. » Wat er werkelijk gebeurde, is dat we ergens in een gure buitenwijk van het melkwegstelsel een voetbalwedstrijdje verloren. En zoiets kan ook een elftal overkomen dat eigenlijk beter is dan zijn tegenstander omdat het voetbal nu eenmaal evenzeer door toevalligheden wordt beheerst als het niet-voetbalgedeelte van de geschiedenis. Hoeveel historische patronen en Kondratieff-cycli we ook zullen ontdekken, de geschiedenis is het product van orde en wanorde, noodzaak en toeval. Het is géén toeval dat Brazilië en Duitsland meermalen de wereldtitel veroverden - het zijn landen met veel inwoners en een sterke voetbaltraditie - maar over afzonderlijke wedstrijden kun je niets met zekerheid voorspellen. Zo werken de wetten van de statistiek, ook al is, zoals wordt gezegd, statistiek voor 47 procent onzin. «Het zuivere toeval», schrijft de fysicus Ilya Prigogine in Het einde van de zekerheden, «is evenzeer een ontkenning van de realiteit en van ons verlangen om de wereld te begrijpen als het determinisme.» Van wel zeer bevoegde zijde wordt ons hier dus de gulden middenweg geadviseerd. Prigogine zal wel gelijk hebben, maar wanneer Van Basten tegen Denemarken een van zijn zeldzame missers produceert, overheerst toch een gevoel van pech, willekeur en toeval. De ene keer valt de onvoorspelbaarheid van de gebeurtenissen wat meer op dan de andere keer. Een schot dat via de paal doel treft («kundigheid») leidt tot een andere conclusie dan een bal die via twee palen weer in het veld belandt («domme pech »), terwijl het verschil niet meer dan enkele centimeters hoeft te bedragen - «und das Chaos sei willkommen, denn die Ordnung hat versagt», zoals de Oostenrijkse satiricus Karl Kraus het in een geheel ander verband formuleerde. Op 2 juli 2000, wanneer Spanje de finale heeft gewonnen van Nederland en niet-Multatuli-lezers een tweede historische ravage hebben aangericht in Rotterdam, zullen we er hoe dan ook niet veel bijzonders hebben bijgeleerd. Maar waarom zouden we ook. Nederlagen en rampen kunnen je trouwens ook beroemd maken: Johan Cruijff heeft opgemerkt dat de wereld nog altijd praat over het voetbal van Nederland in 1974 en de steden Pompeji en Herculaneum zouden vergeten zijn wanneer de Vesuvius niet zo genadig was geweest.