De nederlandse afgang in het europese

Dramatische verschuivingen en alles blijft hetzelfde. Dat is de uitslag van een week Europese verkiezingen. Het Europese parlement verandert nauwelijks van samenstelling. De socialisten vormen nog steeds de grootste fractie, de christen- democraten blijven op de tweede plaats, de liberalen en de Groenen hebben wat verloren en blijven in de marge. De soms aanzienlijke veranderingen in elk land apart blijken elkaar te hebben geneutraliseerd en eigenlijk interesseert de uiteindelijke uitslag helemaal niemand. Het Europese parlement heeft immers nauwelijks macht, de standpunten van de partijen in Europese zaken wijken nauwelijks van elkaar af en in elk land werden de uitslagen alleen maar als een test voor de nationale verhoudingen opgevat.

Erg bemoedigend zijn die uitslagen trouwens niet voor die nationale verhoudingen. In Italie hebben de nieuwbakken regeringspartijen Forza Italia van Berlusconi en de neofascisten hun positie alleen maar versterkt. In Duitsland blijkt de christen-democraat Helmuth Kohl een enorme rots in de branding, terwijl de socialisten een tik van de kiezers hebben gekregen omdat ze zich nauwelijks van de regeringspartijen wisten te onderscheiden. In Engeland heeft Labour wel gewonnen en heeft Major moeten beloven dat hij zijn kabinet zou reorganiseren, maar niemand kan vergeten zijn hoe de socialisten bij de parlementsverkiezingen van 1992 tegen elke verwachting in toch door de Conservatieven werden verslagen. In Frankrijk verloren de socialisten dramatisch en behielden de rechts- extremisten van Le Pen hun zetels. In Belgie waar de socialisten eveneens een derde van hun stemmen verloren, verstevigde het rechts- extremistische Vlaams Blok zelfs zijn positie. Ook in Spanje en Denemarken gingen de socialisten achteruit; dat ze in Griekenland en Portugal winnen kan dan ook nauwelijks een troost zijn.
Voor een deel is deze uitslag te verklaren uit de aloude stelregel dat christen- democraten trouwere stemmers zijn dan socialisten, met name in verkiezingen die er niet zo erg toe lijken te doen, zoals provinciale en Europese verkiezingen. In Nederland durfde Brinkman dan ook nauwelijks vrolijk te kijken toen het verlies voor het CDA meeviel en zijn partij bij deze verkiezingen weer als de grootste uit de bus kwam. Zelfs hij durfde het niet te zien als een herstel na de Tweede-Kamerverkiezingen van vorige maand.
Deze opvallende uitslag moet voor het overgrote deel worden toegeschreven aan de dramatisch lage opkomst van de Nederlanders bij de Europese stembus. Een tweederde- meerderheid, niet minder dan 64,4 procent van de kiezers kwam niet opdagen, een zowel historisch als geografisch dieptepunt. Nog nooit zijn zo weinig Nederlanders gaan stemmen en nergens in Europa was het opkomstpercentage zo laag.
Optimistische commentatoren hebben dit lage opkomstpercentage uitgelegd als een protest van de kiezers tegen het ondemocratische karakter van de Europese instellingen in het algemeen en van het gebrek aan politieke macht van het Europese parlement in het bijzonder. Jammer genoeg betekenen de lage opkomstcijfers in de meeste Europese landen (uitgezonderd Duitsland en Italie) nu niet bepaald een versterking van de positie van het Europese parlement tegenover de Europese Commissie en de Raad van Ministers. Toch lijkt het mij dat we de kiezers en hun kennis van de Europese instellingen overschatten als we hun niet-stemmen in die richting interpreteren. Waarschijnlijker is het dat Europa ze eenvoudig geen pest interesseert. En dat is een belangrijker teken aan de wand, zeker in Nederland, dat als geen land de overspannen verwachtingen ten aanzien van Europa heeft gevoed: heeft het Maastricht niet beroemd gemaakt in de hele wereld als de stad waar de victorie van een waarlijk verenigd Europa zou worden afgekondigd? Zonder enig debat in Nederland zelf, zonder enige rugdekking onder de bevolking, zonder enige zorg of Europa nu werkelijk leeft in Nederland, wilde de regering-Lubbers Europa naar een eenheid forceren, waar elders in Europa enorme weerstanden tegen bestonden.
Het is onbegrijpelijk - en meer lachwekkend dan droevig - dat Lubbers nog durft te blijven hopen op een Europese positie na de afgang van Nederland bij de federalisering van Europa, na onze onmacht iets te doen aan de oorlog in Joegoslavie en het in elkaar klappen van al onze opgeblazen pretenties. Lubbers vroeg de Nederlandse kiezers hem te steunen in de race om het voorzitterschap van de Europese Commissie. Welnu, de kiezers hebben gesproken: het interesseert ze minder dan niets of Lubbers na zijn premierschap weer in zaken gaat of een ander erebaantje opstrijkt. De bescheiden Belgen hebben heel wat meer reden te verwachten dat hun premier Dehaene nu officieel kandidaat zal worden voor die post, en elk uitstel van de beslissing brengt het Europese voorzitterschap van Dehaene dichterbij. Het zou Nederland sieren deze Europese nederlaag nu maar ruiterlijk te erkennen en niet te blijven hopen dat er alsnog iets gebeurt waardoor Lubbers een dubbele afgang bespaard zal blijven.
Volstrekt tegengesteld aan de stemming in Nederland was die in Oostenrijk. Daar werd afgelopen zondag bij referendum besloten of Oostenrijk na een jarenlange positie van neutraliteit per 1 januari 1995 lid zal worden van de Europese Unie. In Oostenrijk was de opkomst zeer hoog (81,3 procent) en niet minder dan twee derde van de kiezers stemde voor toetreding.
Wie de uitslagen uit Nederland en Oostenrijk naast elkaar legt, zou de volgende conclusie kunnen trekken. De populariteit van Europa is groot bij landen die geen lid zijn van de Europese Unie, groter dan bij de bestaande leden. De uitslag in Oostenrijk zou een positieve invloed kunnen hebben op Noorwegen, Zweden en Finland, die in de herfst stemmen over toetreding. Maar er zijn meer landen die zich maar al te graag bij de Europese Unie zouden aansluiten: met name Polen, Hongarije, Tsjechie en eventueel Slowakije en Roemenie.
Er is in beperkte kring een debat gevoerd over wat prioriteit moest hebben: uitbreiding dan wel verdieping van de Europese samenwerking. De kiezers, niet om hun mening gevraagd, lijken zich door niet te stemmen toch in de discussie te hebben gemengd. De door de regering-Lubbers zozeer gewenste voortgang op weg naar een federatief Euopa stuit niet alleen in Engeland en Duitsland op bezwaren, ook de Nederlandse kiezer heeft geen belangstelling. Dat heeft Lubbers mogen aantonen. Een nuttige maar ondankbare functie.