KRITIEK OP HET NEONATIONALISME

De Nederlandse droom

Het bange Nederland is een belangrijk pleidooi tegen een almaar minder tolerante samenleving, vindt Willem Schinkel. Maar een progressief antwoord moet verder gaan dan het afserveren van angsten als irrationeel of het aanprijzen van kosmopolitisme.

Reageer online>>>>

IN NEDERLAND WAART het spook van een nieuw nationalisme. Dit neonationalisme is niet het nationalisme van de negentiende eeuw, de ‘springtime of nations’, maar een nationalisme dat verbonden is met naoorlogse migratie. Dat uit zich in de omgang met migranten, de discussie over de Nationale Canon en het Nationaal Historisch Museum. Het leidt, zo stellen de auteurs van Het bange Nederland: Pleidooi voor een open samenleving, tot een ‘closing of the Dutch mind’. Daarin ligt een verwijzing naar het boek van Allan Bloom, The Closing of the American Mind. Bloom, leerling van Leo Strauss, was een conservatief denker die de teloorgang van de Amerikaanse cultuur bejammerde. Duyvendak, Engelen en De Haan zijn progressieven die, met een dus wat riskante analogie, de overdreven nadruk op de Nederlandse cultuur bestrijden.
De auteurs willen met hun essay een interventie plegen in het openbare debat in Nederland dat, zo stellen zij, te zeer in zichzelf gekeerd is. Ze houden een pleidooi voor een open samenleving en constateren dat op drie fronten een sluiten van de Nederlandse geest plaatsvindt. Ten eerste overheerst de angst voor het vreemde in het integratiedebat. Ten tweede bestaat er een bekrompen veroordeling van het kosmopolitisme als verkwanseling van het cultureel eigene aan Nederland. En ten derde wordt Nederland gekenmerkt door een angst voor het ‘neoliberale kapitalisme’. Deze angsten worden zichtbaar in een nationalisme dat de luiken van de Nederlandse geest sluit.
De houding ten aanzien van allochtonen, kosmopolieten en kapitalisten die ze beschrijven bevat steeds een kern van waarheid. Er is bijvoorbeeld een analogie tussen de culturele angst voor ‘de islam’ en de economische angst voor ‘China’. Maar tegelijkertijd gaat het in Het bange Nederland soms te gemakkelijk en mist de analyse diepgang.

De auteurs constateren een angst voor allochtonen en een nationalistische bezinning op ‘de Nederlandse cultuur’ die uitsluitend en stigmatiserend werkt. Een van de sterke punten van Het bange Nederland is dat het niet blijft bij citaten van Wilders en Verdonk, maar dat duidelijk wordt dat ook de gevestigde politieke partijen een nationalistische ommekeer hebben gemaakt.
Opvallend daarbij is de rol van de elite, zo stellen de auteurs vast. Die is zich na de ‘Fortuyn-revolutie’ meer gaan richten op ‘het volk’. De afkeer van politieke correctheid heeft geleid tot een populistische kritiek op de elite. Die wordt paradoxaal genoeg gedeeld door zowel burger als politieke en bestuurlijke elite. Een deel van de culturele elite heeft dat verder aangemoedigd door radicaal mee te gaan in de nationalistische en intolerante verdediging van ‘onze cultuur’. Geen krantenredactie durft inmiddels nog een pleidooi voor ‘multiculturalisme’ te plaatsen – hoewel geen redactie weet wat die term betekent. Zo groot is de vanzelfsprekendheid van wat het ‘multiculturealisme’ genoemd kan worden.
Wat overblijft is een beperkt deel van de culturele elite dat wordt bekritiseerd om zijn ‘freischwebende’ kosmopolitisme. Maar in de neonationalistische kritiek op ‘kosmopolitisme’ moet niet slechts een uiting van ressentiment gezien worden, zoals de auteurs dat doen. Over kosmopolieten zei Jan Marijnissen (SP) dat zij vergeten ‘dat de kijk op de wereld veel te maken heeft met de grond waarop je staat’. Hij noemde dat ‘Heimat’ en dat heeft alle problematische connotaties van ‘Bodenständigkeit’ en ‘Lebensraum’. Maar op een andere manier heeft hij gelijk. Kosmopolitisme is, zoals de socioloog Craig Calhoun heeft gesteld, het ‘klassenbewustzijn van de frequent flyer’. Kosmopolitisme is iets wat je je moet kunnen veroorloven op grond van een elitepositie. Kritiek erop is altijd ook kritiek op die positie. Dat zegt nog niets over de inhoudelijke waarde van een kosmopolitische houding of ethiek. Maar het betekent wel dat antikosmopolitisme niet bestreden wordt door het als benepen af te schilderen. Daarmee wordt voorbij gegaan aan de omstandigheden waaruit het voortkomt. Zoals het neonationalisme vergeet wat de omstandigheden van migranten zijn waarin zich problemen als criminaliteit disproportioneel veel voordoen, zo vergeet de eenzijdige verdediging van kosmopolitisme de herkomst en functie van de kritiek daarop. Kosmopolitisme is, paradoxaal genoeg, een hoogst lokale aangelegenheid. De meeste Nederlandse ‘kosmopolitici’ bevinden zich in of rond de Amsterdamse grachtengordel. Dat diskwalificeert het kosmopolitisme niet, maar het maakt de kritiek erop wel begrijpelijk.
Een tweede punt waarop de auteurs het zichzelf te gemakkelijk maken, is het op één hoop gooien van de kritiek op het ‘neoliberale kapitalisme’ met de angst voor de allochtoon. Om te beginnen is het de vraag in hoeverre de gemiddelde burger – voorbij een kritiek op gierigheid en ‘graaicultuur’ – wel zo bang is voor het ‘neoliberale kapitalisme’. De auteurs specificeren vooral de labels ‘neoliberaal’ en ‘kapitalisme’ nauwelijks. Veel van de bekrompen omgang met migranten in Nederland wordt nu juist gekenmerkt door wat een neoliberale politiek genoemd kan worden. Denk aan de markt van inburgering. Nationalisme wordt door private bedrijven gepromoot, in samenwerking met een overheid die de ‘marginalen’ selecteert die bediend worden door de inburgeringsmarkt.
Een kritiek op kenmerken van het neoliberalisme – de eind jaren zeventig ingezette deregulering van financiële markten bijvoorbeeld – is in tijden van kredietcrisis niet op één hoop te gooien met de angst voor de allochtoon. Politiek Den Haag heeft met marktfundamentalisten de laatste jaren aanzienlijk minder problemen gehad dan met allochtonen. Bovendien immuniseert de connectie die de auteurs leggen met nationalistische onverdraagzaamheid iedere kritiek op de economische ordening van de maatschappij.

Afgezien daarvan is het probleem van Het bange Nederland niet dat het geen overtuigend beeld van de huidige situatie schetst, want dat doet het zeker. De verschuivende ‘angsten’ van Nederlanders worden feilloos blootgelegd, op een manier die tot denken aanzet. Maar met de illustratie van de angsten van Nederlanders lijken de auteurs hun taak als volbracht te zien. Het gaat om angst en dus om irrationaliteit. En op alle fronten – angst voor de allochtoon, veroordeling van de kosmopoliet, angst voor de kapitalist – is daarmee de boodschap van de auteurs: heb geen angst meer! Sluit de luiken niet langer, maar zet ze open! Dat spreekt diegenen aan die er al van overtuigd zijn. Maar het is niet een boodschap die angstige mensen op andere gedachten brengt.
De analyse in Het bange Nederland is te weinig politiek, of is soms zelfs afwezig. Het leidt ertoe dat de auteurs zelf te veel geloven in de keurige driedeling in vaderlandse angsten en te weinig verbanden leggen met andere verschijnselen. De auteurs veronderstellen bijvoorbeeld, met de neonationalisten, een brede acceptatie van homoseksualiteit in Nederland. Maar het nationalistische Verlichtingsfundamentalisme instrumentaliseert homorechten om ‘de intolerante allochtoon’ te construeren. De recente alliantie tussen conservatieve politiek en feminisme en homobeweging is geen liefdeshuwelijk. Zoals de Amerikaanse feministe Judith Butler opmerkte in haar analyse van de Nederlandse situatie is hier niet sprake van werkelijke gelijkheid voor homoseksuelen, maar eerder van politiek opportunisme.
De berichtgeving rond de Groningse hiv-zaak illustreert dat. Net als bij de incidenten in Gouda of de benoeming van Aboutaleb tot burgemeester in Rotterdam worden individuen daarin ‘gedeïndividualiseerd’. Dat wil zeggen: ze worden geportretteerd als leden van een groep. Aboutaleb zou ‘representant van een groep die voor problemen zorgt’ zijn. Of: ‘de Marokkaanse gemeenschap’ moet ‘afstand doen’ van rellen – alsof er één zo’n gemeenschap is en alsof die in eerste instantie ‘dicht bij’ zulke rellen staat. Ook bij de Groningse casus zijn het niet individuen die over de schreef zijn gegaan. Het gaat om ‘homoseksuelen’. En dus plaatsen kranten cijfers over het seksuele gedrag van (mannelijke) homoseksuelen in het algemeen en wordt de suggestie gewekt dat er ‘misstanden’ zijn in ‘de homoseksuele gemeenschap’. Zouden dergelijke generalisaties ook gemaakt worden als het om heteroseksuelen ging?

De auteurs van Het bange Nederland missen kortom nog wat ‘angsten’. Ja, er is een sterk nationalisme in Nederland, een neonationalisme waarbij uit naam van de Nederlandse verlichte traditie – een paradox – de cultuur van allochtonen bekritiseerd wordt. Dat Verlichtingsfundamentalisme gaat perfect samen met romantisch conservatisme en is in staat uit naam van de tolerantie intolerant te zijn. Clichés als Voltaire’s nooit gedane uitspraak: ‘Ik vind uw mening abject, maar zal tot de dood uw recht verdedigen hem te verkondigen’ doffen een pathetische verdediging van ‘het vrije woord’ op tot een filosofisch gerechtvaardigde politiek van de stigmatisering. Politiek gezien past dat bij het multiculturealisme. Dat schuift ‘het multiculturalisme’ – dat er nooit is geweest – en ‘de linkse kerk’ – die nooit aan de macht is geweest – een politieke correctheid in de schoenen. En die kritiek op de politieke correctheid is inmiddels een nieuwe politieke correctheid.
Maar dat alles vindt plaats als gevolg van een collectief identiteitsverlies dat te maken heeft met het poreus worden van de grenzen van ‘de Nederlandse samenleving’. Het gaat daarbij niet om angsten van individuen, maar om een collectieve sociale hypochondrie. De auteurs van Het bange Nederland constateren met het Sociaal en Cultureel Planbureau dat Nederlanders eigenlijk helemaal niet zo bang zijn. Het ‘bange Nederland’ moet dus niet psychologiserend op individueel niveau gezocht worden, maar op collectief niveau. Nederland maakt een tijd van aanpassing door aan een situatie waarin ‘de samenleving’ niet meer redelijk overlapt met ‘de natie’. Een tijd van economische mondialisering waarin onduidelijk is wat de grenzen van ‘de samenleving’ zijn en wat dus nog de identiteit ‘Nederland’ inhoudt.
Het neonationalisme heeft dan ook een context die de auteurs te weinig in het oog houden. Bovendien is ‘nationalisme’ geen scheldwoord. Nationalisme behelst altijd de fictieve constructie van een verleden, een eenheid, een band. Het is altijd een selectie uit de geschiedenis omdat die in het heden relevant is. Precies daarom is Nederland een verlichte en tolerante natie, maar horen de ‘politionele acties’ niet bij ‘onze cultuur’. Voor die relevantie hebben de auteurs van Het bange Nederland te weinig oog. Nationalisme heeft een functie. Het brengt iets tot stand en is in die zin productief. Het levert bijvoorbeeld steun en legitimiteit voor een democratisch politiek bestel. En het voorziet in een breed gedeelde behoefte aan een ‘wij’. Daarom laat het zich niet verjagen door een beroep op openheid. Dat doet immers niets aan de onderliggende behoefte waaraan het nationalisme zijn populariteit ontleent.
Dat neemt niet weg dat Het bange Nederland het verdient een belangrijke interventie in het debat over de nationale identiteit te zijn. Het is op veel plaatsen scherp, en soms irriteert het, in de positieve zin des woords. Dat leidt tot nieuwe nationale discussie. Maar die discussie moet niet gevoerd worden op klassiek linkse wijze, door ofwel het signaleren van angsten ofwel het propageren van een kosmopolitische openheid die niet iedereen zich kan veroorloven. Hoe dan? Er is grote behoefte in Nederland niet aan een gedroomde samenleving, maar aan een discussie over een zekere droom. Een droom van een ‘wij’ dat als project gezien wordt waaraan iedereen bij kan dragen.
Een voorbeeld daarvan is wellicht de ‘American dream’. Het Amerikaanse nationalisme is altijd een nationalisme van het opbouwen in plaats van het terugkijken geweest. De terechte kritiek van de auteurs van Het bange Nederland is dat het laatste in Nederland dominant is. Maar in de vorm van het eerste – en zonder het er in de VS aan gekoppelde patriottisme – kan nationalisme een productief project zijn. Dat is waarom ‘illegale migranten’ zich in de VS alle nationalistische symboliek kunnen toe-eigenen in hun strijd voor legalisering. Het moet voor progressief Nederland gaan om het formuleren van een inhoudelijk en op de toekomst gericht nationalisme.
Openheid is alleen mogelijk op basis van geslotenheid – over openheid waarvan gaat het anders? Geslotenheid wordt momenteel gezocht in het neonationalisme dat de auteurs van Het bange Nederland terecht bekritiseren. Maar de pleidooien voor geslotenheid kunnen niet afgedaan worden als ‘angst’. De aantrekkingskracht daarvan moet productief gemaakt worden door een progressief nationalisme dat in wij-zij-tegenstellingen eerst en vooral een program van economische emancipatie en culturele onvoltooidheid ziet. Dat erkent dat nationalisme an sich geen scheldwoord is, maar dat wel regressiviteit door progressiviteit vervangt.
………………………………………………………………………………

BANG NEDERLAND
‘Nederland is in een paar jaar tijd veranderd in een in zichzelf gekeerd, geborneerd, angstig land’, concluderen socioloog Jan Willem Duyvendak, financieel-geograaf Ewald Engelen en politicoloog Ido de Haan in het zojuist verschenen Het bange Nederland: Pleidooi voor een open samenleving. Net als eerder onder anderen Geert Mak in zijn spraakmakende essay Gedoemd tot kwetsbaarheid beschouwen zij angst als de nieuwe grondtoon in de Nederlandse samenleving. Angst voor buitenlanders, voor geglobaliseerd kapitalisme en voor een vijfde colonne van kosmopolieten en multiculturalisten. Opvallend genoeg wijzen de auteurs niet met de beschuldigende vinger naar het volk. Het is de elite die bang maakt, die in het bestrijden van angst een nieuwe rechtvaardiging voor haar bestaan heeft gevonden.
In reactie op dit ‘klamme nationalisme’ pleiten zij voor de open samenleving, ‘voor een internationaal georiënteerde economie, voor een beschaafde omgang met culturele verschillen en voor een eerherstel van de politiek als beroep’.
Is dat het progressieve antwoord op het nieuwe nationalisme? Gaat het kosmopolitisme ons redden? Of zijn zulke veroordelingen van angst en onzekerheid juist onderdeel van het probleem, een liberale reflex van een select gezelschap wereldburgers dat zich ruimdenkendheid kan veroorloven? Over die vragen laat De Groene Amsterdammer de komende weken een aantal vrienden van de open samenleving aan het woord. Socioloog Willem Schinkel bijt het spits af. Volgende week: de reactie van de auteurs van het boek.
Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen
en Ido de Haan, Het bange Nederland: Pleidooi voor een open samenleving.
Bert Bakker, 152 blz., € 12,50