De nederlandse ervaring

OOK SCHOTLAND heeft het wonder van de Nederlandse architectuur ontdekt. De Royal Incorporation of Scottish Architects (RIAS) organiseerde haar jaarlijkse conventie in Aberdeen rondom ‘De Nederlandse Ervaring’ en hoopte daarvan het nodige op te steken. Er bestaat immers altijd de mogelijkheid dat een wonder op de een of andere manier valt te veralgemenen, door de samenstellende delen ervan bij elkaar in één programma onder te brengen. Zo lieten erkende grootheden als Ben van Berkel, Wiel Arets, Francine Houben en Felix Claus nog eens hun meesterwerken zien, en werd daaromheen veel verteld over de beleidsvoorwaarden die tot al dat moois aanleiding hadden gegeven.

De autonomie van Schotland, die onder Tony Blair is vergroot en uitgebreid tot een zelfstandige cultuurpolitiek, noodzaakt tot het ontwikkelen van een eigen ideeënvoorraad om met die autonomie iets te gaan doen. Daarnaast ziet de architectengemeenschap de kans schoon haar inbreng in het culturele leven te vergroten door het in de steigers zetten van een ambitieus architectuurbeleid. Aangezien er op regeringsniveau voor de architectuur nauwelijks aandacht bestaat, doen zij er alles aan om met feestelijkheden de aandacht van de autoriteiten te trekken.
Zo te zien lukte dat aardig. Tijdens de conventie liep de speciale architectuur-adviseur van de Britse staatssecretaris van Cultuur overal doorheen met een wit velletje papier waarop hij de opmerkingen van de Hollanders verzamelde. En passant maakte hij duidelijk dat de goedkeuring van London voor wat dan ook nog steeds vereist is.
DE SCHOTSE architectuur krijgt nog een andere impuls. Volgend jaar wordt begonnen met de bouw van het nieuwe parlement, een voor dit land buitensporige onderneming van 25 miljoen pond. Dit soort ondernemingen trekt in ieder land veel aandacht van de media en voor de Schotse architecten is het voer voor grote frustraties. Nu al is duidelijk dat de winnaar van de prijsvraag geen Schot zal zijn, maar een lid van het welbekende internationale sterrencircuit. Waarschijnlijk wordt het gewoon Richard Meier.
Voor de RIAS is dat een bittere pil, die erg doet denken aan de affaire-Graves, die Den Haag een paar jaar in zijn greep hield toen bleek dat de Amerikaanse gevelarchitect Michael Graves het onderkomen van het minsterie van Cultuur voor zijn rekening zou nemen. De Schotse architecten zien een kans voor wereldwijde aandacht voor hun eigen kwaliteiten aan hun neus voorbijgaan en proberen nu alsnog met vereende krachten de overheid wakker te schudden.
De affaire-Graves stond als casus uiteraard niet op het programma. Wel de voorbeelden van succesrijke samenwerkingsverbanden tussen overheid, ontwikkelaars en architecten. Zo kreeg het publiek onder andere Van Berkels Erasmusbrug te zien, Houbens bibliotheek van de TU Delft, nieuwe woontypen van Claus & Kaan en de politiebureaus van Wiel Arets. De organisatoren liepen uiterst tevreden rond, hun strategie om met een staalkaart van kwaliteit indruk te maken op hun bouwheren, leek goed te werken.
Niettemin lieten ze heel wat aspecten van de ‘Nederlandse Ervaring’ onaangeroerd. In feite was de RIAS in haar keuze voor een rij hoogtepunten nog tamelijk traditioneel in haar selectieprincipes en dekte zij maar een beperkt deel van de internationale aandacht voor Nederland - die strekt zich namelijk veel verder uit dan een paar mooie bouwwerken alleen. Dat is nu juist waarmee andere landen goed kunnen concurreren. Overal worden wel uitzonderingen gemaakt die de regel bevestigen. Waar het uiteindelijk om gaat, is wat de regel is.
IN NEDERLAND is dat de laatste tijd een ongehoorde bouwwoede. Door de florerende economie wordt er alleen al uit vastgoedoverwegingen veel gebouwd. De bouwondernemers doen het zo goed dat de grootste onder hen allang hun blik op andere landen hebben gericht om hun productiecapaciteit te benutten. Aangezien er, alle virtualsering ten spijt, nog altijd een rechtstreeks verband bestaat tussen economische voorspoed en bouwactiviteiten, wordt de schaarse ruimte met de grootste voortvarendheid bezet.
Een fractie van de bouwproductie bestaat uit het werk van architecten die vorm tot leidend principe van hun ontwerp hebben verheven. Per hoofd van de bevolking zijn dat er, vergelijkenderwijs, heel veel. Waar in China één internationaal bekende architect per miljard inwoners actief is, is dat in Nederland al gauw één per miljoen. Maar zelfs al nemen we hun omvangrijke opdrachtenportefeuilles allemaal bij elkaar, dan nog is hun aandeel in het geheel in kwantitatief opzicht verwaarloosbaar. Daar doet ook de rijke import van buitenlandse toparchitecten niet veel aan af. Kisho Kurukawa, Alvaro Siza, Alessandro Mendini, Ralph Erskine - je hoeft maar een hoek om te gaan en je bent ze uit het oog verloren.
Maar er is ook architectuur waaraan met geen mogelijkheid valt te ontsnappen. De bekendste opgave in dit geheel is wel die voor een miljoen woningen die vóór 2010 moeten zijn voltooid. Steeds kleinere gezinnen en steeds meer alleenstaanden hebben steeds meer woonruimte nodig. Wat dat betreft is het aanzien van Nederland rechtstreeks afhankelijk van echtscheidingspercentages en gemiddeld kindertal. Daarnaast is alomtegenwoordig het werken aan de weg, het spoor, de luchthavens, de ondergrondse infrastructuur.
DE SCHOTTEN hadden weinig oog voor deze kant van de bouw. Logisch, want met welk een trots toonden zijn hun lege land, dat met zijn plotselinge olie-inkomsten voor een dubbeltje op de eerste rang van de internationale economie kan zitten. Wie het echter over de Nederlandse ervaring wil hebben, kan er eigenlijk niet onder uit. En eigenlijk ook niet onder de ontwikkelingen die aan het daadwerkelijk gebouwde eindresultaat nauwelijks afleesbaar zijn maar die een essentieel onderdeel vormen van de praktijk van alledag.
Het gaat dan om de gerationaliseerde ontwerptechnieken die hier opgang doen, zoals het werken met geïntegreerde ontwerpsoftware, waarin ontwerpen, tekenen, modelleren en calculeren gecombineerd worden. Of het ruimte geven aan interdisciplinaire research waarin een veelvoud van programmatische gegevens eerst getest worden in diagrammen, voordat er synthetisch in vorm gedacht wordt. Soms zijn architecten zelfs bereid helemaal niet in vorm te denken en stellen zij zich tevreden met het aanbieden van een ruimtelijke organisatiestructuur. (Vaak tot ergernis van al diegenen die van architectuur plezier voor het oog verwachten.)
Een andere onzichtbare ontwikkeling is de opkomst van strategisch denken tijdens gecompliceerde bouwprocessen. In plaats van af te wachten welke speelruimte een opdrachtgever aan de architect laat, doet deze voorstellen voor het combineren van allerlei budgetten, tijdschema’s, overlegronden enzovoort. Aldus verkrijgt de architect in toenemende mate de rol van ruimtelijk regisseur. Wie in dat proces het zicht op de werkelijke prioriteiten weet te houden, kan vaak tot uitzonderlijke prestaties komen.
Opmerkelijk is daarbij dat deze kameleontische rol vooral lijkt weggelegd voor een jonge generatie opkomende ontwerpers die hun zelfbeeld niet meer alleen ontlenen aan een door traditie overgeleverd schoonheidsideaal maar net zo goed aan hun invloed in een stroperig proces. De afwisseling van generaties waarmee dit gepaard gaat, wordt in het buitenland al misprijzend betiteld als youngsterism of jeunisme.
Al deze zaken kwamen in Aberdeen niet aan bod. En ook in al die Nederland-dagen op de grote internationale universiteiten, op al die exposities en in al die themanummers van de grote internationale vakbladen vallen deze lessen meestal buiten het referentiekader. Men kijkt naar Nederland en is stomverbaasd. Zo blijft het een wonder. En je hoopt dat het jezelf ook eens overkomt.