Opheffer

De Nederlandse film: einde?

Het maken van een film is ook in Nederland een kostbare aangelegenheid. Dat heeft verschillende redenen. Aan een gewone film (Pietje Bell, Zus en Co, De ontdekking van de hemel) werken zo’n driehonderd man mee gedurende pakweg drie maanden. Een bedrijf dus, en dat moet worden gerund. Personeel, overhead et cetera. Neem het gemiddelde salaris dat iemand verdient, vermenigvuldig dat met driehonderd en je hebt een basisbedrag (1000 euro keer 300 = 300.000 euro, zeven ton in oude guldens).

Dat zijn alleen nog maar de mensen. Dan moeten er vaak, letterlijk, hele werelden worden gemaakt waarvoor je de dingen als licht, decor, de film, kleding, make-up en props nodig hebt. En dan is er nog de techniek (monteren, geluidsbewerking et cetera).

Als je dit allemaal hebt, dan heb je — als ik het mag vergelijken met een boek — het manuscript en een uitgever, maar dan is het boek nog niet gedrukt en ligt het nog niet in de winkels. Die winkels, de distributeurs, moeten ook aan zo’n film verdienen. Bij een boek gaat de prijs vaak vijf keer over de kop. Bij een film minder.

Al met al begrijpt u nu waarom een film die niet eens zo duur is, miljoenen kost. Als Theo van Gogh een film van drie ton maakt, in guldens, dan betekent dat dat er veel mensen zijn die niet verdienen. (Theo zelf bijvoorbeeld.) En ook dat hij inlevert op de dingen en de techniek. Dat kan meestal niet. Het maken van een goedkope film is dus een uitzondering.

Hoe verdien je je geld terug? Vooral door de bezoekers. En ook door de videorechten te verkopen, en eventueel door de uitzendrechten van een omroep van wie je geld krijgt (in Nederland noodzakelijk) en door subsidies. Wat je per stoel voor een film ontvangt, staat wel eens open voor onderhandeling, maar is meestal gemiddeld een oude gulden, soms twee. Een film die drie miljoen heeft gekost moet dus, zonder omroep of subsidie, anderhalf miljoen bezoekers trekken voordat iedereen uit de kosten is. Krijg je een gulden dan moeten er drie miljoen mensen heen. Dan is er nog geen winst gemaakt.

Er waren de laatste twintig jaar geen Nederlandse films die anderhalf miljoen bezoekers trokken. Kruimeltje staat aan kop en had er een miljoen, meen ik. Kortom, zonder overheid, omroep of subsidie komt een gewone Nederlandse film nooit uit de kosten.

De komende tijd gaat de overheid bezuinigen op het maken van films. De cv-constructies — een belastingconstructie waarmee geld kan worden opgehaald voor het maken van films — gaan verdwijnen. Daarvoor valt iets te zeggen omdat veel buitenlandse bedrijven er mis- en gebruik van maakten, waardoor de prijzen van dingen en techniek omhoog zijn gegaan. Ook wordt (door McKinsey) geadviseerd dat de Telefilms — films op televisie, deels gefinancierd door de omroepen en deels door de overheid — op de helling moeten. Dat laatste is verschrikkelijk en vooral dom, maar de regering wil waarschijnlijk niet anders. Ook worden door de bezuinigingswoede verschillende subsidies minder.

Blijft over dat de Nederlandse filmindustrie, met verschillende Oscar-nominaties en -winnaars, eigenlijk binnen een jaar dreigt weg te vallen. Is dat erg? Stel je voor: alle boekwinkels in de stad verkopen alleen vertalingen van John Grisham en Stephen King. Er is wel Nederlandse literatuur. We zien namelijk op de schappen de boeken van Baantjer, Suske en Wiske en heel af en toe een boek van Heleen van Royen en Connie Palmen. Er is ook wel andere literatuur maar die zie je niet in boeken maar op ansichtkaarten. Eigen-beheeruitgaven. De paar heel goede Nederlandse boeken kosten honderd euro per stuk en zijn alleen op verzoek leverbaar. Non-fictie is nog duurder. Is dit een prettig toekomstbeeld?

Volgende week: hoe kan de toekomst er wél uitzien?