Nederlandse Berber-Marokkanen zijn niet loyaal aan de staat Marokko

De Nederlandse Rif

De meeste Nederlandse Marokkanen zijn Berbers, afkomstig uit het Rifgebergte. Ze tonen zich ongevoelig voor het recente charmeoffensief van de regering in Rabat. «Ik ben niet loyaal aan de Marokkaanse staat, ik kies voor Nederland», zegt Ahmed Aboutaleb.

«De Marokkaanse jongeren in Nederland houden van Nederland én van Marokko», zegt Mohamed Boudra, de jonge en progressieve burgemeester van El Hoceima. «En dat is tegelijkertijd hun probleem, want zij voelen zich noch in Marokko, noch in Nederland geliefd. De Nederlandse en de Marokkaanse bestuurders moeten voor deze jongeren tegelijk een vader en een moeder zijn.»
Boudra was tijdens de gemeenteraadsverkiezingen, op uitnodiging van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng), in Nederland. El Hoceima is een van de gemeenten die via het platform van de vng intensieve relaties met Nederlandse gemeenten onderhoudt. Ook anderszins zijn de contacten tussen Nederland en de Rif intensief: in de zomer brengen duizenden Nederlandse Marokkanen hun vakantie door in de Rif, waardoor het aantal inwoners van El Hoceima tijdelijk verdubbelt van dertigduizend tot zestigduizend. De tamtam werkt het hele jaar door. Als er in El Hoceima iets gebeurt wat het vermelden waard is, weten de Riffijnen in de Randstad dat eerder dan de regering in Rabat.

Abdelghafour Ahalli (40), consulent bij een centrum voor maatschappelijke ontwikkeling van allochtonen in Zuid-Holland, legt uit: «Wij zijn transnationaal. Ik ben een Nederlandse betrokken burger, ik heb gestemd, ik neem deel aan de samenleving en aan het debat. Ik heb banden met Marokko, ik stuur geld naar twee zussen daar. Maar wij willen ook een rol spelen in de veranderingen in de Rif. Wij hebben meer geld en kennis dan vroeger, betere banen, en we willen bijdragen aan de ontwikkeling van de Rif.

Wij onderhouden vanuit Nederland intensieve banden met de Riffijnen in Marokko en dragen bij aan de democratisering daar. Wij willen een federale staat waarin de Rif zo autonoom mogelijk is. Spanje met zijn sterke regio’s is voor ons een goed voorbeeld. De Riffijnen in het buitenland brengen het meeste geld naar Marokko, maar de Rif profiteert daar niet genoeg van.»

Dezelfde ideeën en opvattingen worden in El Hoceima en omstreken verkondigd. In feite wordt de droom van de grote held van alle Riffijnen, Abdelkrim el-Khattabi (1886-1963) nu omgevormd tot het streven naar een federale staat binnen het Marokkaanse staatsbestel. De toespraak van koning Mohammed VI kort geleden waarin hij aan de Westelijke Sahara autonomie binnen de Marokkaanse grenzen beloofde, is in de Rif dan ook met veel instemming ontvangen.

De verhouding tussen de Riffijnen en de centrale Marokkaanse staat is vanouds problematisch. De zelfstandige republiek van Abdelkrim el-Khattabi, die duurde van 1921 tot 1926, herinneren de Riffijnen zich vol trots, maar staat nog altijd niet in de Marokkaanse geschiedenisboeken vermeld. In 1958 en 1959, kort na Marokko’s onafhankelijkheid, sloeg de toenmalige kroonprins Hassan II volksopstanden bloedig neer. De banden met Mohammed VI, die na zijn aantreden als koning een rondreis maakte door het gebied waar zijn vader na 1959 nooit meer een voet had gezet, zijn beter. Maar de Waarheidscommissie, die recentelijk onderzoek deed naar de schendingen van de mensenrechten, werd er uitgejouwd en slaagde er niet in het wantrouwen ten opzichte van de staat weg te nemen. De Riffijnen willen excuses van de staat voor het bloedbad van ’58/’59 en collectieve herstelbetalingen. «De Marokkaanse staat is nog net zo corrupt als vroeger», zegt Abdelghafour Ahalli. «Het is een systeem van cliëntelisme, waar grote belangen spelen. Mensen die aan de macht zijn, willen niets van hun privileges afstaan, en het leger is ook een grote macht op de achtergrond.»

De hulpverlening na de aardbeving die de regio van El Hoceima trof op 24 februari 2004 is door een aantal leidende figuren, onder wie burgemeester Boudra, aangegrepen om een dynamiek van verandering op gang te brengen. «Mensen moeten de mouwen opstropen en zelf aan de slag gaan», zegt architect Mohamed Cheikh bij een van de wederopbouwprojecten in de omgeving van El Hoceima. «De Rif heeft een groot potentieel op toeristisch gebied, en we moeten het geld van de Riffijnen in het buitenland hier investeren in werkgelegenheid en projecten die het gebied tot ontwikkeling brengen. Als je alleen geld naar je familie stuurt, verandert er niets. De droom van veel van onze jongeren om naar Europa te emigreren is in feite de dood in de pot voor onze regio, want dat maakt hen passief, terwijl we juist zelf het heft in handen moeten nemen en niet wachten tot de staat alles voor ons regelt.»

In Amsterdam stelt wethouder Ahmed Aboutaleb dat het vooral een kwestie van solidariteit is dat hij ook als bestuurder banden onderhoudt met Marokko: «Amsterdam heeft een traditie in internationale solidariteit na rampen, en gelukkig konden we ook de Rif bijstaan na de aardbeving. Vanuit de gemeente willen we via de vng het maatschappelijk middenveld en de vakbonden ondersteunen, om zodoende de democratie in Marokko te bevorderen. Met de Marokkaanse overheid wil ik heel kritisch omgaan, want er valt natuurlijk nog een hoop te verbeteren. Ik ben niet loyaal aan de Marokkaanse staat, ik kies voor Nederland. Het is voor mij ondenkbaar dat ik als migrant in het buitenland een zetel zou innemen in het Marokkaanse parlement.»

Binnenkort zullen de mre, Marocains Résidents à l’Etranger, zoals de Marokkanen in het buitenland worden genoemd, een aparte vertegenwoordiging krijgen in het Marokkaanse parlement. Daarop is met name door mre in Frankrijk sterk aangedrongen, omdat ze Marokko meer willen bieden dan alleen deviezen.

In Den Haag benadrukt Farid Aouled Lahcen (38), bestuurder van een landelijke zelforganisatie, het Berber-aspect in de intensieve contacten tussen Nederlandse en Marokkaanse Riffijnen: «Vanuit de Berberbeweging willen we jongeren hier in Nederland in aanraking brengen met hun Berber-roots, met hun oorspronkelijke Berbercultuur, als antwoord op dreigende radicalisering. Die islamitische radicalisering is naar mijn idee onder meer het gevolg van het niet kennen van jezelf, van een gebrek aan identiteit. Als jongeren weten waar ze vandaan komen, wat hun geschiedenis is, als zij hun Berbercultuur kennen en daar hun identiteit aan kunnen ontlenen, dan hebben ze in elk geval een alternatief voor islamitisch radicalisme. En om die Berbercultuur te kennen en uit te kunnen dragen, zijn intensieve contacten met de bron, de Rif in ons geval, uiteraard onmisbaar.»

Aouled Lahcen bemiddelt regelmatig in optredens in Marokko van de band Imatlaa van Nederlandse jongens uit El Hoceima. Afgelopen zomer speelde Imatlaa op het plein van El Hoceima. Ze zongen in het Tarifit, de Berbertaal van de Riffijnen, en af en toe spraken ze hun publiek toe in het Nederlands. De honderden jongeren die het Nederlands verstonden reageerden enthousiast.

«Wat is nu eigenlijk het probleem van Rita Verdonk?» vraagt Aouled Lahcen zich af. «Of we nu twee paspoorten hebben of één, dat staat los van onze dubbele culturele identiteit. Ons Berberschap kan fungeren als brugfunctie, een democratisch referentiekader voor de Riffijnen. De Nederlandse overheid zegt dat versterking van de Berber-identiteit onze integratie in Nederland tegengaat, maar mijn stelling is het tegenovergestelde. Als ik weet wie ik ben, Nederlander en Berber tegelijk, en dat gaat heel goed samen, dan ben ik een evenwichtige burger in de Nederlandse samenleving met sterke banden met de Rif. Overigens bepleit de Nederlandse overheid wél de instelling van een Arabisch instituut met het argument dat dat de integratie bevordert. Dus eigenlijk zijn ze het met mij eens.»

De Nederlandse overheid lijkt er nog altijd niet van doordrongen te zijn dat de Marokkaanse Berbers geen Arabieren zijn en zo ook niet benoemd willen worden. «Dat komt doordat de overheid Marokkaanse gesprekspartners heeft die tegen de Berbers zijn», weet Farid Aouled Lahcen.

Ook hij doorziet het huidige charmeoffensief van de Marokkaanse overheid, die de voormalige leden van de Waarheidscommissie naar het buitenland stuurt om daar te vertellen hoe succesvol de commissie was en hoe democratisch Marokko nu is. «Het gaat de Marokkaanse overheid maar om één ding: het geld van de mre. Daarom vindt de Marokkaanse regering het nu goed dat de mre vertegenwoordigd zullen worden in het parlement. Degenen die daar in gaan zitten doen dat vooral om hun eigen pensioen veilig te stellen.»

Om een idee te krijgen: een Marokkaanse parlementariër strijkt, met alle vergoedingen en douceurtjes meegerekend, tegen de tienduizend dollar per maand op, een vorstelijk inkomen in vergelijking met degenen die moeten rondkomen van het minimumloon van minder dan 180 dollar per maand, of met de twintig procent van de bevolking die moet zien te overleven van minder dan een dollar per dag.

Alle pogingen van minister Verdonk ten spijt om de Marokkanen te dwingen in Nederland te assimileren, om de grenzen te sluiten, import van bruiden en bruidegommen tegen te gaan en mensen te dwingen hun Marokkaanse nationaliteit op te geven (iets wat Marokko niet toestaat), blijft het Marokkaanse overheidsbeleid erop gericht Marokkanen in het buitenland te laten werken en hun loon in Marokko te ontvangen. Met de opkomst van de Berberbeweging eisen de Riffijnen nu hun deel van de koek op. Aouled Lahcen: «De Nederlandse Riffijnen zullen altijd solidair blijven met de Rif en met Marokko in het algemeen als het gaat om democratisering, ontwikkeling, mensenrechten en vrouwenemancipatie. Maar daarbij is absoluut geen sprake van loyaliteit aan de Marokkaanse staat.»