Microfinanciering in Ghana

De Nederlandse slager in Ghana

Een slager in een krakkemikkige frietkraam in het centrum van Accra deed zijn kennis over vleesverwerking op in Nederland, maar heeft het toch niet gered. Want zelfs de allerlokaalste economie blijkt internationaal.

ACCRA – In het centrum van Accra loopt de kleermaker met een kussentje en een naaimachine op zijn hoofd. Hij laat zijn schaar op het ritme van zijn stappen open en dicht gaan. Een paar meter verderop kondigt een schoenmaker zich aan door permanent met een hamertje op de zijkant van zijn houten gereedschapkistje te tikken. Straatverkopers leuren met hun handelswaar langs voorbijrijdende auto’s. Op hun hoofd, in hun handen, overal waar maar kan, zijn ze behangen met het product dat ze verkopen.

In een van deze straten stond tot voor kort de kraam van ‘de Nederlandse slager’, zoals iedereen hem noemt. Rond een omgebouwde frietwagen was met hardboard een winkelruimte gemaakt. Binnen hingen grote platen met afbeeldingen van rund en varken, met Nederlandse uitleg over de stukken vlees. Buiten diende een houten bord in de vorm van een varken – mét servet over de schouder – als lokkertje. Achter de toonbank stond George Appiah. Hij volgde zijn opleiding in Nederland, waar hij meer dan twintig jaar in de vleesindustrie werkte.

Behalve de gewone klanten uit de buurt bezochten ook veel buitenlanders zijn kraam. Die kwamen niet alleen voor de uitstekende kwaliteit, maar ook voor Nederlandse specialiteiten, zoals slavinken en speklappen. Voor bij de andijvie en zuurkool die ze uit Europa meebrachten. Al zijn rundvlees kwam van de veemarkt in Tema, een havenstad op dertig kilometer afstand. Tot enkele jaren geleden haalde Appiah er wekelijks een koe of stier, die hij vervolgens naar het abattoir bracht. Maar omdat de zaken steeds beter gingen, had hij daar geen tijd meer voor. Zijn kraam was niet uitgerust met een koelcel waar hij meer dan vier koeien kon ophangen. Daarom besloot hij vertegenwoordigers in dienst te nemen die dagelijks voor hem de markten afstroopten op zoek naar de beste stukken vlees.

Het leek gouden handel. Sinds zes jaar geleden voormalig president en dictator Rawlings de uitslag van de verkiezingen respecteerde en terugtrad om oppositie te voeren, gaat het met Ghana namelijk de goede kant op. Onder de nieuwe president Kuffour is het land economisch stabieler geworden. Dat is in de omringende landen wel anders, waardoor veel grote bedrijven en organisaties nauwelijks een andere keuze hebben dan Accra als West-Afrikaanse vestigingsplaats te kiezen – wat de economie weer verder aanjaagt. De huur en grondprijzen schieten omhoog.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de eigenaar van wie Appiah pacht zijn stukje grond in de stad nu terug wil, om het tegen een betere prijs te verhuren. Hij heeft al een contract gesloten met een beheerder van een telefoonnetwerk, die een grote oranje zendmast heeft laten bouwen. Voor kleine ondernemers is er geen plaats meer in het commerciële hart van Accra. Ze kunnen het niet meer betalen.

Het onvermijdelijke gebeurt dus ook met Appiah. Op een zaterdagochtend wordt de rood-witte frietwagen door een takelwagen weggesleept. De wagen staat al zeker vijf jaar stil en de zeelucht heeft de carrosserie danig aangetast. Toch blijkt alleen een nieuwe band nodig. Dat kan bij de benzinepomp op de hoek. Maar dan blijkt het wiel muurvast te zitten. Ten einde raad forceren de jongens van de werkplaats met pure spierkracht het harde ijzer van de moeren. De jongens van de takelwagen zijn ongelukkig met het urenlange oponthoud, want ze krijgen er niets extra’s voor. De rest van de tocht gaat daarom niet bepaald zachtzinnig. Slager Appiah moet zelfs een keer zijn hakmes uit de berm halen. Het was door een gat in de bodem van de kar op straat gevallen. Maar Appiah blijft rustig. De blijmoedige slager is er nooit vanuit gegaan, legt hij uit, dat alles heelhuids de verhuizing overleeft. Dat is niet dramatisch, want in Ghana kun je werkelijk alles laten repareren.

De wagen vindt zijn tijdelijke eindbestemming bij een vriend in een wijk achter het vliegveld. Eerst moet Appiah zijn nieuwe plek geschikt maken voor de kraam. Hij heeft al een betaalbaar stukje grond gekocht aan de rand van Accra. Daar wil hij een grote winkel bouwen waarin ook andere winkeliers een ruimte kunnen pachten. Nu ligt er nog een grote poel water op het terrein, maar uit ervaring in Nederland weet hij dat dit zo kan worden weggepompt.

Vijftien jaar geleden keerde George Appiah terug uit Nederland om in zijn vaderland een slagerij te beginnen. Hij wilde met zijn frietkraam een mobiele winkel beginnen. Maar dat liep uiteindelijk anders, omdat het in Ghana belangrijk is dat de vaste klanten je kunnen vinden. Toch heeft hij al vijf keer moeten verhuizen. Daar heeft hij genoeg van. Hij wil niet langer ‘als een sprinkhaan elke keer weghoppen als de kip eraan komt’.

Appiah ging ooit op eigen initiatief naar Europa om meer te leren over vleesverwerking. Daardoor is hij nu een van de zeldzame slagers in Ghana die een volwaardige opleiding heeft genoten. Zijn Ghanese collega’s slachten het vee en snijden het in stukken, maar weten niet hoe je het vlees verder kunt verwerken of bewaren. Dat betekent dat als de kippen allemaal tegelijk worden geslacht, ze door het plotselinge hoge aanbod tegen zeer lage prijzen worden verkocht. Hetzelfde geldt voor mango’s of tomaten. In bepaalde seizoenen staan overal kisten langs de weg die voor een fooi worden verkocht. Er is geen middenklasse van kleine ondernemers die de mango’s kunnen verwerken tot jam, waardoor ze het hele jaar gegeten kunnen worden.

In Europa heeft Appiah geleerd vlees te conserveren, zelfs zonder koeling. Hij zou zijn kennis kunnen overbrengen op leerjongens. Maar vooralsnog is het hem niet gelukt zijn kleine slagerij uit te breiden. Het ontbreekt hem aan de juiste connecties en aan geld. Anders dan in Nederland kun je in Ghana als gewone particulier slechts beperkt lenen bij een bank. Na een jaar moet je al beginnen met terugbetalen, terwijl een investering in een grote slagerij in een jaar nog nauwelijks rendement oplevert.

Een van de doelstellingen van de huidige regering is niettemin om kleine ondernemers te stimuleren. Men begrijpt inmiddels dat de welvaart van een land in eerste instantie afhangt van een gezonde middenklasse, die bedrijvigheid en werkgelegenheid genereert. Daarom is nu begonnen met een uitgebreid microkredietprogramma.

Misschien is Appiah vijftien jaar te vroeg naar Ghana teruggekeerd, want enigszins murw zegt hij dat hij zich niet meer kan voegen naar de specifieke eisen van de microkredietcommissie. Om geld te verdienen voor de verbouwing van zijn winkel is Appiah afgelopen zomer teruggekeerd naar zijn geboortedorp om daar maïs te planten. Maïs levert aardig wat op en groeit snel, zodat er minstens twee keer per jaar kan worden geoogst.

Het dorp ligt precies in het midden van Ghana. Voordat we er zijn, verlaat Appiah de grote asfaltweg om even de chief de groeten te doen. In het hotel waar deze woont is net een grote vergadering aan de gang van alle chiefs uit de regio en de koning van Nkroanza, onder wie al deze mannen vallen. Elke chief loopt op versierde slippers en is gekleed in een lange geweven doek die een schouder bloot laat. De koning draagt bovendien een grote gouden ketting en wordt altijd vergezeld door een dienaar die een wijde parasol voor hem ophoudt.

Het traditionele politieke systeem is in Ghana nog volledig intact en werkt naast het moderne systeem van de politieke democratie. De traditionele leiders nemen over het algemeen de beslissingen op lokaal niveau. Als George Appiah een groot stuk land wil gebruiken om gewassen te planten moet hij dat met de chief van zijn dorp bespreken. Het is een oud-klasgenoot van hem.

Omdat zijn familie uit het dorp komt, hoeft hij niets te betalen voor de grond. Er is grond genoeg rond het dorp. Het terrein dat hem is toegewezen laat hij eerst platbranden. De grootte van het stuk land hangt af van de hoeveelheid mensen en machetes die hij zich kan veroorloven, want al het werk wordt met de hand gedaan. ‘Gastarbeiders’, noemt Appiah de mensen die voor hem werken en die in een geïmproviseerde buurt aan de rand van het dorp wonen.

Zelf heeft hij zijn intrek genomen in het familiehuis. Hij heeft het als kind nog helpen bouwen. Alle kamers komen uit op een door een galerij omringde binnenplaats. Er is een keuken, althans een overdekte haardplaats die als keuken dient, en een ruimte waar iedereen zich met een emmer water kan wassen. ’s Avonds wordt onder de sterren de dag nog eens doorgenomen.

Aan de buitenmuur van het familiehuis hangt nog de aankondiging van de begrafenis van vader Appiah, die vorig jaar op 102-jarige leeftijd is overleden. Die hoge leeftijd is geen uitzondering in dit welvarende dorp. Hoewel er geen elektriciteit is, en nauwelijks geld in omloop, beschikken de dorpsbewoners over de middelen om goed te kunnen leven.

In Accra wachten George Appiahs klanten ondertussen af of er met het geld van de oogst weer een winkel is op te bouwen, opdat Appiah zijn kwaliteiten als slager opnieuw weet te benutten. Of dat hij rustig in zijn dorp blijft, waar de tijd lijkt stil te staan en Appiah zijn vakkennis onbenut laat.