Als een kamer door de nacht

De Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur

De Nederlandse literatuur bezit op haar beste momenten iets wat haar eigen en uniek maakt. Die eigenheid en uniciteit verlenen haar een eigen kracht. Dat heeft wellicht te maken met de plaats waar wij leven.

Eens zat ik in een radioforum waarin we discussieerden over Europese literatuur en of zoiets bestond c.q. bestaat. Ik weet nog goed dat ik betoogde dat zoiets als een Europese literatuur nooit heeft bestaan en nooit zál bestaan: de schrijver is een individu en zijn kunst is hoogst individueel. Een schrijver trekt zich niets aan van nationale of internationale grenzen. Om mijn bewering kracht bij te zetten, had ik de roman Europa van Tim Parks bij me. Parks is een Britse auteur die in Italië woont. In die roman gaat een gezelschap taaldocenten in een reisbus op weg naar Straatsburg om daar een petitie in te dienen. De leraren hebben een gemeenschappelijk belang: ze vinden dat ze worden achtergesteld bij hun Italiaanse collega’s. De hele onderneming wordt een fiasco; de onderlinge verschillen blijken zo groot dat de taaldocenten rollebollend in Straatsburg aankomen. ‘We zijn verdwaald’, bedenkt de hoofdpersoon op een gegeven moment terwijl hij op de achterbank van de reisbus zit, ‘we zijn verdwaald in dit vreemde land dat niet het onze is, in dit Europa, of het nu bestaat of niet, en we zouden niet weten wat we moesten doen als we naar huis werden gestuurd.’ Ik las de roman als een verdediging van het individuele.

Maar je zou dit boek eveneens op een andere manier kunnen opvatten, overpeinsde ik later. Je zou deze roman, die op één lange en malende monoloog lijkt (Parks heeft als schrijver wat betreft zijn stijl zijn licht opgestoken bij de Oostenrijker Thomas Bernhard), ook kunnen beschouwen als een constatering dat je méér wordt gevormd door je landsafkomst dan je weet of dan je zou wíllen weten. Parks maakt namelijk een bijzonder verbeten onderscheid tussen de verschillende docenten en hun typerende, nationale gedrag. Voortdurend kom je omschrijvingen tegen in de trant van ‘de knappe George [die] zijn beschaafde Duitse lach laat horen’; er zijn veralgemeniserende opmerkingen over Grieken en Italianen; en de hoofdpersoon zélf krijgt op een gegeven moment als verwijt te horen dat zijn grote probleem zijn ‘koppige Angelsaksische protestantse absolutisme’ is.

Kijk je op een dergelijke manier naar dit boek, dan begint het prompt iets ongemakkelijks te krijgen, want het begint naar chauvinisme en nationalisme te rieken. Tim Parks heb ik later, naar aanleiding van het verschijnen van een andere roman van hem, een keer geïnterviewd en toen kwamen we te spreken over de toen net uitgekomen nieuwe film van Woody Allen Match Point (met Scarlett Johansson en Jonathan Rhys-Meyers). Parks meldde spontaan dat hij die film, die speelt in Londen, waardeloos vond, want: ‘Woody Allen begrijpt echt helemaal niets van de Engelsen.’ Hoewel ik niet uitsluit dat Parks meer belang hecht aan de scheppende kracht van het individu dan aan de creatieve bron die de bodem waarop je bent opgegroeid kan zijn, blijkt hij een zekere Engelsheid van de Engelsen al met al niet te ontkennen. Integendeel, voor hem bestaat die Engelsheid gewoon, je kunt haar zelfs in de kunst aanwijzen of je kunt een film bekritiseren omdat die de ‘Engelsheid van de Engelsen’ verkeerd weergeeft. Die Engelsheid van de Engelsen en de Engelse kunst is trouwens al lang onderkend. Zo bracht Paul Depondt in de Volkskrant (10 oktober 2007) onder de kop ‘Hoe “British” Britse kunst kan zijn’ verslag uit van een tentoonstelling die hij in Gent bezocht over observatie en verbeelding in de Britse kunst van 1750 tot 1950. Iedereen kan zich hierbij meteen iets voorstellen. En in het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw hield de Britse romanschrijver en biograaf Peter Ackroyd de Leslie Stephen Lecture. Zijn onderwerp was: ‘The Englishness of English Literature’. Hij betuigt daarin, kort gezegd, zijn liefde voor typisch Engelse dingen in de Engelse literatuur.

Toen ik eenmaal met een andere blik naar de roman Europa van Parks keek, en toen ik later op dat stuk in de krant van Paul Depondt en op die lezing van Ackroyd stuitte, begon ik, moet ik bekennen, tevens na enige tijd na te denken over de Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur. Ik schrok er echter ook voor terug. Want zó geformuleerd, wordt ’t wel meteen een stuk griezeliger. De Britsheid van de Britse kunst, dat klinkt nog wel als geinige folklore, maar de Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur roept op de een of andere manier foute associaties op. Allerlei politiek correcte mechanismen traden bij mij in werking. Er valt nauwelijks iets als een nationale (Nederlandse) identiteit aan te wijzen, hield ik mezelf voor. Onze politici of onze historici weten ook niet wat dat is. Zelfs onze Argentijnse kroonprinses tast in het duister. Het onderwijs is al jaren dusdanig verloederd dat vrijwel niemand meer weet wanneer het eigenlijk allemaal begon, Nederland. En dat moeten we ook niet willen weten. Nederland is eigenlijk niks. Of op z’n hoogst dit: Nederland is een soort onsamenhangend geheel, pluriform, we zijn één door de verschillen, alleen Geert Wilders wil daar nog niet aan. En verder tobde ik: wanneer er in het verleden een bindende kracht wordt gezocht, dan wordt er ‘zo duidelijk naar het heden toe geredeneerd dat het verleden slechts in clichématige termen beschreven kan worden’. Dat schrijft Henk te Velde niet ten onrechte in Harmonie in Holland, een boek dat verscheen in 2007 en waarin de historische wortels weg worden gerelativeerd van toch zo iets schijnbaar kenmerkend Hollands als ons poldermodel. En tot slot: wij Nederlandse schrijvers zijn toch allemaal ongelooflijk verschillend?

En toch. Toen ik al deze tegenwerpingen had verwerkt, werd mijn blik helder. Vervolgens zag ik wel degelijk de Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur voor me. En dat begon met allerlei uiterlijke kenmerken. Om met die reisbus uit het begin van dit stuk te beginnen, dat zou een typisch Nederlands element kunnen zijn: de bus. In De kellner en de levenden van Vestdijk worden twaalf flatgebouwbewoners met een touringcar regelrecht weggebracht naar iets wat toch wel veel weg heeft van het Laatste Oordeel. Wat opvalt zijn de gezelligheid, de besloten ruimte (af en toe kijken we door het raam van de bus) en de religie, inderdaad: het oordeel. De kellner en de levenden is een fantastische roman, in die zin dat er zaken in plaatsvinden die eigenlijk niet kunnen, maar vooral toch is het een Nederlandse roman: claustrofobisch, narcistisch en gericht op de binnenwereld. Het boek werd gepubliceerd in 1949 en kreeg in 1991 een opvolger, zou je kunnen zeggen, in de vorm van Inferno van Willem Brakman.

Wederom gaat de reis per bus: ‘Het was mij onbegrijpelijk hoe de bus daar was gekomen; misschien was hij uit de tuin aan komen rollen, opdoemend in de mist.’ Hoe dan ook: de bus begeeft zich manmoedig op weg naar de hel. En opnieuw zien we daar die gerichtheid naar binnen: ‘De kamer die ik binnentrad [eenmaal aangekomen in de hel] was in de ware zin een interieur, alles wees naar binnen en sloot het buiten uit.’ Het decor is typisch Nederlands! Of zoals Joost Zwagerman naar aanleiding van Reves klassieker De avonden heeft opgemerkt: er ‘heerst de ontijd van spleen en claustrofobie, en Frits van Egters is Frits van Egters omdat zijn werkelijkheid wordt begrensd door zolderkamer en keukentafel; door klerkenbaan en troostkonijn’. Zou men willen tegenwerpen dat deze claustrofobie toch slechts de naoorlogse jaren gold (De avonden is uit 1947), in een roman van Joost Zwagerman zelf, Vals licht uit 1991, komen we nauwelijks verder dan de pees- en ‘onderwaterkamer’ van Lizzie Rosenfeld. Buiten heerst een samenzwering, binnenblijven is het devies. ‘Alles moest geheim blijven’, luidt de eerste zin van de roman. Dus: luiken dicht.

Ik bedoel dit allemaal niet negatief. Ik ben een voorstander van de Nederlandsheid van de Nederlandse roman. De romans die ik hierboven noemde, behoren tot mijn lievelingsboeken. Überhaupt heeft de Nederlandse literatuur op haar beste momenten iets wat die literatuur eigen en uniek maakt. Die eigenheid en uniciteit moeten worden gezocht langs de lijnen die ik hierboven schetste, vermoed ik, en ze verlenen onze nationale literatuur een eigen kracht. De Nederlandse literatuur verslaat op enkele fronten met gemak bijvoorbeeld de Amerikaanse. In het beroemde essay over straatrumoer van Ton Anbeek van meer dan 25 jaar geleden zette hij romans van Heller, Vonnegut en Irving af tegen Een vlucht regenwulpen van Maarten ’t Hart en Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong. Nu, terugblikkend, kunnen we constateren dat die Amerikanen holle en lege boeken hebben geschreven, romans die ík in elk geval niet meer zou willen herlezen, terwijl ik met de boeken van Maarten ’t Hart en Oek de Jong nog dagelijks leef.

Heeft dit misschien toch iets met de grond te maken waarop we zijn opgegroeid, met ons land aan de zee, waar we zoeken naar beschutting en waar de eeuwen op een soms verwarrende manier zich afzetten in onze binnenwereld? Zoals Parks en Ackroyd, met hoeveel ambivalentie ook, onderkennen dat de Engelse bodem ze beïnvloedt, zo moeten wij misschien erkennen dat de Nederlandse gronden en luchten directe invloed hebben op ons, Nederlandse schrijvers. En dat dit niets is om je voor te schamen. Integendeel. Het is iets om uit te buiten.