KUNST

De negende eeuw

Dorestad

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden wijdt een stevige tentoonstelling aan Dorestad. Dat werd tijd. De gemiddelde Nederlander kent Dorestad misschien nog net van de schoolprent van Isings, waarop baardige Vikingen de stad plunderen en platbranden, maar veel meer is er niet. Waar Dorestad lag en wat die Vikingen daar eigenlijk moesten, dat weet bijna niemand. Zo weet ook bijna niemand dat de grootste archeologische opgraving ooit in Nederland naar Dorestad werd verricht, en dat daar de afgelopen honderdvijftig jaar onthutsende hoeveelheden vondsten zijn gedaan. In Leiden is daar een zorgvuldige keuze uit te zien. De samenstellers hebben hun uiterste best gedaan de zaak zo levendig mogelijk te maken, zeker voor kinderen. Zo heeft elk van de twee zalen een geluidsdecor (de ene met stadse herrie, de andere met een impressie van een haven) en is de tentoonstelling uiterst voorzichtig met informatie. Te voorzichtig, naar mijn smaak; er hangt bijvoorbeeld niet eens een ordentelijke kaart van het gebied. Dat is jammer, want die periode is nu eenmaal in nevelen gehuld, en de historie van Dorestad roept allerlei vragen op. Als het zo’n uitzonderlijk belangrijke stad was, waarom weten we er dan zo weinig van? Was het een Friese stad? Wat voor taal werd er gesproken? Waarom komt ze schijnbaar uit het niets op, en waarom verdwijnt ze weer? Kwam dat door die Vikingen?
Dorestad lag aan de Kromme Rijn, iets ten noorden van het centrum van Wijk bij Duurstede. Tussen 600 en 900 was het de belangrijkste stad van de Nederlanden, met zo’n duizend inwoners, en een centraal punt in het Europese handelsnetwerk van de Merovingische en Karolingische periode, dat reikte van Noorwegen tot de Rode Zee. Het was een overslagplaats, waar ’s zomers werd gehandeld en ’s winters werd gewerkt, bijvoorbeeld aan de productie van stijgbeugels, zwaarden en juwelen. Er werden schepen gebouwd, er was textielnijverheid en er werden potten gebakken. Veel potten: van het saaie type reliefbandamfoor zijn in Dorestad letterlijk honderdduizenden scherven gevonden. In de rest van Nederland, alles bij elkaar, maar zo’n vierduizend, wat mag gelden als een indicatie van het enorme belang van de stad.
De tijdelijkheid van Dorestad is paradoxaal genoeg een teken van de continuïteit in de bewoning in deze streken sinds de Bronstijd. De Romeinen kwamen er niet in een totale wildernis terecht (al schreven ze er wel zo over): ze kwamen juist in contact met een al lang bestaand noordelijk handelsnetwerk, dat van de Britse eilanden strekte tot het Balticum. Daarin werd gehandeld en gemigreerd, en daar heeft ook in donkere, heidense tijden een hoge mate van politieke en maatschappelijke ordening bestaan. Dorestad staat dan model voor meer vroege nederzettingen in de Nederlandse delta, die onderdeel waren van dat netwerk. Zij bestonden bij de gratie van de handel en waren afhankelijk van de bevaarbaarheid van de rivieren. Als die hun loop verlegden, of dichtslibden, zoals later gebeurde bij Aardenburg of Staveren, dan verplaatste de handel zich naar de volgende beschikbare plek, een eindje verderop, naar Kampen, Tiel, Deventer of Dordrecht. Daar kwam in het geval Dorestad bij dat de nederzetting alleen een haven- en productiestad was. Er was geen palts en geen kerk, geen ‘heilige plaats’ zoals in Utrecht of Deventer, die voor continuïteit kon zorgen. Toen de nering verliep, verloor de stad haar reden van bestaan. De bezoekjes van de Vikingen – die de stad overigens niet in brand hebben gestoken – zullen de neergang alleen maar hebben bevorderd.

Dorestad. Wereldstad in de Middeleeuwen, RMO Leiden, t/m 1 november