Harry Mulisch Logboek 1991-1992

De neiging om te slaan

Het Logboek dat Harry Mulisch bijhield tijdens het schrijven van De ontdekking van de hemel laat licht vallen tussen de publieke en de privé-Mulisch. En het opent een deur naar zijn schrijverschap.

Harry Mulisch, Logboek, € 18,90

Op mijn middelbare school moest je een aantal punten bij elkaar lezen voor je eindexamen Nederlands. Voor elk boek hadden de docenten een normering bedacht, op basis van ‘literaire moeilijkheid’. Het minste wat een boek kon krijgen was 1 punt, het hoogste 5. Behalve dan De ontdekking van de hemel – die was 7 punten. En waar je bij alle andere boeken tijdens je mondeling examen moest vertellen over de thematiek, de drijfveer van de personages, de literaire motieven, de traditie et cetera, volstond het bij De ontdekking om alleen de plot na te vertellen. Meer als test of je het écht had gelezen dan of je het ook daadwerkelijk begrepen had.

Het is dit najaar twintig jaar geleden dat De ontdekking van de hemel verscheen: ter viering bracht Mulisch’ uitgeverij De Bezige Bij twee boeken uit. Allereerst 64+1: De ontdekking van de hemel in 65 velden door schaker Jan Timman, die goed bevriend was met Mulisch en diens ‘aartsvriend’ Jan Hein Donner. Het boekje bestaat uit 65 korte notities, een paar pagina’s per stuk. Voor liefhebbers-van zit het vol mulischismes (‘Als ik een prijs niet krijg, beschouw ik dat als een blamage voor die prijs’), maar Timman behandelt vooral welke real life aspecten Mulisch van zijn vriendschap met Donner verwerkte in de vriendschap tussen de hoofdpersonages Max en Onno. Dat, toen Mulisch Donner er in een café op aansprak dat hij koorts had, Donner zei: ‘Verdomd je hebt gelijk!’ en vervolgens rustig bleef doordrinken tot in de vroege ochtend. Dat soort dingen zijn misschien interessant, maar niet relevant om te weten. Wordt de scène in De aanslag waarin de jonge Anton in een cel zit met een gewonde verzetsstrijder beklemmender als je weet dat zij Hannie Schaft voorstelde? Wordt Het theater, de brief en de waarheid meer of minder literair als je weet dat het over de Jules Croiset-affaire gaat? Voelt de intellectuele, speelse vriendschap tussen Onno en Max echter als je weet dat het zich ooit allemaal heeft afgespeeld aan de leestafel van café Americain? Het zou niet uit moeten maken.

Relevanter is de uitgave Logboek 1991-1992, bezorgd door Marita Mathijsen en Arnold Heumakers, dat Mulisch bijhield in de twee jaar dat hij De ontdekking voltooide. Van januari 1990 tot 31 december 1992 wordt melding gemaakt van alle progressie aan de roman, en alle etentjes met zijn deftige vrienden komen voorbij, net als zijn liefdesleven (hij wordt vader van een zoon), zijn rol in het bestuur van De Bezige Bij en zijn commentaar op de Golfoorlog. Het geeft op z’n minst een bijzonder beeld van het culturele leven van die tijd. Op de eerste plaats zou Logboek verplichte kost voor die voorspelbare Mulisch-bashers moeten zijn, met hun voorspelbare Mulisch-grappen en -verwijten (de eeuwig terugkerende slogan van studentenblad Propria Cures ‘Bestrijd het leed dat Mulisch heet’, een slogan waarvan je je afvraagt of hij ooit niet gedateerd was), hoofdzakelijk klachten over de persoon. Dat hij zo ijdel was. Dat hij zichzelf als zonnekoning van het Leidseplein zag. Als er één ding blijkt uit Logboek, dan is het wel dat hij die zonnekoning ook daadwerkelijk was, om de voortreffelijke reden dat je geen zonnekoning bent omdat je dat van jezelf denkt, maar omdat de rest van de wereld zich ernaar gedraagt. Verschillende keren zit hij met het koninklijk echtpaar aan tafel, en dringt prins Claus erop aan dat ze ‘vlug weer eens moeten afspreken’. Als hij in een New Yorks ziekenhuis bijkomt van een kleine beroerte treft hij aan zijn bed ‘een van de bijzonderste vrouwen’ die hij ooit heeft ontmoet, een neurologe wier Nederlandse echtgenoot al zijn boeken heeft gelezen. Een paar dagen later lunchen ze samen. Op straat willen mensen met hem op de foto. Bijna dagelijks krijgt hij verzoeken voor interviews, hij heeft talloze keren Paul Witteman of Ursul de Geer aan de lijn, of hij alsjeblieft in een uitzending naar keuze over de Golfoorlog wil komen praten. Of hij in een televisieforum wil deelnemen met andere Nederlandse schrijvers, of, als hij dat liever wil, zonder andere schrijvers. ‘Woensdag 30 januari: Joop van Tijn belt en vraagt of ik voor VN een stuk over de wereldtoestand wil schrijven. Geweigerd.’

(Dit moet ik erbij zeggen: Logboek is misschien wel het grappigste boek dat ik dit jaar gelezen heb. Telkens die ironische, geamuseerde blik naar de wereld die van alles van hem wil, zoals wanneer een beeldhouwer hem komt boetseren: ‘Vrijdag 6 september: (…) Een grote dikke man met grijze lokken en een baard, in geel joggingpak, die tien minuten moet uitrusten van de trappen. Op hoogtepunten van zijn inspiratie ontbloot hij zijn tanden, knijpt zijn ogen half dicht terwijl hij naar mij kijkt en heft allebei zijn handen hoog in de lucht, als Johannes van het Kruis tijdens de Unio Mystica. (…) Na afloop moet ik onmiddellijk de straat op om te bekomen van het stilzitten. Onderweg spreekt een man mij aan en zegt dat hij schrijvers­portretten maakt: of hij eens langs mag komen om mij te fotograferen: zal niet langer dan een uur in beslag nemen. Voel de neiging hem te slaan.’)

Toch is Logboek alles behalve een gelegenheidsuitgave: het opent wel degelijk een deur naar Mulisch’ schrijverschap. Je kunt het ijdel vinden dat hij consequent (of: gretig) die media-verzoeken noteert (waarom zou je ze niet noteren?), maar het geeft een beeld van hoezeer de buitenwereld aan hem trekt terwijl hij zijn magnum opus probeert te schrijven, en hoe onverstoorbaar hij is. Het geeft blijk van een zeldzame zelfverzekerdheid dat Mulisch de eerste delen van De ontdekking al aan zijn Duitse vertaler geeft terwijl hij de latere delen nog moet voltooien.

Logboek toont ook het licht tussen de publieke Mulisch en de privé-Mulisch. Het laat maar weer zien hoeveel van zijn media­optredens pure spielerei waren. Zo wordt zijn gevleugelde uitspraak dat hij ‘Geen lezer (was), maar een schrijver’, teniet gedaan. In Logboek leest hij Leviathan van Paul Auster. ‘Aanzienlijk minder dan zijn vorige zaken’, noteert hij. Zijn vaste antwoord op de terugkerende vraag hoe het was om een boek als De ontdekking te schrijven – ‘Als ik geweten had dat ik De ontdekking van de hemel aan het schrijven was, was ik daar natuurlijk nooit aan begonnen’, veel te veel werk, veel te dik – was cool en nonchalant, maar uit Logboek blijkt hoe zelfbewust hij werkte, hoe groots opgezet zijn plannen waren. De buiten­categorie van 7 punten voor de leeslijst was altijd al zijn streven.

Het is heerlijk materiaal voor de biograaf (of biografen) in spe, wie dat ook moge zijn, maar ga je de roman ook anders lezen na Logboek?

Een van de interessantste onderwerpen waar Mulisch mee zeult zijn de engelengesprekken: tussen elk van de delen van de roman zit een dialoog tussen engelen, die de gebeurtenissen rond Quinten becommentariëren. Ik heb die altijd wat te lang gevonden, hun toon te geagiteerd. In zijn 64+1 merkt Timman hetzelfde op, dat hij door die gesprekken aanvankelijk bijna het boek weglegde. Nu blijkt dat ook Mulisch ermee zat. Hij vraagt het zich af, op vrijdag 22 februari: ‘Zou ik elk hoofdstuk afwisselen door een engelengesprek, dan zou dat niet alleen mechanisch worden, maar ook afleiden van de eigenlijke verhaallijn. Doe ik het alleen incidenteel, dan wordt het willekeurig en het heeft consequenties voor de hele opbouw van het boek in hoofdstukken.’ Een kleine week later komt hij tot een ­compromis: niet alle hoofdstukken mogen met een dialoog beginnen, alleen de afzonderlijke delen.

Als je De ontdekking nu herleest kun je je afvragen of die engelengesprekken wel echt nodig waren. Want wat als ze er niet waren? Astronoom Max sterft nadat hij de locatie van de hemel heeft ontdekt. Paniek – de engelen grijpen in door een meteoriet op hem te werpen. Later in het boek voelt Quinten zich naar de Stenen Tafelen in Rome en daarna Jeruzalem gezogen worden. Hij heeft er geen verklaring voor, maar hij weet dat hij dit moet doen – zoals Onno instinctief weet dat hij Quinten moet volgen. Zonder kennis van de engelen zou je als lezer denken dat Quinten, Max en Onno, ondanks al hun intellectuele geouwehoer, al hun branie en opschepperij, uiteindelijk waanzinnigen zijn, die in stom toeval een geheime hand zien. Pas op de laatste bladzijden zou hun goddelijk gelijk bewezen worden.

Het gevoel dat ook bij herlezing van De ontdekking van de hemel overheerst is hoe puntgaaf de roman is. En hoezeer het verhaal een episch karakter heeft, al bij de eerste lezing voelen alle verhaallijnen volkomen logisch aan. Zonder de engelengesprekken was de roman meer idiosyncratisch geweest, was die interne logica onder druk gezet – dat klinkt (ook) interessant, maar dat was niet des Mulisch’. Zijn romankunst hing juist direct samen met het labyrint van zijn eigengereide logica, waarin hij zijn lezer gevangen wilde houden.


Harry Mulisch

Logboek 1991-1992

De Bezige Bij, 254 blz., € 18,90

Jan Timman

64+1: De ontdekking van de hemel in 65 velden

De Bezige Bij, 159 blz., € 17,90