spijt over Irak

De neo-culpa’s

Februari 2003. Aan de vooravond van de Irak-invasie zegt ‘The Prince of Darkness’ Richard Perle, op dat moment voorzitter van Pentagons belangrijkste adviesorgaan: ‘Irak is een perfecte kandidaat voor democratisering.’

Drie jaar later liggen de kaarten anders. Perle zegt nu: ‘Ik heb het niveau van verdorvenheid [in Irak] onderschat.’ En: ‘Als ik had gezien waar we nu staan en mensen hadden me gevraagd: “Moeten we Irak in?”, dan denk ik dat ik nu zou hebben gezegd: “Nee, laten we andere strategieën bedenken om te voorkomen wat ons het meeste bezighoudt, dat Saddam Hoessein massavernietigingswapens aan terroristen levert.”’ Hij zegt ook: ‘Hadden we de dreiging kunnen afweren met andere dan militaire middelen? Misschien wel, ja.’

In aanloop naar de Irak-oorlog speelden allerhande publiek opererende deskundigen een belangrijke rol in het succesvol vergaren van steun onder de Amerikaanse bevolking voor een militaire inval. Het luidruchtigst waren de neoconservatieven, mannen als Richard Perle die dit predikaat als geuzennaam omarmden.

Inmiddels heeft niet alleen Perle berouw getoond. De eindredactie van het maandblad Vanity Fair plaatste boven een artikel vol spijtbetuigingen de kop: Neo Culpa. Dat was in november 2006. Een nieuwe subgroep publieke intellectuelen was daarmee geboren: de neo-culpa’s.

Ook de oorlogszuchtige hoogleraar buitenlands beleid Eliot Cohen behoort tot deze groep. En Kenneth Adelman, de neoconservatief die in het hart van het Pentagon zat tijdens de aanval van 11 september 2001. Ook Michael Ledeen is een neo-culpa en, niet te vergeten, David Frum, de speechschrijver die Bush onder meer de woorden ‘as van het kwaad’ in de mond legde.

De meesten leggen de schuld bij de president. Frum, de speechschrijver, zegt teleurgesteld over zijn voormalige baas: ‘Voor mij was de grootste schok dat hoewel hij de woorden uitsprak hij de ideeën daarachter niet in zich opnam. Dat is de wortel van alle ellende.’

Michael Ledeen, niet alleen een collega van Ayaan Hirsi Ali bij het American Enterprise Institute, maar ook de auteur van een geprezen D’Annunzio-biografie, is al jaren groot voorstander van een militaire politiek ter bevordering van regime change, in een heel scala aan buitenlanden. ‘Laten we nu niet slim gaan lopen doen’, schreef hij nog voordat de tanks naar Bagdad reden, ‘en ingewikkelde diplomatieke oplossingen gaan uitdokteren, maar gewoon een totale oorlog voeren. Dat zal prima gaan en jaren later zullen onze kinderen prachtige liederen over ons zingen.’ Zijn bekendste citaat luidt: ‘Sneller alstublieft.’ Dat gebruikte hij na de zin. ‘Je kunt alleen maar hopen dat we het Midden-Oosten in een grote heksenketel veranderen.’

Nu klaagt hij over het Witte Huis: ‘Vraag je maar eens af wie de meeste macht hebben daar. Dat zijn vrouwen die verliefd zijn op de president: Laura, Condi, Harriet Miers en Karen Hughes.’

Kenneth Adelman kreeg in 2002 bekendheid bij het grote publiek door in een opiniestuk in The Washington Post een eventuele Irak-oorlog een ‘cakewalk’ te noemen, een ‘makkie’. Nu zegt hij: ‘Mocht ik het overdoen, dan zou ik een artikel hebben geschreven dat sceptisch is over de uitvoerbaarheid van het door ons gewenste beleid. (…) Ik denk dat ik zou hebben geschreven: Bush’ argumenten zijn absoluut juist, maar je moet ze in een lade stoppen met de titel “CAN’T DO”. En dat is wat anders dan “LET’S GO”.’ En hij meent dat Rumsfeld, decennialang een goede vriend, hem heeft ‘bedonderd’.

Ook geestverwanten van de neocons, zoals de oorlogscorrespondent Robert Kaplan en de wetenschapper Francis Fukuyama (opvolger van Wolfowitz bij de eliteschool voor buitenlands beleid van de Johns Hopkins University), worstelen met hun aanvankelijke enthousiasme voor de oorlog. De invloedrijke journalist Kaplan, voor wie de wapens niet hard genoeg konden kletteren, pleit drie jaar na de inval in Irak plotseling voor ‘voorzichtigheid’. Onder de kop We kunnen democratie niet opdringen schrijft hij dat ‘fysieke veiligheid de belangrijkste menselijke vrijheid blijft’. En kort na de inval in Irak al zei Fukuyama tegen deze krant: ‘Ik geloofde werkelijk dat er massavernietigingswapens waren. Nu die er niet blijken te zijn, kun je deze oorlog niet meer verdedigen.’

Opvallend genoeg worstelen de Nederlandse oorlogshitsers publiekelijk nergens mee. Toen Vrij Nederland Mient Jan Faber er onlangs naar vroeg, zei Faber dat hij er opnieuw voor zou pleiten om Irak van Saddam Hoessein te bevrijden, ook met de kennis van vandaag. Ook Leon de Winter, Arend Jan Boekestijn, Paul Scheffer, Elsbeth Etty en de ‘links conservatieve’ Jaffe Vink zien geen reden hun opvattingen te veranderen, ondanks de miljoenen Iraakse vluchtelingen, het aanhoudende geweld en de honderdduizenden doden.

Vanwaar dat verschil met Amerikaanse publieke intellectuelen? Waarschijnlijk omdat de opvattingen van de Nederlandse publieke intellectuelen geen enkele invloed hadden op de beslissing Irak binnen te vallen. Of op de gebeurtenissen aldaar. Dat is anders bij Ledeen, Perle, Adelman en Frum, die alle vier de Amerikaanse president adviseerden.

Waarschijnlijk is de pijnlijke conclusie gerechtvaardigd dat als opvattingen zonder consequenties blijven – als er vrijblijvend maar wat wordt gekletst of geschreven – de gevolgen van hun ‘ideeën op de grond’ de betrokken ‘deskundige’, columnist of anderszins publieke intellectueel niet kunnen raken. Dan blijft het opiniëren altijd een spelletje en is gezichtsverlies erger dan je opvattingen voegen naar de realiteit. Het is daarom verstandig, en wellicht interessanter, om over de grens te blijven kijken.