Eerbetoon aan Oost-Duitse-films op de Berlinale

De neorealist van de DDR

Scenarioschrijvers worden zelden groots geëerd. Maar op de Berlinale van dit jaar, de zestigste, gebeurt het. Wolfgang Kohlhaase schreef de scenario’s voor de beste DDR-films en na de val van de Muur voor de betere film in het herenigde Duitsland. Hij won de Gouden Erebeer.

HET IS 16 APRIL 1945. Een verstild rivierenlandschap bij ochtendnevel. Een gammele Russische vrachtwagen zit vast in de blubber. In de wagen legt een jonge sovjetsoldaat een grammofoonplaat met een nostalgisch walsje op en pakt een microfoon. Dan schalt het over het water en door de polder: ‘Achtung, Achtung, Duitse soldaten! De oorlog is verloren. Jullie situatie is hopeloos. Wacht niet, handel. Verder bloedvergieten is zinloos.’ Het blijft doodstil: geen teken van menselijk leven. Maar in de verte drijft een vlot. Het blijkt een galg. Daaraan hangt een man met een bord om zijn nek: 'Deserteur - Ich bin ein Russenknecht.’
Met deze beelden begint de DDR-film Ich war neunzehn uit 1968. Ruim twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog voelen veel jongere DDR-burgers zich met 'de Russen’ opgescheept. Regisseur Konrad Wolf en scenarioschrijver Wolfgang Kohlhaase willen, als overtuigde communisten, begrip kweken voor de Sovjet-Unie. Maar dat doen ze niet met een pamflet over een heldhaftig Rode Leger dat fascistische monsters bestrijdt. Ze tonen ook niet dat op die zestiende april en de dagen erna vijftigduizend doden aan de Oder vielen, meest Russen en Polen. Ze vertrouwen op de filmische kracht van een gammele vrachtwagen die, ver voor de troepen uit, op het verlaten platteland vergeefs probeert de restanten van Hitlers troepen tot overgave te bewegen.
De hoofdpersoon is die jonge, Duitstalige Rus aan de grammofoon, die het allemaal ook niet weet, en ook nog tot commandant van het stadje Bernau bij Berlijn wordt gebombardeerd. Die jongen is het alter ego van regisseur Wolf. Als kind vluchtte hij met zijn gezin, waarvan de vader de beroemde communistische arts en schrijver Friedrich Wolf was, voor de nationaal-socialisten naar de Sovjet-Unie. En als negentienjarige propagandaofficier keerde hij in 1945, Rus geworden, terug naar het hem vreemde Duitsland. 'Dit is mijn Heimat, zegt men.’ Het is in Kohlhaase’s scenario een land vol verbetenen, verslagenen, en vooral ook heel bange mensen.
'Zonder Wolfgang Kohlhaase als scenarist’, zou Wolf later uitleggen, 'had ik dat Duitse perspectief op die tijd niet goed kunnen vatten. Hij is in Berlijn opgegroeid en heeft de oorlog daar beleefd.’ Kohlhaase (1931) ervoer de komst van de Russen in 1945 als het spannende begin van een nieuw Duitsland. 'Daar wilde ik bij zijn’, vertelde hij een paar jaar geleden. Hij is, met horten en stoten, de DDR veertig jaar lang trouw gebleven.
Als twee-eenheid brachten Konrad Wolf en Wolfgang Kohlhaase enige van de indrukwekkendste DDR-films voort. Ich war neunzehn is er een van. Kohlhaase geldt als de belangrijkste scenarist van de Defa, het staatsfilmbedrijf van de Duitse Democratische Republiek dat ruim 7500 films produceerde, waaronder ook platte propaganda- en vermaaksfilms. Met ruim dertig kwaliteitsscenario’s in bijna zestig jaar is Kohlhaase tevens een van de beste auteurs uit de Duitse filmgeschiedenis. Zijn naam wordt doorgaans in één adem genoemd met die van de betreffende regisseur: naast Wolf zijn dat DDR-grootheden als Frank Beyer en Gerhard Klein. Hun werk houdt ook stand naast het beste van hun West-Duitse generatiegenoten: Fassbinder, Schlöndorff, Herzog.
Nog steeds oogst Kohlhaase roem met zijn scenario’s, die zo uit het leven gegrepen lijken. Maar het is een gekantelde werkelijkheid, gestileerd tot in de kleinste dialoog, want 'authenticiteit moet je creëren’, zoals hij zegt. Als een van de weinige DDR-cineasten is hem al doende de doorstart in het kapitalisme gelukt, zoals bij Sommer vorm Balkon (2005) en Whisky mit Wodka (2009), die hij met regisseur Andreas Dresen maakte. En voor het scenario van Volker Schlöndorffs Die Stille nach dem Schuss, over ex-RAF-terroristen die noodgedwongen in de DDR belandden, putte Kohlhaase dankbaar uit zijn verleden. Deze 'Oost/West’-film werd in 2000 op de Berlinale bekroond.

HET GROTE BERLIJNSE filmfestival dat deze week voor de zestigste keer plaatsvindt, eert Kohlhaase samen met de West-Duitse actrice Hanna Schygulla met een Gouden Beer voor hun levenswerk. Vóór hen kwam deze eer toe aan onder anderen Jeanne Moreau, Billy Wilder, Oliver Stone en Sophia Loren. In het twintigste herenigingsjaar van Duitsland is de Fassbinder-ster Schygulla, die iedereen kent, bewust gekoppeld aan de Oost-Duitse scenarist die - zeker in Nederland, maar ook in West-Duitsland - bijna niemand kent.
Dat ligt niet alleen aan het feit dat scenarioschrijvers geen sterren zijn. De Berlinale was zestig jaar geleden door de Amerikaanse bezettingsmacht van Berlijn als Schaufenster der freien Welt opgezet. Vóór de bouw van de Muur werden de Oost-Duitsers er met extra goedkope kaartjes heen gelokt. Kohlhaase kwam, als jonge filmauteur in de jaren vijftig, niet graag naar de 'glans en glitter’ van de Berlinale, zoals hij de sfeer eens omschreef. De eigentijdse Russische, Amerikaanse, Franse en Italiaanse films zag hij liever in de kleine Kinos en clubs in alle vier Berlijnse bezettingszones.
Pas vanaf 1975, toen de Koude Oorlog zich ontspande, waren op de Berlinale ook films uit het Oostblok te zien. Ze werden op dit breukvlak van Oost en West vaak enthousiast ontvangen, maar zorgden ook nogal eens voor politiek gekonkel. Zo trokken in 1979 alle socialistische staten hun films voor het festival terug vanwege de selectie van Cimino’s Vietnam-film The Deer Hunter, die ze te pro-Amerikaans vonden (officieel: 'oorlogsverheerlijkend’ - een zeldzame omschrijving van de film, die in Duitsland liep onder de titel Die durch die Hölle gehen).
En zo moest Wolfgang Kohlhaase in 1983 ervaren dat de geselecteerde film Der Aufenthalt, die hij met Frank Beyer naar de gelijknamige roman van Hermann Kant had gerealiseerd, op het laatste moment door het Zentralkomitee van de Eenheidspartij SED van het festival werd teruggetrokken. Deze beslissing had partijchef Honecker zelf genomen, onder druk van generaal Jaruzelski en diens Poolse regering. Als troost mocht Kohlhaase drie jaar later in de Berlinale-jury plaatsnemen tussen coryfeeën als Sergio Leone en Patricia Highsmith.

NET ALS Ich war neunzehn speelt Der Aufenthalt zich aan het einde van de oorlog af. Een piepjonge Duitse krijgsgevangene belandt in een Poolse gevangenis op verdenking van de moord op Poolse burgers. Hij wordt daar hard, maar niet onmenselijk behandeld en krijgt een fair proces dat zijn onschuld aantoont. Maar eerst belandt hij in een cel met onverbeterlijke SS'ers en hun meelopers, onder wie de chauffeur van een mobiele gaskamer en een Nederlandse KZ-opzichter. Door de verhalen van die beiden realiseert hij zich dat ook hij, als eenvoudige soldaat, medeschuldig is aan oorlogsmisdaden.
Niemand in Warschau had Der Aufenthalt gezien. Men was afgegaan op de rapportage van een militair attaché in Berlijn die, aldus regisseur Beyer, amper Duits verstond. Maar het verwijt was er niet minder om: dat er geen 'fascistische misdaden’ te zien waren, maar wel een Poolse gevangenis die een Duitser onschuldig vasthoudt. Een mooie brief van Beyer en Kohlhaase aan de Poolse ambassadeur, waarin ze benadrukken dat hun film heus de misdaden van de Duitsers in Polen centraal stelt, mocht niet baten. Kohlhaase was woedend om het absurde verwijt, maar bleef SED-lid: niet de partijleiding had iets tegen de film gehad. En deze narigheid kon er, naast al het eerder doorstane leed rond de verfilming van zijn scenario’s, nog wel bij. Zoals hij het eens formuleerde: 'Bij de film gaat het niet zonder de partij. En evenmin mét de partij.’
Vijftien jaar eerder was Ich war neunzehn opgezet ter ere van de vijftigste verjaardag van de 'Grote Socialistische Oktoberrevolutie’. De makers, Kohlhaase en Wolf, hadden toen al een flinke status. Konrad Wolf was president van de Akademie der Künste, de hoogste kunstinstantie van de DDR, en Kohlhaase was lid van de Akademie. Dat gaf ze wel de vrijheid om bijvoorbeeld met hun films naar het kapitalistische buitenland te reizen, maar geen creatieve vrijheid. Kohlhaase wilde in de film 'een zinnelijke indruk geven van die episode in 1945’, zoals hij later zei. Maar de massa doodsbange vrouwen die naar Wolfs alter ego in de Kommandantur van Bernau vluchten om bij deze 'Duitse Rus’ bescherming voor de verkrachtende Russische soldaten te zoeken, moest Kohlhaase uit het scenario verwijderen. Zijn oplossing werkt mogelijk zelfs sterker: één doodsbang meisje komt nu de Kommandantur binnenvallen.
Er kon nog veel meer niet. Twee jaar lang, 1966-67, keken Duitse en Russische officials bij Kohlhaase en Wolf over de schouders mee. Terwijl de grote schrik van 1965 er bij filmend Oost-Duitsland, ook bij het duo, nog goed in zat. Want in december 1965 had het 11e Plenum van het Zentralkomitee der SED nagenoeg de volledige Defa-jaarproductie een vertoningsverbod gegeven en lopende projecten afgebroken: te decadent, te weinig optimistisch. Daar zat zelfs Der geteilte Himmel tussen, de film die topauteur Christa Wolf naar haar roman schreef voor Konrad Wolf (geen familie). Dat de laatste Akademie-president was, zoon van een gerespecteerd communist, broer van spionnenchef Markus Wolf en voormalig assistent bij een DDR-propagandadraak van de grote Joris Ivens, hielp hem geen zier. Zowel Kohlhaase als Wolf had op dat beruchte congres vergeefs gevochten voor kunstzinnige vrijheid. Ze beschouwden de uitkomst als de grootst mogelijke catastrofe van de speelfilmindustrie. Voor het slagen van Ich war neunzehn, hun subjectieve drama in ontwikkeling, bestond geen enkele garantie. Maar regisseur en scenarist besloten dat ophouden met filmen het slechtste was wat ze konden doen, zoals Christa Wolf zich uit een emotioneel telefoongesprek herinnerde.
Ich war neunzehn is er gekomen. De film sloeg in 1968 aan op de manier die de makers voor ogen stond: het publiek kon zich met de karakters identificeren en begrip voor de Russen opbrengen. Eigenlijk is het een wonder dat een ideologisch zo geknotte productie filmisch én inhoudelijk zo de moeite waard is. Mogelijk is de reden daarvoor dezelfde die zoveel scenario’s van Wolfgang Kohlhaase bijzonder maakt: de censuur dwong hem tot subtiele afwegingen bij elk woord en gebaar, tot sensibele aanduidingen van grote thema’s.

OOK VOOR de Wende schreef Wolfgang Kohlhaase niet alleen over de oorlog en de verwerking daarvan. Hij schreef menige lichtvoetiger speelfilm over het alledaagse leven van zijn tijd, al blijft het decor veelal zijn kapotte, rommelige, gedeelde stad Berlijn. Hij was zijn loopbaan als selfmade journalist voor jongerenmedia begonnen en experimenteerde in de jaren vijftig samen met de filmer Gerhard Klein, eveneens een autodidact. Jongens uit het volk waren ze, die al na twee jeugdfilms werden onderscheiden met een grote nationale prijs. Hun derde gezamenlijke film, Berlin - Ecke Schönhauser uit 1957 werd in de eerste drie maanden door anderhalf miljoen DDR-burgers gezien. Hij zou een Defa-klassieker worden, een ware cultfilm.
Berlin - Ecke Schönhauser volgt een groep Halbstarke (nozems) die rondhangen onder de spoorbrug van station Schönhauser Allee. Ze zijn idealisten en opportunisten, een enkeling zelfs crimineel, die de sociale ellende thuis zijn ontvlucht en dromen van glitter en glans en niet van socialistische planproductie. De zonegrens is nog open, maar ook West-Berlijn blijkt een koude kermis. Dat slot van de film mocht dan pro-DDR zijn, Kohlhaase en Klein hadden een gewaagde voorstelling van het leven in het zelfverklaarde arbeidersparadijs geboden. Zoals een hoge cultuur-Genossse zijn kritiek treffend formuleerde: 'In deze film schijnt de zon maar drie keer.’ Kohlhaase had zich door de Italiaanse neorealisten laten inspireren, zoals hij later aangaf: 'Films met volks naturel die “op de hoek” speelden, alsof je toevallig getuige was. Zonder die Italiaanse films was ik niet op de gedachte gekomen dat ons alledaagse leven geschikt zou zijn als filmstof.’ Gretig had hij zich voor Berlin - Ecke Schönhauser op de dialoog van de straat gestort. Zo pareert bouwvakker Dieter, gespeeld door de James Dean van de DDR Ekkehard Schall (Bertolt Brechts latere schoonzoon) zijn partijtrouwe broer met de woorden: 'Dus als ik boogie dans, doe ik Amerikaans. En als ik het hemd over de broek draag, is dat politiek verkeerd.’
Dat Berlin - Ecke Schönhauser er kwam, hadden Kohlhaase en Klein te danken aan de officiële jeugdorganisatie van de DDR, de FDJ. Die overtuigde de partijtop ervan voor één keer een film toe te laten die misschien een wat minder positief beeld van de jeugd gaf, maar die wel goed aansloot bij hun leefwereld. Kohlhaase vond dat heel verstandig: 'Ik dacht, als onze eigen maatschappij zijn problemen verdringt, springen degenen die niet onze vrienden zijn in het gat.’ Het lokkende Westen dus.
Gerhard Klein stierf vroeg. Met diens sociale tegenpool, de hooggeschoolde Konrad Wolf, die uit een gegoed, kunstzinnig joods milieu stamde, zou Kohlhaase in 1980 een film realiseren die in toon en thema verrassend nauw bij dat rauwe, volkse Berlijn van Ecke Schönhauser uit 1957 aansluit: Solo Sunny. Kohlhaase was ditmaal tevens co-regisseur. Solo Sunny is een liefdevolle milieustudie rond een onaangepast Berlijns zangeresje in een materieel en mentaal kapotte stad. Op de achtergrond wordt af en toe een klassiek pand opgeblazen: het documentair gefilmde commentaar op de algehele kaalslag in het land. Sunny’s kleine idealen ketsen af op haar nare, te aangepaste medeburgers. Ze heeft geen talent voor de compromissen die in de DDR werden verlangd: 'Ik slaap met iemand als ik er zin in heb. Ik noem een zakkenwasser een zakkenwasser. Ik heet Sunny.’
Het scenario van Solo Sunny was weer aan heftige partijkritiek blootgesteld, maar er was bijval genoeg. Na de voorzichtige uitbreng lieten zelfs de officiële DDR-media doorschemeren wel wat in de film te zien. Velen geloofden in 1980 al lang niet meer in het arbeidersparadijs. Solo Sunny werd het grootste publiekssucces van de Defa, in de DDR en in de rest van de wereld. Renate Krössner kreeg voor haar rol van Sunny op de Berlinale de Zilveren Beer en de film ontving de prijs van de internationale filmkritiek.
Drie jaar later week Krössner bij gebrek aan werk naar de Bondsrepubliek uit. Solo Sunny werd prompt uit de roulatie gehaald. Wolfgang Kohlhaase bleef in de DDR. Met gevoel voor ironie gaf hij onlangs als motivatie dat hij in die staat altijd 'zoveel resonantie’ op zijn werk had gekregen. En dat was wat hij wilde: communicatie over moeilijke thema’s.

Defa-Filme auf der Berlinale, nieuwe dvd met onder andere Berlin - Ecke Schönhauser, Solo Sunny en Der Aufenthalt, http://www.progress-film.de/aktuell/de/documents/a-sonderedition.pdf. Die laatste film en Ich war neunzehn staan op de verzamel-dvd uit 2006 Parallelwelt: Film - Ein Einblick in die Defa, http://www1.bpb.de/publikationen/G9E6EN,0,Parallelwelt:\_Film.html. Boek over de Defa-films op de Berlinale: Zwischen uns die Mauer van Jürgen Haasse, be.bra Verlag 2010