De nerveuze samenleving de allochtonen kregen van de anti-politiek-correcte intellectuelen niets te horen wat ze niet al wisten uit smoezelige pamfletten

OP HET GEBIED VAN het multiculturalisme zijn Europeanen eigenlijk amateurs. In de afgelopen vijf eeuwen zijn zij altijd degenen geweest die op reis gingen. Zij drongen de gebieden van kleurlingen binnen, zij vestigden zich in de Nieuwe Wereld, in Australië, in sommige steden van Azië en later in delen van Afrika. Het migrant zijn kwam uitsluitend hun toe, leek het.

Nu de rollen in de afgelopen twintig jaar zijn omgedraaid en de gekleurden naar de blanke wereld komen, is het moeilijk wennen. Landen als Duitsland en Denemarken kunnen de nieuwe realiteit amper geloven, laat staan accepteren, terwijl Nederland, Engeland en Frankrijk - de laatste koloniebezitters - zich langzaam neerleggen bij de gevolgen, al weet men nog niet precies welke dat zijn.
Wel heb ik de indruk dat ambtenaren en politici daar serieuzer mee bezig zijn dan bijvoorbeeld intellectuelen, schrijvers en kunstenaars. Al sinds de treinkapingen door de Molukkers weten de bestuurders van Nederland dat zoiets als een ‘minderhedenbeleid’ nodig is. Men is gewaarschuwd en men heeft begrepen dat het de minderheden niet alleen gaat om concrete zaken als werk, huisvesting en onderwijs, maar ook om ingewikkelde culturele kwesties als 'erkenning’, 'identiteit’, de vrije beleving van de eigen herinneringen en levenshoudingen. Wat de Canadese filosoof Charles Taylor in zijn beroemde essay uit 1992 'de politiek van erkenning’ noemt, is in Nederland al sinds het begin van de jaren zeventig min of meer ambtenarenpraktijk. De overheid aanvaardt het 'andere’ zelfbesef van vreemdelingen en erkent hun 'afwijkende’ geschiedenissen, zienswijzen, voorkeuren en verlangens. Het accent is sinds het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 1989 misschien iets zwaarder komen te liggen op arbeid en scholing dan op cultuur en identiteit, maar men is zich er tenminste van bewust dat een multiculturele samenleving altijd en per definitie een nerveuze, rusteloze samenleving is.
DIE RUSTELOOSHEID begint zodra de eerste groep erkenning eist, waarna alle anderen spiraalgewijs worden meegesleept: eerst vrouwen, dan homo’s, dan buitenlanders en daarin weer eindeloze subgroepjes. In de Verenigde Staten zien we dat zelfs de blanken zich etnisch gaan gedragen en een 'politiek van erkenning’ voeren, met alle rampzalige kenmerken die Arthur Schlesinger Jr. beschrijft in zijn provocerende boek The Disuniting of America: Reflections on a Multicultural Society.
Schlesinger is niet zo'n voorstander van de multiculturele samenleving. Volgens hem moeten we terug naar het begin van de liberale staat, die conform de Franse Revolutie alleen individuen erkende en persoonlijke identiteiten honoreerde. Daarop antwoordt Charles Taylor dat de omstandigheden sinds het begin van de liberale staat toch aanmerkelijk zijn veranderd. In de eerste democratieën was er doorgaans één dominante groep die de herinneringen, levenshoudingen, voorkeuren, verlangens en verworvenheden van alle burgers definieerde. Maar vooral sinds de jaren zestig ontstonden groepen die zich realiseerden dat ze afweken van een of andere 'meerderheid’ en die naar een eigen zelfdefinitie zochten; de zwarten wijken af van de blanken wat betreft herinneringen en verworvenheden, de vrouwen wijken af van mannen wat betreft verlangens en maatschappelijke kansen, de homo’s wijken af van de hetero’s wat betreft levenshoudingen en voorkeuren. Die verschillen, zegt Charles Taylor, zijn empirisch verifieerbaar en het heeft daarom geen enkele zin ze te ontkennen.
De politiek ontkent ze ook niet, althans niet in Nederland. Het gaat soms wat onhandig en krampachtig, met inburgeringstrajecten, Melkertbanen en witte-illegalenregelingen, maar de overheid is er tenminste van overtuigd dat je een multiculturele samenleving niet op z'n beloop kunt laten. De nervositeit van zo'n samenleving kan geruisloos omslaan in morele paniek en angst, zonder dat iemand in de gaten heeft welke gebeurtenissen of welke sentimenten de directe aanleidingen zijn. We zagen het in Anderlecht en eerder in Brixton, Birmingham, Berlijn en de buitenwijken van Parijs, we zien sommige grote steden in Europa haast letterlijk uit elkaar vallen, we zien gewapende groepen ontstaan, we zien intifada’s van allochtonen en rechts-extremisten.
WAT MIJ VERWONDERT, is dat de dichters en denkers van Europa zich er niet ernstiger mee bemoeien. Allochtonen, asielzoekers en moslims, ze lijken de intellectuelen te min of ze wekken wrevel. Ze zijn te min omdat ze door politici en journalisten worden afgeschilderd als treurig en armzalig. Het zijn 'probleemgroepen’, ze hebben geen werk, ze wonen in oude huizen, ze worden gediscrimineerd. Maar in de allereerste plaats zijn ze saai. Saai en vervelend. Ze missen iedere flamboyance, iedere glamour, iedere stijl en elegantie. Ze zijn maar zielig en meelijwekkend en wie kan daar iets spannends of origineels over verzinnen? Ze koken lekker, ze hebben sommige welwillende schrijvers ontdekt, en de gekleurde meiden zijn pittig, weten enkele andere, maar daarmee houdt de belangstelling op.
Ik geef toe dat allochtonen iedere glamour missen, maar dat kan men net zo goed wijten aan de schrijvers als aan de allochtonen. Ik hoef maar te herinneren aan de 'Jazz Age’ en de 'Harlem Renaissance’, toen blanke auteurs als Carl van Vechten, Gertrude Stein en F. Scott Fitzgerald en zwarte schrijvers als Claude McKay en Zora Neale Hurston de zwarten in de Amerikaanse steden met succes presenteerden als de avant-garde waar iedereen bij wilde horen. De Fitzgerald of McKay van Nederland moet ik nog tegenkomen.
Behalve dat minderheden te min zijn voor de Nederlandse intellectuelen, wekken ze ook hevige wrevel. De allochtonen, asielzoekers en moslims blijken namelijk geen lieverdjes te zijn. Er was een tijd dat ze aandoenlijk en deerniswekkend genoeg leken om ze een helpende hand te bieden, maar ze vielen door de mand. De allochtonen pasten zich niet aan en leerden geen Nederlands, de asielzoekers logen hun vluchtverhalen bij elkaar en de moslims die zo schreeuwden om respect voor hun godsdienst bleken zelf de meest onverdraagzame fundamentalisten te zijn die men zich maar kan voorstellen. Hun slachtofferschap hadden ze aan zich zichzelf te wijten, en zulke slachtoffers wil niemand helpen. Hulpbehoevenden moeten de hulp ook waard zijn, dat is een algemene morele regel. Degenen die onrecht wordt aangedaan moeten zelf altijd het recht eerbiedigen; de vervolgden dienen onschuldig te zijn en o wee als de engelen hun vleugels verliezen doordat ze maar al te menselijk blijken…
ER IS NOG EEN REDEN voor de wrevel van de Nederlandse intellectuelen tegenover het multiculturalisme, een veel belangrijkere reden, en dat is de vloek van de politieke correctheid. Het is een banvloek, omdat degene die ervan wordt beschuldigd uit de gemeenschap van weldenkenden wordt geplaatst. Een politiek correct persoon is namelijk braaf en naïef, omdat hij de zieligen als zielig voorstelt en blind is voor hun gebreken en kwaadaardigheden. Een politiek correct persoon is goeiig en eenzijdig, omdat hij het bij voorbaat opneemt voor de ene club zonder aanspreekbaar te zijn voor tegenargumenten. Een politiek correct persoon is voorspelbaar, vervelend, gelijkhebberig, betweterig, kortzichtig, bekrompen en ongenuanceerd. Een politiek correct persoon is nooit ondeugend, ironisch, stoutmoedig, uitdagend, speels of verrassend.
Politieke correctheid is veel meer een brandmerk, een belediging, een scheldwoord - zoals vroeger iemand voor reactionair of bourgeois kon worden uitgemaakt - dan een bruikbaar begrip. Vroeger was het uitsluitend bedoeld om lelijke woorden en namen te vervangen door nettere aanduidingen: nigger werd eerst black, toen Afro-American en nu African-American. Het was louter een kwestie van beleefdheid, en waarom zou je iemand die zich gekwetst voelt door een bepaalde benaming niet ontzien?
Toen ging men een stap verder: niet alleen woorden, maar ook uitspraken, stellingen, historische opvattingen en visies moesten worden vervangen. Amerika werd door Columbus niet meer ontdekt, hij bereikte enkel als eerste Europeaan het land van de Indianen. En nog een stap verder: tot de literaire canon mogen niet alleen blanken worden gerekend, maar ook mensen als Claude McKay en Zora Neale Hurston, en Chenua Achebe moet in een adem worden genoemd met Flaubert en Tolstoj; zo veranderde langzaam de verschoning van de taal in de verdraaiing van de waarheid.
In het begrip 'politieke correctheid’ gaat dus de spanning schuil tussen beleefdheid en eerlijkheid. In Nederland werd deze spanning in een iets ander verband geschetst door Abram de Swaan. In zijn essays Het lied van de kosmopoliet ging hij in op het heersende cultuurrelativisme, dat stelt dat men vanuit de ene cultuur geen oordeel kan vellen over de andere cultuur, omdat die over eigen waarden en normen beschikt. Het is voor de westerling dus lastig om het regime van Iran te bekritiseren, omdat de Iraanse maatstaven van goed en kwaad en recht en onrecht verschillen van die van het Westen.
Maar, zegt De Swaan, er is ook nog een kosmopolitisch standpunt mogelijk. Een kosmopoliet die universele waarden van menselijke rechten en vrijheden nastreeft kan heel goed een oordeel vellen over alle beschavingen, inclusief de westerse. En het feit dat de kosmopoliet dat nalaat, duidt meer op beleefdheid dan op eerlijkheid. Het is nu tijd, zegt De Swaan in 1985, om die beleefdheid op te geven en eerlijk tegenover elkaar te zijn: 'Sidder Khomeiny’, zo besluit hij zijn verhaal.
Deze rangorde van eerlijkheid boven beleefdheid is sindsdien geweldig aangeslagen bij journalisten, columnisten en een enkele politicus. Eind jaren tachtig besloot men collectief 'taboes’ te doorbreken en de minderheden eens eerlijk de keiharde waarheid te vertellen. Beleefdheid werd gelijkgesteld aan het doodknuffelen van allochtonen. Wellevendheden was uit de tijd. Eerlijkheid, openheid, waarheid, niets dan de waarheid!
NU, ZEVEN JAAR LATER, kunnen we de balans opmaken met de vraag wat die 'eerlijkheid’ van de intellectuelen heeft opgeleverd. Is er een heus en open debat gevoerd over de sociale samenhang in de samenleving, over de rechtmatigheid van groepserkenning in een moderne democratie, over de relatie tussen de collectieve identiteit en het persoonlijke karakter, over de overgang van traditie naar moderniteit, over het nut van de koloniale geschiedenis, de werking van herinnering, heimwee, spijt en hoop en andere verwarrende gevoelens? Is er überhaupt ergens over gediscussieerd?
De intellectuelen en een enkele politicus hebben het dogma van eerlijkheid boven beleefdheid in feite alleen gebruikt om eens hardop onbeleefdheden te uiten: moslims komen uit een achterlijke cultuur en moeten zich binnen één generatie aanpassen en anders teruggaan. Dat is eerlijk, maar ook lomp. Asielzoekers moeten begrijpen dat dit land vol is en al genoeg te doorstaan heeft met de reeds toegelaten vreemdelingen. Dat is eerlijk, maar ook harteloos. Zwarten moeten ophouden te zeuren over discriminatie en maar bewijzen wat ze waard zijn in een eerlijke competitie met de blanken. Dat is eerlijk, maar ook bedrieglijk.
Al die eerlijkheid is in de afgelopen jaren vooral gebruikt als smoes om onbeleefd te zijn. De allochtonen kregen van de anticorrecte intellectuelen niets te horen wat ze niet al wisten uit de smoezelige pamfletten in de brievenbussen, de geverfde mededelingen op de muren en de commentaren in kroegen en oude wijken.
Uiteindelijk bleek dus dat deze anticorrecte intellectuelen niets te zeggen hadden, en wie niets te zeggen heeft, kan beter beleefd dan eerlijk zijn.
Het is trouwens een misverstand dat beleefdheid onbelangrijk is. Beleefdheid is de eerste bouwsteen van beschaving. Het is op zichzelf niet genoeg, maar een noodzakelijk begin. Ik ben zelfs bereid genoegen te nemen met beleefdheid als werkelijk respect of oprechte sympathie onmogelijk zijn.
Zo vertelde de schrijver V.S. Naipaul ooit dat hij in een drinkgelegenheid in het zuiden van de Verenigde Staten stapte waar blanken racistische liederen over negers aan het zingen waren. Het werd stil toen hij binnenkwam, het bleef stil zolang hij er was, en men hervatte het zingen op het moment waarop hij vertrok. In deze contreien, peinsde de auteur, is beleefdheid het maximaal haalbare, maar eigenlijk ook wel genoeg.
Beleefdheid is meer dan uiterlijk vertoon, meer dan versiering, meer dan overbodig ceremonieel. Ze is een middel om kwetsing te voorkomen, een ritueel om krenking te bezweren, een techniek om vernedering te vermijden.
ALS NU DE INDRUK ONTSTAAT dat ik er de voorkeur aan geef dat de Nederlandse intellectuelen beleefd zwijgen over de multiculturele samenleving, dan is dat een vergissing. Uiteraard: wie niets te zeggen heeft, kan beter uit beleefdheid zwijgen, maar ik heb liever dat men wél iets te zeggen heeft. De multiculturele samenleving is nu eenmaal een samenleving met een bijna tastbare nervositeit, een voelbare innerlijke spanning die alle kanten op kan gaan, ook de kant van wreedheid en fascisme.
Daarom alleen al kunnen de grote vragen die zo'n maatschappij oproept niet worden overgelaten aan politici en ambtenaren. Het multiculturalisme is, zoals het woord al zegt, een cultureel probleem dat bemoeienis vraagt van intellectuelen en cultuurbeoefenaars.
Maar hoe moeten de intellectuelen zich ermee bemoeien? Vanuit welke houding zouden ze zich met het multiculturalisme kunnen inlaten? Het ergste wat allochtonen kan overkomen is dat ze uit blinde liefde door de intellectuelen worden omarmd. Dat gevaar dreigt soms, als je algemene uitspraken hoort over de zogenaamde 'verrijking’ die allochtonen betekenen voor de Nederlandse cultuur, of dat allochtonen tenminste nog over een 'authentieke’ identiteit beschikken die Nederlanders zijn kwijtgeraakt.
Zo'n houding verschilt weinig van die van zendelingen en hulpverleners die het hun plicht achten om kleurlingen te helpen of ervan uitgaan dat die mensen evenveel recht hebben op 'onze’ beschaving. Beide standpunten plaatsen de allochtonen in de positie van de absolute Ander: de betere Ander of juist de misdeelde Ander; de perfecte Ander, of juist de weerloze Ander. In alle gevallen is de eigen superioriteit de ranzige ondertoon en de exotisering van vreemdelingen het uiteindelijke resultaat.
Maar als lieve gemeenplaatsen even verdacht zijn als kwade clichés, wat blijft er dan over? Een persoonlijke betrokkenheid, zou ik denken. Een persoonlijke betrokkenheid die noodzakelijkerwijs gebaseerd is op persoonlijke ervaringen.
Vroeger moesten Europeanen de zeeën over om vreemden te ontmoeten. Nu zijn er meer dan een miljoen gekleurde mensen in Nederland en men zou verwachten dat er vriendschappen ontstaan, relaties, contacten, verhoudingen, romances, liaisons en weet ik wat al niet meer. Ze schijnen zich nauwelijks voor te doen, als je het werk van de meeste cultuurbeoefenaars bekijkt en dat is, hoe zeg je dat zacht, eigenaardig.
Maar zonder vriendschap geen nuance, geen verbondenheid, geen solidariteit. En dan bedoel ik niet de mechanische solidariteit die het gevolg is van politieke of religieuze overtuigingen, maar de solidariteit als resultaat van inleving, vereenzelviging en identificatie. Solidariteit op grond van vriendschap en vriendschap als uitweg tussen volstrekt egoïsme en algeheel altruïsme.
OVER VRIENDSCHAP is door de eeuwen heen diepgaand nagedacht. Socrates bijvoorbeeld zegt dat vriendschap berust op wederkerigheid, ongelijksoortigheid en belangeloosheid. Vooral het middelste is interessant: onder gelijksoortige mensen ontstaat eerder wedijver dan vriendschap, omdat men elkaar hetzelfde te bieden en hetzelfde te vertellen heeft.
Natuurlijk redeneert Socrates meteen tot het uiterste om uit te komen op de vraag of totaal ongelijksoortigen ook vrienden kunnen worden: kan een door en door slecht persoon bevriend raken met iemand die door en door goed is? Hij komt er niet uit en dat is gelukkig ook niet nodig. Met de suggestie dat verschil bijdraagt aan vriendschap komen we al een heel eind.
Vriendschap heeft volgens filosofen - van Aristoteles tot Montaigne, Bacon, Kant en Kierkegaard - wel het grote nadeel dat ze een sterk particulier karakter draagt. Je kunt maar met een zeer beperkt aantal mensen bevriend zijn, en de rest van de mensheid wordt er prompt van uitgesloten. Vrienden worden bovendien voorgetrokken, wat op zichzelf onrechtvaardig is. De fouten van vrienden worden makkelijker vergeven, wat weliswaar de wederzijdse trouw bevordert, maar ook de partijdigheid verergert.
Maar juist aan die partijdigheid ontleent vriendschap zijn wonderlijkste kracht: want wat is er nou mooier, edeler en karaktervoller dan partij te kiezen voor iemand die niet gelijksoortig is aan jezelf? Wie als Nederlander bevriend raakt met een Turk, kan niet meer lachen om Turkenmoppen. Wie als christen bevriend raakt met een moslim, vindt het moeilijk ze over één kam te scheren. Wie als hetero bevriend raakt met een homo, kijkt voor altijd anders aan tegen homoseksuelen. Als deze hetero toevallig getuige is van een geval van potenrammerij, is de kans groot dat hij in het slachtoffer zijn vriend ziet en het daarom voor hem opneemt. Het opnemen voor de vreemdeling als het erop aankomt, is dat niet de morele kern van het multiculturalisme?