500 jaar Utopia

De niet-bestaande plek

De stichtingstekst van de utopische traditie is weggezet als gevaarlijk en totalitair. Wie beter leest, ontdekt een fenomenale ode aan de politieke fantasie die niets aan actualiteit heeft ingeboet.

Medium essayopening

Eerlijk is eerlijk: dat Utopia in de loop van de eeuwen in een kwaad daglicht is komen te staan, hoeft niet te verwonderen. Op het door Thomas More beschreven eiland is het privé-bezit afgeschaft en zijn persoonlijke vrijheden streng gelimiteerd. In het intellectuele klimaat van de Koude Oorlog werd het gezien als een vroege vertolking van de communistische heilstaat.

Daarmee waren de stellingen betrokken. In het Nederlandse taalgebied is het bovenal de filosoof Hans Achterhuis die met zijn volumineuze inbreng de discussie heeft bepaald. In de voetsporen van conservatief-liberale denkers als Isaiah Berlin, Karl Popper en John Gray stelde Achterhuis dat More’s Utopia de opmaat heeft gevormd tot het moderne totalitarisme.

Aan het einde van de jaren negentig schreef Achterhuis De erfenis van de utopie, een nog steeds invloedrijke kritiek op het utopische denken. Thomas More’s Utopia zou een pad hebben gebaand waartoe daaropvolgende generaties van utopische denkers eveneens zijn veroordeeld. Een pad dat onherroepelijk leidt tot de moderne totalitaire regimes zoals die van Stalin, Mao en de Rode Khmer. Tegelijkertijd rekende Achterhuis af met wat hij de ‘massale verdwazing’ van de jaren zestig en zeventig noemde, een tijdgeest die volgens hem eveneens utopisch van karakter was.

Het grote gevaar van het utopisme lokaliseerde Achterhuis vooral in de drang naar holisme. ‘Uitdrukkelijk verzetten utopisten zich, te beginnen met More, tegen het reformisme dat bepaalde elementen wil verbeteren of losse ideeën wil toepassen’, zo stelde hij. Utopisten willen de gehele samenleving radicaal op de schop nemen op basis van een blauwdruk of een groots plan. De wereld is echter complex, veelzijdig en weerbarstig. Vandaar dat de grootse plannen enkel onder dwang kunnen worden doorgevoerd, met geweld en dictatuur.

Desondanks is er de laatste jaren sprake van een herwaardering en heropleving van het utopische denken. Zo wijzen historici op de belangrijke rol van utopische ideeën in de Amerikaanse, Bataafse en Franse revoluties. De moderne democratie, zo is de stelling, zou juist zijn ingeluid door radicaal, utopisch denken. Op internationaal niveau spreken denkers als Fredric Jameson, Terry Eagleton en Russell Jacoby zich uit voor het ‘iconoclastische’ utopisme. Daarmee wordt een vorm van utopisme bedoeld die niet fungeert als alomvattende blauwdruk voor de toekomst, maar eerder als kritiek op het bestaande.

Ook in Nederland is een dergelijke herwaardering zichtbaar. Willem Schinkel schrijft in De nieuwe democratie over de noodzaak om vast te houden aan ‘een utopische horizon, zonder ooit de gevaarlijke claim te doen de utopie te kunnen verwezenlijken’. Leo Laeyendecker heeft met Kritische stemmen een indrukwekkende encyclopedische verdediging geschreven van de utopie als noodzakelijke vorm van maatschappijkritiek. En Rutger Bregman pleit voor utopisch iconoclasme in De geschiedenis van de vooruitgang.

Bij nader inzien blijkt More’s Utopia meer gemeen te hebben met deze vorm van utopie als kritiek op de status-quo dan met de utopie als gesloten blauwdruk. Alhoewel er geen sluitend oordeel geveld kan worden over Utopia – het blijft in al zijn ambiguïteit een literaire tekst – zijn er overtuigende redenen om het te benaderen als een half serieus, half satirisch werk uit het genre genaamd serio ludere. Vanuit dit perspectief bezien is de utopie geen blauwdruk, te realiseren in al zijn gedetailleerde veelomvattendheid. Het is een onwaarschijnlijk en onrealiseerbaar beeld van een alternatieve samenleving dat er bovenal toe dient misstanden in het heden te bekritiseren. En dit alles met behulp van een flinke dosis humor.

***

Om te beginnen wat basale informatie over de inhoud van Utopia. Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel introduceert More zichzelf en zijn vriend Pieter Gillis (een reële historische figuur) en vertelt hij over zijn eerste kennismaking met de (fictieve) reiziger Raphaël Hythlodaeus in de straten van Antwerpen. Daarop volgt een beschrijving van een diepgaand gesprek over de maatschappelijke inzichten die Raphaël met zijn reizen heeft opgedaan, en of deze ook in Europa toegepast zouden kunnen worden. Onder de indruk van zijn intelligentie, adviseren Gillis en More hem om in dienst te treden bij een vorst, om zo zijn kennis te gelde te maken.

Het antwoord van Raphaël is dat bemoeienis met de politiek geen zin heeft, aangezien niemand bereid is te luisteren naar alternatieve en radicale ideeën. Een uitgebreide discussie over het politiek engagement van intellectuelen volgt. Raphaël vertelt over de kwalijke politieke situatie in Groot-Brittannië, waar de omheining van de boerengronden heeft geleid tot een golf van armoede en criminaliteit. De Britse autoriteiten reageren door kwistig de doodstraf toe te passen. Raphaël stelt voor om de oorzaken van criminaliteit aan te pakken, hij pleit voor minder oorlog en een rechtvaardiger economisch beleid. Zijn humanistische ideeën zijn echter zo ongehoord dat hij bij niemand aanspraak vindt.

De bewoners van Utopia hebben een zesurige werkdag en iedereen kan het werk doen dat hem of haar het best ligt

Aan het einde van het eerste deel besluit Raphaël te vertellen over het eiland Utopia, om zo te laten zien dat een andere wereld mogelijk is. Het tweede boek is een gedetailleerde beschrijving van de utopische samenleving, zoals uitgelegd door Raphaël aan More en Gillis. Het eiland Utopia dat Hythlodaeus schetst is in sommige aspecten een zeer aantrekkelijke samenleving, zeker vergeleken met het Europa van de zestiende eeuw. In Utopia is sociaal-economische gelijkheid de norm aangezien er geen sprake is van privé-eigendom. Niemand komt om van de honger en er zijn geen daklozen. De bewoners van Utopia hebben een zesurige werkdag en iedereen kan het werk doen dat hem of haar het best ligt. Er zijn beperkte vormen van democratie: de bevolking is gerechtigd om een tirannieke heerser tot aftreden te dwingen. Er is onderwijs en zorg voor iedereen. Bovendien is er een officieel beleid van religieuze tolerantie.

Aan de andere kant is persoonlijke vrijheid in de utopische samenleving zeer gelimiteerd. Kinderen kunnen zomaar overgeplaatst worden van de ene naar de andere locatie, van het ene naar het andere gezin, om optimale bevolkingsdichtheid te handhaven. Vrije tijd is streng gereguleerd en vermaak in bars en bordelen is verboden. Er zijn ook slaven in Utopia, die het vuile werk opknappen dat niemand wil doen. Vrije burgers van Utopia kunnen eveneens veroordeeld worden tot slavernij als ze niet gehoorzamen aan de regels. Daarnaast is er een patriarchaat: elke familie wordt geleid en gecontroleerd door een oudere patriarch, en vrouwen horen gedienstig te zijn aan hun man. De Utopiërs voelen zich gerechtigd om verre landen te koloniseren als daar de grond niet gecultiveerd wordt. De inheemse bevolking kan, indien nodig, op gewelddadige wijze worden onderworpen.

Wat sommige aspecten betreft – slavernij, patriarchaat en koloniaal geweld – lijkt Utopia veel op het zestiende-eeuwse Europa van More. In andere aspecten is het een voorafschaduwing van de verworvenheden van moderne verzorgingsstaten. En weer in andere aspecten – het strak georganiseerde en alomtegenwoordige karakter van de staat – doet Utopia denken aan de twintigste-eeuwse totalitaire regimes. Het leidt tot de veel bediscussieerde vraag of More het eiland Utopia bedoeld heeft als ideale samenleving. Het boek Utopia is een complexe tekst waarvan de betekenis zich niet onmiddellijk openbaart aan de lezer.

Zo neemt More op verschillende manieren afstand van Raphaëls beschrijving van het eiland Utopia. Allereerst door het gebruik van het woord utopia: de term is een vinding van Thomas More, een combinatie van het Griekse ou (‘niet’) en topos (‘plek’), wat letterlijk vertaalt als ‘niet bestaande plek’. Het is een woordspeling op eutopia, dat ‘goede plek’ betekent. De uitspraak van de twee woorden is zeer vergelijkbaar. De daaruit voortkomende verwarring was zeer waarschijnlijk precies de intentie van More, die zijn lezerspubliek graag in de maling nam. Ten tweede is er de naam die More heeft gekozen voor zijn verteller Raphaël Hythlodaeus. De achternaam is afkomstig van het Griekse woord huthlos, en laat zich vertalen als ‘praatjesmaker’ of ‘verkoper van onzin’. Utopia is het verhaal van een niet-bestaande plek, ons medegedeeld door een fictieve verteller, wiens naam ons waarschuwt voor zijn onbetrouwbaarheid.

***

De humanistische vriendenkring rond More en Erasmus ontleende veel plezier aan het feit dat sommige tijdgenoten de tekst letterlijk namen en werkelijk geloofden dat Hythlodaeus en het eiland Utopia bestonden. In een eerste briefwisseling tussen More en zijn vriend Gillis, oorspronkelijk gepubliceerd als voorwoord bij Utopia, wordt op verdekte wijze aan de lezer uitgelegd dat alles wat in het boek staat met een grote korrel zout moet worden genomen. More schrijft aan Gillis dat hij vergeten was om Raphaël te vragen naar de coördinaten van het eiland, geen onbelangrijk gegeven. ‘Ik verzoek je, mijn waarde Pieter, om onmiddellijk contact op te nemen met Hythlodaeus’, ‘om er zeker van te zijn dat mijn werk niets bevat dat onjuist is en niets weglaat dat waar is’. >

In een tweede brief aan Gillis stelt More dat degenen die nog steeds twijfelen aan het bestaan van Utopia maar met Raphaël zelf moeten gaan praten, die ergens in Portugal zou verblijven. More eindigt door droogjes te stellen: ‘Ik wil enkel dat men begrijpt dat ik louter aansprakelijk ben voor mijn eigen werk, niet voor de geloofwaardigheid van een ander.’

Tegelijkertijd is Utopia duidelijk meer dan een geraffineerde hoax, een binnenpretje gedeeld door de zestiende-eeuwse humanisten die bekend waren met de Griekse taal waarin More de clou van zijn grappen verstopte. Zo refereert de voornaam van de verteller aan de aartsengel Raphaël, die blinden zicht geeft en verdwaalden de richting wijst. Deze voornaam suggereert dat de lezer wel degelijk voorzien wordt van een visie en een bepaalde richting wordt gewezen. Om More’s intentie in al zijn gelaagdheid goed te begrijpen moeten we iets dieper graven in de dialoog uit het eerste deel.

Raphaël concludeert daar mismoedig dat elke intellectuele bemoeienis met de politiek hopeloos is. Europeanen staan niet open voor nieuwe ideeën. Prinsen houden zich doof voor de filosofie en zijn liever bezig met het voeren van oorlog dan het aanhoren van idealen voor vrede. De vorstenhoven zijn gevuld met mannen die enkel de eigen ideeën bewonderen en jaloers zijn op die van anderen. More is het daar helemaal mee eens: ‘Natuurlijk moet je hun geen volslagen nieuwe en revolutionair klinkende ideeën trachten op te dringen, want je weet van tevoren dat die toch geen gezag hebben voor mensen die zo anders denken.’

Omdat er geen plaats is voor filosofie aan de hoven stelt More een alternatieve benadering voor. ‘Wanneer er een komedie van Plautus gaande is en een stel slaven op het toneel zijn flauwiteiten verkoopt, moet je niet in je filosofenmantel het proscenium op komen wandelen en daar een passage uit een tragedie afdraaien, zoals de toespraak in de Octavia waar Seneca tegenover Nero zijn standpunten uiteenzet.’

Utopiërs doen hun behoefte in gouden pispotten. Dat is geen realistisch voorstel voor de inrichting van een samenleving

Zoals Logan en Adams – de vertalers van de wetenschappelijke Cambridge-editie van Utopia – uit de doeken doen, draaien de komedies van de Romeinse toneelschrijver Plautus om ‘platte intrige’. De tragedie Octavia daarentegen is ‘vol van hooggestemde oprechtheid’ en in de toespraak waar More naar verwijst, wordt de Romeinse keizer Nero de les gelezen door de Romeinse filosoof Seneca over machtsmisbruik. In andere woorden: als het spel van de politiek gespeeld wordt als een grove komedie, waarom zou je het spel dan bederven door je eigen rol te spelen als in een serieuze tragedie?

***

Deze cryptische paragraaf is de steutelpassage van het eerste deel. More beschrijft zijn alternatief vervolgens als een ‘indirecte benadering’, gericht op het voorkomen van onheil. Raphaël antwoordt door uit te leggen dat privé-eigendom aan de basis ligt van veel maatschappelijke problemen en dat hij niet weet hoe hij mensen daarvan moet overtuigen met een ‘indirecte benadering’. Misschien moet hij maar het advies van Plato volgen die schreef over de reactie van wijzen, geconfronteerd met een menigte mensen buiten in de regen. Omdat de wijzen de mensen niet kunnen overtuigen naar binnen te gaan en zich op te drogen, omdat ze weten dat ze enkel zelf nat zullen worden als ze het proberen, blijven ze liever binnen zitten, droog en wel.

Over de eeuwen heen hebben de filologen een bittere strijd geleverd over de vraag hoe More’s theatermetafoor precies begrepen moet worden. Een eerste interpretatie stelt dat More adviseert aan Raphaël om zich te verzoenen met de macht en binnen het systeem te werken. Dit is ook de interpretatie van Achterhuis: hij prijst de opstelling van More, diens beroep op ‘geduld en geleidelijkheid’ en bekritiseert het ‘heethoofdig activisme’ van Raphaël, ‘die het kwaad bij de wortel zou willen aanpakken en uitroeien’. In de ogen van Achterhuis staat More voor nuchter reformisme, en belichaamt Raphaël de revolutionaire geest. Raphaël neemt bij Achterhuis de vorm aan van een Monster van Frankenstein: een literair construct dat – eenmaal tot leven gewekt – rebelleert tegen zijn schepper (More), en vanaf dat punt het utopische denken gaat bepalen en zo een spoor van vernieling door de geschiedenis trekt.

Door een strikte scheiding aan te brengen tussen More en het karakter Hythlodaeus probeert Achterhuis de ironische gelaagdheid van Utopia zoveel mogelijk weg te denken. De ‘rigoureuze logica van het utopisch systeem, zoals dat na More veel anderen in zijn ban kreeg’, wordt er volgens Achterhuis niet door aangetast. De lezer kan niet anders dan het relaas van Raphaël letterlijk nemen, als een blauwdruk voor een ideale samenleving, te implementeren in zijn gedetailleerde alomvattendheid. ‘Utopia bestaat in de realiteit, het is meer dan een platoons idee die de filosoof aanschouwt.’

Deze interpretatie zondigt niet alleen tegen de meest basale principes van de literatuurwetenschap, ze is ook weinig overtuigend. Allereerst wordt Raphaël in de tekst geïntroduceerd als een reiziger in de geest van Plato, waarmee wordt gesuggereerd dat zijn reizen niet zozeer in de werkelijkheid maar bovenal op het filosofische vlak plaatsvinden. Ten tweede is er helemaal geen sprake van een rigoureuze of onverbiddelijke logica: de samenleving op het eiland Utopia is vaak in tegenspraak met de ideeën van Raphaël Hythlodaeus zelf.

Raphaël stelt in het eerste deel dat ‘hij, die geen andere weg kent om het leven van burgers te verbeteren dan door hun de genietingen van het leven te ontnemen, [moet] erkennen niet de kunst te verstaan over vrije mensen te heersen’. Dan moet er in Utopia wel sprake zijn van een zéér incompetent heerser, want misdaad wordt er bestraft met slavernij. De utopische maatschappij is zelfs in tegenspraak met de ideeën van haar inwoners zelf. Ons wordt verteld dat Utopiërs ‘geen enkel soort van genoegen voor ongeoorloofd houden, als het tenminste geen schade doet’, terwijl in werkelijkheid allerlei soorten onschuldige vormen van vermaak verboden zijn, zoals een ongeautoriseerde wandeltocht op het platteland. Het verhaal over de utopische samenleving staat vol met inconsistenties en absurditeiten. Zo doen de Utopiërs hun behoeften in gouden pispotten. Dat is geen realistisch voorstel voor de inrichting van een samenleving. Het is bovenal een luchtige manier om misstanden (het dwepen met rijkdom) in het Engeland van More op de hak te nemen.

More zelf, in een brief aan Gillis, bijgevoegd in de latere drukken van Utopia, antwoordt op de kritiek van een ‘erg scherpe kerel die enkele absurditeiten in de instituties van de Utopiërs heeft opgemerkt, of me heeft betrapt op het uitdragen van weinig praktische ideeën over de inrichting van een land’. Het antwoord van More is veelzeggend: ‘Zijn er geen absurditeiten elders in de wereld? En was er iemand onder de vele filosofen die voorstellen hebben geschreven voor een samenleving, heerser of huishouden, die alles zo goed heeft neergezet dat er niets veranderd hoeft te worden?’

In het begin van het boek suggereert More aan de lezer hoe deze moet omgaan met de verhalen van Raphaël Hythlodaeus: ‘Overigens had hij bij die nieuwe volken ook wel vele dingen opgemerkt, die minder goed geregeld waren, maar toch kon hij niet weinig opsommen, waaraan men een geschikt voorbeeld kan nemen om de verkeerdheden van de steden, naties, volken en rijken hier te verbeteren.’ Een zeer vergelijkbare passage is in de conclusie te vinden. Thomas More stelt herhaaldelijk een benadering voor die Hans Achterhuis expliciet van de hand heeft gewezen – nota bene door te refereren aan Thomas More – namelijk het ‘reformisme dat bepaalde elementen wil verbeteren of losse ideeën wil toepassen’. Partiële verbeteringen zijn voor de rechtgeaarde utopist geenszins uit den boze.

Medium 2ebeeld
We leven in een maatschappij waar geen alternatieven meer zijn, waar in politiek opzicht weinig te kiezen valt
***

Er is ook een andere interpretatie van de theatermetafoor die meer overtuigt. Het advies van More laat zich lezen als een pleidooi voor het presenteren van kritiek in een literaire of artistieke vorm. Volgens de aristoteliaanse logica waar More vast en zeker bekend mee was, gaat in een succesvol theaterstuk het publiek helemaal op in het spel: de voorgestelde wereld wordt de hunne. De alternatieve realiteit van het theater wordt geïnternaliseerd en – tot op zekere hoogte en voor een beperkte tijd – genaturaliseerd. Het alternatief wordt zo de norm. Terwijl alternatieven die je via kritiek presenteert vaak door het publiek ervaren worden als iets wat zich ver buiten de dominante logica bevindt, als ‘revolutionair klinkende ideeën’, worden dezelfde ideeën opeens de dominante logica, wanneer zij naar voren worden geschoven binnen de alternatieve wereld van het theater.

More heeft iets dergelijks gedaan met zijn Utopia. Hij heeft een set van politieke ideeën opgevoerd als een soort theaterstuk. More verzon een eigen wereld in plaats van er slechts voor te pleiten met filosofische argumenten. Het is dit literaire karakter van Utopia dat het boek onderscheidt van de klassieke politieke filosofie die eraan voorafging. Zoals op te maken valt uit de titel (in de meeste Nederlandse vertalingen zonder uitleg teruggebracht tot Utopia), Over de beste staatsinrichting en het nieuwe eiland Utopia, is Utopia geïnspireerd op de klassieke traditie van politieke verhandelingen over de inrichting van de staat, zoals De staat en Wetten van Plato en Politika van Aristoteles.

Het voegwoord ‘en’ in de titel is veelzeggend: More zaait zo twijfel over de vraag of het eiland Utopia als ideale samenleving gezien kan worden; het is en blijft tenslotte literaire fictie. En precies deze fictieve kwaliteit maakt het tot de grondtekst van het utopisch genre. De minutieuze details en het holisme dat de critici zien als gevaarlijke utopische karaktertrekken die tot totalitarisme leiden, zijn in werkelijkheid voorwaarden voor een succesvol fictiewerk. Een dergelijke ‘indirecte benadering’ kent natuurlijk ook een beperking. Aangezien het werk fictie is, verliest het een deel van zijn overtuigingskracht, het kan immers niet letterlijk genomen worden. Het stelt zich open voor de persoonlijke interpretatie en verbeelding van het publiek.

Belangrijk hier is wat de vertalers Logan en Adams identificeren als de ‘serieus-komische mode van Utopia’. More en zijn goede vriend Erasmus, waar hij Utopia mee bediscussieerde en bedacht, waren beiden bewonderaars van de Grieks/Syrische ironicus Lucianus van Samosata. Het werk van Lucianus bestaat uit dialogen en korte verhalen, waarin hij serieuze politieke punten maakte, verpakt in satire. In 1506, tien jaar voor de publicatie van Utopia, publiceerde More een vertaling van vier werken van Lucianus, samen met vertalingen van Erasmus. Als onderdeel van deze traditie noemen Logan en Adams De gouden ezel van Apuleius van Lucianus, Lof der zotheid van Erasmus (opgedragen aan More en geschreven in diens huis in 1509; gepubliceerd in 1511, vijf jaar voor Utopia) en het latere werk van Rabelais en Swift. Logan en Adams refereren aan deze traditie als serio ludere, serieus spelen. Zoals More schreef in zijn voorwoord bij de vertalingen van Lucianus, is de kracht van deze traditie erin gelegen dat zij voldoet aan de klassieke vereiste van literatuur, om genoegen met instructie te combineren. Niet voor niets leest de ondertitel van More’s Utopia als volgt: ‘Een waarlijk gouden handboek, niet minder profijtelijk dan vermakelijk.’

De ambigue kwaliteit van More’s Utopia is een gevolg van dit dubbele karakter: serieus en satirisch tegelijkertijd. Deze ambiguïteit ondermijnt de rigoureuze logica die critici er zo graag op willen projecteren. Juist door zijn absurditeiten en contradicties verplicht Utopia de lezer om zelf na te gaan denken. Wat zou werkelijk een ideale samenleving zijn? Welke elementen uit Utopia zouden kunnen worden toegepast in het heden?

***

De verwerping van het utopische denken was een sleutelelement in de ontwikkeling van de Derde Weg en het afschudden van de ideologische veren. Centrisme, pragmatisme en technocratie namen de plaats in van de oude utopische maatschappijvisie, het socialisme. De sociaal-democratie moest de open samenleving verdedigen tegen de gesloten samenleving van het utopische denken, zo luidde het veelgehoorde refrein binnen de pvda.

Ironisch genoeg is met de afwijzing van de utopie precies het tegenovergestelde gebeurd. We zijn terechtgekomen in een gesloten samenleving. We leven in een maatschappij waar geen alternatieven meer zijn, waar in politiek opzicht weinig te kiezen valt. Volgens de definitie van Popper en Achterhuis ging de gesloten samenleving uit van het idee van een eindstadium van de geschiedenis, een harmonische orde zonder fundamentele meningsverschillen over de inrichting van de samenleving. Daarmee hadden ze hun pijlen natuurlijk op Marx gericht. Het was echter Fukuyama die in de jaren negentig een harmonieus eindstadium van de geschiedenis proclameerde. Onbedoeld poneerde hij zo het (neo-)liberalisme als gesloten samenleving.

Verwijzend naar Adorno zei een gewezen pvda-politicus mij eens: voor das ganz Andere is geen plaats in de politiek. Hij zei het op een imponerende, gebiedende wijs, alsof ik op het punt stond een heilig dogma te overtreden. Ik houd het omgekeerde voor waar: zonder politieke horizon is er überhaupt geen politiek. Dan rest enkel nog administratie.

De valse stelling dat het utopische denken inherent totalitair is, heeft lange tijd gefungeerd als een verbod om op groter abstractieniveau na te denken over wat voor samenleving we werkelijk willen. Nu er crisis heerst op zowel politiek, economisch als ecologisch vlak is het tijd om het gesprek over maatschappelijke alternatieven gezamenlijk weer aan te gaan. Al vijfhonderd jaar nodigt Utopia ons uit om onze politieke verbeelding aan het werk te zetten, zonder daarbij het gevoel voor humor te verliezen.

Is Utopia een gesloten blauwdruk? Welnee, het is een uitbundige viering van de politieke fantasie. Een aanmoediging tot verbeelding en kritische reflectie over de ideale samenleving. Zoveel is af te leiden uit een gedicht dat met de eerste edities werd meegedrukt, geschreven in de utopische taal, in de stem van het eiland zelf:

‘Ik alleen van alle naties, zonder enige filosofie, heb voor stervelingen de filosofische stad gecreëerd. Vrijelijk deel ik mijn profijt; zonder tegenzin accepteer ik al hetgeen dat beter is.’


Dit essay is een ingekorte versie van een nawoord bij de nieuwe vertaling van Thomas More’s Utopia die op 25 oktober verschijnt bij uitgeverij Leesmagazijn. De vertaling is van de hand van Menno Grootveld. De uitgave vormt een onderdeel van het Congres van de Utopie dat op 5 en 6 november plaatsvindt in theater Frascati in Amsterdam.

Deze maand verschijnt Koning van Utopia: Nieuw licht op het utopisch denken (Lemniscaat, € 14,95) van Hans Achterhuis