Start-ups: op zoek naar gouden bergen

De nieuwe Apple worden

Een eigen bedrijf beginnen leek nog nooit zo aantrekkelijk. De start-up belooft een avontuurlijk, romantisch en vooral lucratief bestaan. Negentig procent van de start-ups faalt. ‘Maar ik denk dat ik tot de groep behoor die het wél lukt.’

Medium groene startup 1 illustratie

Iedereen is het erover eens: onderbroeken vormen een groot probleem. Voor mannen althans, vrouwen zeuren er alleen maar over. ‘Ze zijn duur, je vergeet steeds nieuwe te kopen, je geeft er niks om want niemand ziet het. En toch is het gênant als je boxer vol gaten zit.’ Diogo Santos (31), donkere baard, de rechterarm vol getatoeëerde vlammen, vat de problematiek nog eens samen. ‘En het vervelendste is dat ze allemaal tegelijkertijd stuk gaan.’ Zijn collega-ondernemers in spe knikken instemmend. Zo is het maar net.

De vijf mannen praten al een dik uur over ondergoed. Dat doen ze niet voor de lol. Ze doen mee aan een start-upweekend in de Amsterdamse Beurs van Berlage. Het idee: in drie dagen een plan voor een eigen onderneming verzinnen, testen en pitchen voor een potentiële investeerder. Of, zoals de organisatie van het weekend, het Amerikaanse Lean Startup Machine, de boodschap in ronkende marketingtaal verpakt: fail fast, succeed faster.

Het is typerend voor het razendsnelle optimisme dat vanuit start-upwalhalla Silicon Valley naar Nederland is overgewaaid. Een eigen bedrijf beginnen leek nog nooit zo makkelijk, en aantrekkelijk. De start-up lokt en lonkt, belooft een romantisch en avontuurlijk achtbaanbestaan. Hard werken, korte nachten en alles verzengende stress, maar vooral: gouden bergen. Het is de antithese van de grauwe, anonieme kantoorbaan. Vrijheid, creativiteit en als het even meezit roem en rijkdom.

Zoveel wordt ook duidelijk uit het strak gemonteerde reclamefilmpje voor het start-upweekend. Onder begeleiding van opzwepende muziek en duizelingwekkende zwart-witbeelden van wolkenkrabbers komen slagzinnen voorbij als: ‘Het lanceren van nieuwe ideeën is riskant’ en: ‘Angst is de vijand van innovatie’, gevolgd door de belofte van dit weekend: ‘Verander ideeën in klanten, in slechts drie dagen.’

Het is vrijdagavond iets na negenen. De zeventig deelnemers die voor een paar honderd euro mee mogen doen aan het weekend hebben zich zojuist in groepjes opgedeeld. Elk werkt aan een ander idee. In een van de gelambriseerde zaaltjes op de eerste verdieping van het beursgebouw brainstormen de heren van de onderbroeken. Het plan is om mannen een ondergoedabonnement te verkopen: op gezette tijden een pakketje frisse boxers in de brievenbus. ‘Handig, want mannen vergeten dat’, weet bedenker Santos uit ervaring. ‘En als ze geen moeder of vriendin hebben, zitten ze zonder.’ De van oorsprong Braziliaanse Amsterdammer deed al eerder een poging een eigen bedrijfje op te richten, maar dat liep op niks uit. Dit weekend hoopt hij alsnog de kneepjes van het vak te leren. ‘Ik barst van de ideeën, en wat is er nou mooier dan eigen baas zijn?’

Aan de tafel naast hem krabbelen deelnemers post-its vol met woorden als ‘yoga’, ‘mindfulness’ en ‘saladebar’. Wat het te verkopen product precies moet worden, is nog niet helemaal duidelijk. Het heeft in elk geval te maken met de zwevende yup. ‘Er is echt iets gaande op dat gebied, iedereen is op zoek naar balans’, weet deelnemer Joost van Schie. Het bedrijfsplan waaraan hij werkt mag nog wat vaag zijn, de 29-jarige is er niet minder serieus om. Tot voor kort timmerde hij aan zijn carrière bij grote bedrijven als Heineken en T-Mobile. Nu wil hij niets liever dan voor zichzelf beginnen. Waarom eigenlijk? ‘Ik denk dat dit de manier is om in het leven te staan: go get it, go do it.’ En: ‘Ik word erdoor uit m’n comfortzone gehaald. Een start-up is een spannende reis om jezelf te leren kennen.’

Het wemelt dit weekend van de jonge mannen (want dat zijn het toch vooral) als Santos en Van Schie. Goed opgeleid, ambitieus en in de ban van de start-up. Wat voor bedrijf ze precies willen beginnen lijkt van ondergeschikt belang, als het maar een overweldigend succes wordt. Konden starters op de arbeidsmarkt zich tien, twintig jaar geleden nog geen betere toekomst voorstellen dan een lange loopbaan bij een grote bank, multinational of overheidsinstelling, nu dromen veel afgestudeerden van het beginnen van een eigen bedrijf. Of liever: een start-up.

De term ‘start-up’ raakte eind jaren negentig in zwang, tijdens de hoogtijdagen van de internetzeepbel. Hoewel iedereen er een net iets andere invulling aan geeft, moet het begrip in elk geval duidelijk maken dat het hier niet om zomaar het eerste het beste beginnersbedrijfje gaat. Een start-up is een snel groeiende onderneming, met een innovatief, ‘herhaalbaar en schaalbaar businessmodel’. Vrij vertaald: een bedrijf met de potentie om in korte tijd wereldwijd uit te breiden. Dus niet die kneuterige broodjeszaak op de hoek, wel een bedrijf als Blendle (opgericht in 2014) dat naast Nederlandse kranten- en tijdschriftartikelen nu ook Duits- en Engelstalige media online verkoopt. Of, om een ander succesvol Nederlands voorbeeld te noemen, het in 2006 opgerichte Adyen, een internetbetaaldienst met klanten over de hele wereld.

‘Van alle jongetjes die dromen van een voetbalcarrière kan er maar één Arjen Robben worden. Bij start-ups is dat niet anders’

Rond de eeuwwisseling knapte de internetzeepbel. De vele, haastig opgerichte internetbedrijfjes waar investeerders zo gek op waren, bleken nauwelijks in staat geld te verdienen. Maar de start-up bleef en groeide uit tot het troeteldier onder de bedrijven. Het ondernemerschap heeft er nieuw elan door gekregen, merkt ook Erik Stam. De Utrechtse hoogleraar doet al zo’n vijftien jaar onderzoek naar start-ups: ‘Het is de laatste tijd opeens enorm hip om je eigen bedrijf te hebben. Dat was twintig jaar geleden heel anders: toen keken veel mensen neer op het ondernemerschap.’ Aan die cultuuromslag is wel het een en ander vooraf gegaan. Zo lagen een jaar of twintig geleden de beste (en zekerste) carrièremogelijkheden nog bij de overheid en grote bedrijven als Philips en Unilever. Dat is inmiddels wel anders: zowel de overheid als veel multinationals hebben flink minder mensen in dienst. Dat is onder meer een gevolg van slimmere productietechnieken en het verplaatsen van fabrieken naar lagelonenlanden, maar ook van de crisis.

Het is voor veel pas afgestudeerden überhaupt lastig om aan de bak te komen. En waar tijdens de vorige crisis in de jaren tachtig werkloosheid nog vooral als een maatschappelijk probleem werd gezien en een uitkering niet iets was om je voor te schamen, ervaren veel werklozen hun situatie nu als persoonlijk falen. Stam: ‘Je kunt beter een eigen bedrijf beginnen dan een uitkering trekken, is het idee.’ De start-up past daarmee ook perfect in de tijdgeest: niet wachten op hulp van de toch al tanende verzorgingsstaat, maar zelf je zaakjes opknappen. Go get it, go do it. Bovendien is het een stuk eenvoudiger geworden om een bedrijfje te beginnen. De meeste start-ups richten zich op het digitale: ze leveren een dienst via een website of app voor de smartphone. Een beetje nerd bouwt de eerste versie daarvan zelf op z’n zolderkamertje of laat dat door een handig neefje doen. Een grote financiële investering is daardoor in eerste instantie niet nodig.

Medium groene startup 2 illustratie

Hoeveel start-ups er inmiddels zijn in Nederland valt niet met zekerheid te zeggen – het wordt niet apart geteld. De Kamer van Koophandel houdt wel bij hoeveel startende bedrijven zich jaarlijks inschrijven in het handelsregister: dat waren er in 2014 alleen al bijna 150.000. Maar de meeste van hen zijn zzp’ers die niet de ambitie hebben de wereld te veroveren. Schattingen van het totaal aantal start-ups lopen uiteen van negenhonderd tot zevenduizend. Vast staat dat het er snel meer worden. ‘Er worden nu drie keer zo veel start-ups opgericht als vijf jaar geleden’, schat Samir Saberi. Volgens de medeoprichter van StartupJuncture, een blog die al het nieuws rond Nederlandse bedrijfjes volgt, komen er jaarlijks een paar honderd nieuwe start-ups bij.

Bekende bedrijven als Facebook, Apple en Google jagen de hype verder aan. Het zijn de popsterren onder de bedrijven, die in relatief korte tijd alomtegenwoordig wisten te worden. Dat spreekt tot de verbeelding. Maar ook de Nederlandse overheid doet graag een duit in het zakje. Nederland moet dé nieuwe vestigingsplaats voor start-ups worden, het Silicon Valley van Europa. Daartoe is begin 2015 in Amsterdam Startup Delta opgericht, dat beginnende bedrijven en financiers moet samenbrengen. Oud-eurocommissaris Neelie Kroes reist tegenwoordig als start-upboegbeeld de wereld over om Nederland op de kaart te zetten. En vanaf volgend jaar komt er vijftig miljoen euro extra beschikbaar om beginnende bedrijfjes op weg te helpen.

Niet alleen de overheid, ook onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven voeden de start-uphonger. Universiteiten en hogescholen bieden hun studenten speciale programma’s om ze te helpen een eigen onderneming te beginnen. In zo’n beetje elke grote stad zijn zowel door universiteiten als door bedrijven incubators opgezet: broedplaatsen waar pasgeboren bedrijfjes met wat begeleiding tot bloei kunnen komen. Er zijn accelerators opgericht, een soort start-upfabriekjes waar ondernemers in een paar maanden tijd onder intensieve begeleiding hun eigen bedrijf uit de grond stampen. Er worden start-updagen, start-upweekenden, start-upweken en start-upfestivals georganiseerd. In mei vindt in Nederland zelfs het grootste start-upevenement ter wereld plaats: Startup Fest Europe, een vijf dagen durende start-uptrip op locaties door het hele land.

‘Het is net als wanneer het Nederlands elftal wereldkampioen is geworden’, zegt Patrick de Zeeuw. ‘Dan willen opeens heel veel jongetjes en meisjes op voetbal. Hetzelfde is nu gaande met start-ups: er is ontzettend veel aandacht voor, waardoor iedereen er iets mee wil.’ De Zeeuw is een van de oprichters van Startupbootcamp, de grootste accelerator van Nederland, met vestigingen over de hele wereld. ‘Elk jaar verdubbelen de aanmeldingen die wij binnenkrijgen. Vorig jaar waren het er wereldwijd nog 6500, dit jaar zijn het er zeker vijftienduizend, voor in totaal 150 plaatsen.’ Hoewel De Zeeuw zoveel enthousiasme alleen maar kan toejuichen, is het volgens hem wel opletten dat de vele ondernemers in spe hun verwachtingen realistisch houden. ‘Van alle jongetjes die dromen van een carrière als professioneel voetballer kan er maar één Arjen Robben worden. Bij start-ups is dat niet anders.’

Daarmee legt hij de vinger op de zere plek. In het aanstekelijke optimisme dat bij ondernemerschap hoort, wordt nogal eens voorbij gegaan aan een van de belangrijkste eigenschappen van de start-up: de ingebakken kans op mislukking. Het overgrote deel van de peuterbedrijfjes redt het uiteindelijk niet. Als vuistregel geldt dat van elke tien start-ups er maar één uitgroeit tot een gezond bedrijf. De overige negen modderen jarenlang door zonder concreet resultaat, of gaan even snel als ze zijn opgericht kopje onder.

‘Het is heel Amerikaans allemaal. De indruk ontstaat een beetje dat ondernemen een makkie is’

Van de start-ups die het wél redden, groeit er maar één op de tweehonderd uit tot een snel groeiend bedrijf met een omzet van meer dan tien miljoen dollar, blijkt uit een groot wereldwijd onderzoek van Deloitte dat in september verscheen. Deze succesvolle bedrijven worden meestal opgericht door ervaren ondernemers die al heel wat jaren meelopen. ‘Het beeld van de schoolverlater die een start-up begint en miljardair wordt mag populair zijn in de media’, schrijven de onderzoekers, ‘in werkelijkheid is het een grote zeldzaamheid.’ Ook de vele incubators en andere start-upprogramma’s zijn volgens de onderzoekers niet de broedplaatsen voor nieuwe Facebooks en Apples die ze beloven te zijn. ‘Ze fungeren vooral als zandbak voor beginnende ondernemers en pas afgestudeerden, die daarna alsnog aan de slag gaan bij een groot bedrijf. Pas veel later in hun leven, met meer ervaring op zak, wordt het aannemelijk dat ze een snel groeiende start-up beginnen.’

Dat is waar voor Nederland, maar net zo goed voor Tel Aviv of Shanghai. Het geldt zelfs, of misschien wel juist, voor het start-upparadijs bij uitstek, Silicon Valley. De beroemde baai nabij San Francisco, waar wereldwijd met zoveel bewondering naar wordt gekeken, is niet alleen de vruchtbare geboortegrond van de meest succesvolle techbedrijven van deze tijd, het is vooral ook een opeenhoping van mislukkingen en uiteengespatte dromen. ‘Het is de plek waar het bizarre succes van enkelingen wordt voorgespiegeld aan jongeren, in ruil voor hun tijd, energie en hun jeugd’, schrijft Gideon Lewis-Kraus in het Amerikaanse maandblad Wired.

De journalist woonde een maand in een ‘hacker house’ in Silicon Valley, een soort studentenhuis voor start-ups. Van binnenuit beschrijft hij de steeds wanhopigere pogingen van Chris en Nick, allebei begin-dertigers, om hun start-up níet te laten mislukken. De mannen leiden geen benijdenswaardig bestaan. Ze hebben hun goede baan en comfortabele leventje opgezegd voor het oprichten van een bedrijf dat steeds verder afdrijft van wat ze ooit voor ogen hadden. Chris wordt elke ochtend om vijf uur knarsetandend wakker, Nick is kilo’s afgevallen. ‘Het ergste wat kan gebeuren’, zegt een investeerder over het duo, ‘is dat ze morgen hun financiering krijgen en dit nóg een jaar moeten doen.’ Wat hij maar zeggen wil: tot nu zijn ze pas één jaar van hun leven kwijt. Dit kan zo nog jaren doorgaan, zonder een succesvolle afloop.

Het start-upsysteem, voorzover je van een systeem kunt spreken, is er een van ‘failure by design’. De meeste ondernemers hebben zelf niet genoeg geld op de bankrekening om het lang uit te houden. Ze moeten dus op zoek naar externe financiering. Investeerders, bekend met de één-op-de-tien-regel, wedden op verschillende paarden tegelijkertijd in de wetenschap dat er maar één succesvol hoeft te zijn om binnen te lopen. Veel start-ups krijgen een beetje geld en kunnen dus, om binnen de metafoor te blijven, meedoen aan de race. Maar er zal uiteindelijk maar één paard winnen.

In de Amerikaanse televisieserie Silicon Valley wordt hetzelfde principe uitgelegd aan de hand van zeeschildpadjes. De hbo-serie, die het oververhitte start-upwereldje op de hak neemt, volgt de sukkelige Richard die probeert zijn bedrijfje Pied Piper van de grond te krijgen. Als hij na een reeks tegenslagen eindelijk de papieren voor zijn eerste investering tekent, laat zijn advocaat achteloos vallen dat Pied Piper één van de acht nagenoeg inwisselbare start-ups is waar investeerder Peter Gregory geld in steekt. ‘Je weet toch dat zeeschildpadden een shit ton aan baby’s krijgen, omdat de meeste doodgaan op weg naar het water?’ legt de advocaat uit aan een verbijsterde Richard, die zich voor de zoveelste keer op het randje van een paniekaanval bevindt. ‘Peter wil gewoon zeker weten dat zijn geld de oceaan haalt.’

Hoe erg is dat eigenlijk, al die gesneuvelde babyschildpadjes? Critici vergelijken de huidige start-upmanie met de goudkoorts die de Amerikaanse Westkust halverwege de negentiende eeuw trof. Ook toen trokken ambitieuze avonturiers van over de hele wereld massaal naar Californië in de hoop in korte tijd stinkend rijk te worden. Ook toen werd een hele industrie opgetuigd om in al hun behoeften te voorzien. In die tijd waren het hoofdzakelijk dynamiet- en pikhouweelverkopers, terwijl het nu incubators en start-upweekenden zijn. Het gehucht San Francisco groeide dankzij de goudkoorts uit tot een bloeiend stadje, maar de goudaders kwamen al snel in handen van grote mijnbedrijven. Slechts een select groepje werd stinkend rijk. De meeste goudzoekers keerden terug naar huis zoals ze gekomen waren: straatarm.

Er schuilt een kern van waarheid in die vergelijking, meent hoogleraar Erik Stam: ‘Maar er is een belangrijk verschil: met het oprichten van een bedrijf doe je allerlei belangrijke vaardigheden op, die je later in je leven nog veel kunnen brengen.’ Een mislukte goudzoeker hield aan zijn zoektocht hooguit een gebroken rug over, een gefaalde ondernemer heeft waarschijnlijk wel wat nuttige lessen opgestoken en een netwerk opgedaan. Er bestaan volgens Stam twee soorten hypes: constructieve en destructieve: ‘Een destructieve hype was bijvoorbeeld die rond hypotheken in de VS. Daar is uiteindelijk de kredietcrisis uit voortgekomen.’ De start-uphype is volgens de hoogleraar niet destructief: ‘Het is goed dat er meer ruimte en aandacht is voor ondernemers en eigen initiatieven.’

‘Zelfs als het niet lukt, is het opzetten van een start-up een waardevolle ervaring’, vindt ook Jesse van der Meulen. ‘Je leert jezelf heel goed kennen, daar heb je altijd wat aan.’ Als een van de oprichters van Aim for the Moon, een ondernemerscollectief dat start-ups en grote bedrijven laat samenwerken, is hij betrokken bij de organisatie van het start-upweekend in de Beurs van Berlage. Toegegeven, door de hype rond start-ups komen daar ook veel types op af van wie hij niet het idee heeft dat ze het in zich hebben om ondernemer te worden. ‘Veel mensen worden aangetrokken door het positieve imago van start-ups, het idee van vrijheid en de droom dat je er rijk van kunt worden.’ Er zijn mensen die daar net iets te lang in blijven hangen, denkt Van der Meulen: ‘De arbeidsmarkt is natuurlijk moeilijk nu. Ik zie wel mensen die het jarenlang blijven proberen, zonder resultaat. Dat is zonde.’ Dat is ook het dubbele aan zo’n start-upweekend, vindt Van der Meulen: ‘Het is heel Amerikaans allemaal. De indruk ontstaat een beetje dat ondernemen een makkie is.’

Zondagavond in de Beurs van Berlage. Het start-upweekend zit er bijna op. Van de belofte fail fast, succeed faster is in elk geval het eerste deel uitgekomen. De leerling-ondernemers zijn zaterdag de straat op gegaan om hun ideeën uit te testen op winkelend publiek en verder te schaven aan hun bedrijfsplan. Vandaag hebben ze hun start-up gepitcht aan elkaar en een investeerder. En hoewel niemand met een investering naar huis kan en de meeste plannen mislukten, hangt er een optimistische sfeer in de beurs.

De mannen van de onderbroeken staan er ontspannen bij. Ook hun plan, dat zo onverwoestbaar leek, is niet geslaagd. De mannen die ze gesproken hebben, zaten niet te wachten op een ondergoedabonnement. ‘Het blijkt toch niet zo’n groot probleem als we dachten’, zegt Diogo Santos, de drijvende kracht achter het groepje. Hij lijkt er niet kapot van. ‘Ach, ik verzin wel iets anders. Plannen genoeg.’ Bovendien: de dertiger heeft gewoon een baan als software-ontwikkelaar bij Marktplaats, daar wordt hij morgenochtend weer verwacht. Die briljante start-up komt later wel.

Heel anders is dat voor Joost van Schie. Hij heeft een poos geleden een investeerder gevonden die hem een paar maanden de tijd heeft gegeven om met een slim idee te komen. Het moet te maken hebben met ‘iets online’ en ‘de zoekende mens’ die aan yoga en mindfulness doet. ‘Er is nog niets op dat gebied’, zegt Van Schie stralend. Hij gaf zich op voor het start-upweekend om te testen of er inderdaad vraag is naar, bijvoorbeeld, een website met daarop een overzicht van alle zingevingscursussen die er te doen zijn. Het resultaat van drie dagen uitproberen: nee, er is geen interesse voor. Van Schie: ‘Maar om heel eerlijk te zijn, ik geloof er nog steeds in.’ Bang om te mislukken is hij niet. Zeker, hij kent de cijfers: negentig procent van de start-ups faalt. ‘Maar ik denk dat ik tot de groep behoor die het wél lukt.’ Hij denkt even na, recht zijn rug. Zelfverzekerde blik: ‘Ja, ik hoor bij die tien procent.’