Naar een Bondsrepubliek Europa?

De nieuwe Duitse kwestie

Door de monetaire en economische crisis krijgt Duitsland het Europese leiderschap opgedrongen. Een rol die het land nooit in z’n eentje zal kunnen vervullen.

Er is een nieuwe Duitse kwestie: kan het machtigste land van Europa de weg wijzen bij de opbouw van een duurzame, internationaal concurrerende eurozone en een sterke, internationaal geloofwaardige Europese Unie? De problemen van Duitsland bij het op overtuigende wijze beantwoorden van deze vraag zijn deels het gevolg van eerdere Duitse kwesties en de oplossingen die daarvoor zijn gevonden. De antwoorden van gisteren hebben de kiem gelegd voor de kwestie van vandaag.

Voordat ik inga op die historische verbanden moeten we echter eerst even stilstaan bij alles wat deze nieuwe Duitse kwestie níet is. 23 jaar na de eenwording is de uitgebreide Bondsrepubliek Duitsland zo’n beetje de meest burgerlijke liberale democratie die je op aarde kunt vinden. Het land heeft niet alleen de hoge kosten van de eenwording verwerkt, maar ook – sinds 2003 – indrukwekkende economische hervormingen doorgevoerd, de arbeidskosten in goed overleg verlaagd en daardoor zijn mondiale concurrentiekracht hersteld. Dit land is beschaafd, vrij, welvarend, deugdzaam, gematigd en behoedzaam. Zijn vele deugden kunnen worden samengevat als ‘de banaliteit van het goede’. Bondskanselier Angela Merkel, door Bild Zeitung gevraagd welke gevoelens Duitsland in haar oproept, antwoordde ooit: ‘Ik denk aan goed sluitende ramen! Geen enkel ander land kan zulke mooie, goed sluitende ramen maken.’ Toch is dit niet alleen maar een banale plek. Als ik de goed sluitende ramen van mijn hotelkamer in Berlijn open, kijk ik over de boulevard Unter den Linden naar de verlichte koepel van het Rijksdaggebouw, midden in wat nu – na Londen – de meest opwindende stad van Europa is.

Een Israëlische vriend die Duits staatsburger is geworden, omschrijft Duitsland als een ‘evenwichtig’ land, en dat voelt precies goed. De linkse Franse politicus Jean-Luc Melenchon veroorzaakte opschudding toen hij zei dat ‘van degenen die van het leven houden, niemand Duitser zou willen zijn’. In dat geval moeten er veel mensen zijn die niet van het leven houden, want volgens een opiniepeiling van de bbc in 25 landen is Duitsland het populairste land ter wereld, met een voorsprong van tien punten op Frankrijk. Het heeft ook zijn zwakheden en problemen, maar welk land niet? Duitsland heeft een snel vergrijzende bevolking. Volgens een sombere extrapolatie van de huidige trend zou er in 2030 op iedere gepensioneerde nog maar één werkende over zijn. Zonder immigratie kan de bevolkingsomvang teruglopen van ruim tachtig miljoen mensen nu naar krap zestig miljoen in 2050. Immigratie moet daarom voor een groot deel het antwoord zijn op deze demografische uitdaging, maar Duitsland ligt achter op Frankrijk en Groot-Brittannië, laat staan Canada en de Verenigde Staten, als het gaat om het uitzenden van die cruciale, vluchtige sociale en culturele signalen die mensen met een migrantenachtergrond in de gelegenheid stellen zich met hun nieuwe vaderland te identificeren.

Na het irrationele, kortzichtige politieke besluit om het eigen kernenergieprogramma te schrappen, op grond van de ramp met de Fukushima-centrale in Japan, waardoor het land zeer afhankelijk is geworden van kolen en aardgas, liggen de energiekosten van de Duitse industrie nu zo’n veertig procent boven die van Frankrijk. De Duitse economie is heel goed in het produceren van dingen die mensen in landen als China willen kopen – auto’s, machine-instrumenten, chemicaliën – maar zwakker op het gebied van de diensten. Duitse bedrijven zijn uitmuntend als het gaat om het aanbrengen van kleine technologische verbeteringen, maar minder goed in wat ‘ontwrichtende innovatie’ wordt genoemd, van het soort dat je in Silicon Valley kunt vinden. Het land dat in de negentiende eeuw de moderne onderzoeksuniversiteit heeft uitgevonden, herbergt veel zeer goede universiteiten, maar geen enkele van wereldklasse die kan concurreren met Oxford of Stanford. Berlijn beroemt zich graag op het prachtige Café Einstein, maar sinds de jaren dertig werken de Einsteins van deze wereld meestal ergens anders.

Als deze zwakheden uiteindelijk zouden resulteren in een economische inzinking zou een binnenlandse ‘Duitse kwestie’ opnieuw de kop op kunnen steken. Want de evenwichtige liberale stabiliteit en nationale identiteit van Duitsland zijn zeer nauw verbonden met de economische voorspoed. Je kunt de mogelijkheid niet helemaal uitsluiten dat – in zo’n geval – we opnieuw een wederopleving van het culturele pessimisme en het politieke extremisme zouden kunnen zien, en van wat tenniskampioen Boris Becker ooit heeft aangeduid als de ‘neiging van zijn landgenoten om helemaal uit hun dak te gaan’. Maar er wordt op dit moment in de Verenigde Staten veel meer hysterisch uit het dak gegaan dan in Duitsland, en tot nu toe zetten de Duitsers daar genoeg vraagtekens bij.

In de mondiale concurrentiestrijd in de zakenwereld zijn Duitse bedrijven net zo hard en goed georganiseerd als Duitse regimenten dat vroeger in de oorlog waren. Ze worden bovendien vaardig en systematisch gesteund door de Duitse regering. In geopolitiek verband spreidt dit Duitsland echter absoluut geen neo-wilhelmische ambities tentoon om de buurlanden te domineren, of wie dan ook. De enige ‘plek in de zon’ die de inwoners van het land nastreven, is een plek op het strand van de Middellandse Zee.

De enige oorlogsachtige zeges die het land viert zijn die op het voetbalveld. Duitsers kunnen zó goed voetballen dat ze uiteindelijk soms tegen zichzelf moeten spelen. De finale van de Champions League speelde zich dit jaar af tussen Bayern München en Borussia Dortmund.

Ten tijde van de Duitse eenwording waren er zorgen dat Duitsland een nieuw ‘Mitteleuropa’ zou gaan domineren. Economisch neemt Duitsland nu inderdaad een vooraanstaande positie in oostelijk Midden-Europa in. Duitse producenten zoals Volkswagen hebben belangrijke delen van hun productie verplaatst om te kunnen profiteren van de laagbetaalde, goed opgeleide beroepsbevolking van Midden-Europa, terwijl ze binnen de Europese Unie zijn gebleven. Als je de vier ‘Visegrad’-landen – Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije – als één geheel ziet, vormen ze Duitslands grootste handelspartner.

Maar dit nieuwe ‘Mitteleuropa’ is met ieders instemming tot stand gekomen en wordt door de meeste Slaven, Hongaren en Duitsers beschouwd als iets wat grotendeels in wederzijds voordeel is. De Duits-Poolse betrekkingen zijn in duizend jaar niet zo goed geweest, en Polen is nu Duitslands beste vriend binnen de EU. In 2011 zei de Poolse minister van Buitenlandse Zaken, Radek Sikorski: ‘Ik zal waarschijnlijk de eerste Poolse minister van Buitenlandse Zaken uit de geschiedenis zijn die dit zegt, maar hier is het dan: ik ben minder bang voor de Duitse macht dan voor de Duitse inactiviteit.’

Om te begrijpen waarom Duitsland zo aarzelt om leiding te geven moet je beseffen dat de Europese monetaire unie, die tijdens en na de Duitse eenwording werd gesmeed, geen Duits project was om Europa te domineren, maar een Europees project om Duitsland aan banden te leggen. Het antwoord dat de Franse president François Mitterrand en de Italiaanse premier Giulio Andreotti gaven op de Duitse kwestie van 1989 – wat moeten we doen met een zich snel verenigend Duitsland? – luidde: het land nóg steviger in Europa verankeren, middels een monetaire unie. Ja, er bestonden al plannen om de gemeenschappelijke markt uit te breiden met een gemeenschappelijke munt, de Duitse bondskanselier Helmut Kohl was in beginsel vóór, en er waren economische argumenten voor de invoering van die munt. Maar het destijds haastig overeengekomen tijdschema voor de monetaire unie die we vandaag de dag hebben, en een paar van de fundamentele ontwerpfouten daarvan, zijn voortgevloeid uit de politieke omstandigheden rondom de Duitse eenwording.

We konden dat destijds al zien, maar het verhaal kan nu in al zijn fascinerende details worden gevolgd door de publicatie van oorspronkelijke Duitse, Britse, Franse en Amerikaanse documenten. Om een voorbeeld te geven: volgens een Duits verslag van een gesprek uit december 1989 verklaarde Kohl tegenover de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker zijn pogingen om de zorgen over de Duitse eenwording weg te nemen aldus: ‘Hij [Kohl] vroeg zich af wat hij nog meer kon doen om bij te dragen aan de schepping van een Europese monetaire en economische unie. Hij had dit besluit (om de monetaire unie te aanvaarden) genomen tegen de Duitse belangen in. De president van de Bundesbank was bijvoorbeeld tegen de stap. Maar die was politiek belangrijk, want Duitsland had vrienden nodig. Er mocht in Europa geen wantrouwen jegens ons ontstaan.’

Kohl betoogde op dwingende wijze dat een monetaire unie vergezeld zou moeten gaan van een begrotingsunie, en daarom ook van een politieke unie; maar Mitterrand en Andreotti moesten daar niets van hebben. Het idee was dat zij grip zouden krijgen op de Duitse munt, niet dat Duitsland grip zou krijgen op hun nationale begrotingen. Zo zijn een paar van de fundamentele zwakheden waarmee de eurozone vandaag de dag worstelt – een monetaire unie zonder wederzijds toezicht op de budgetten, schulden en banken – voortgekomen uit het politieke geharrewar rond het ontstaan ervan. Zoals de historicus Heinrich August Winkler observeert: ‘Om de Duitse kwestie met instemming van Europa op te lossen, moest de Europese kwestie open blijven.’

De Duitsers is nooit in een referendum de vraag voorgelegd of zij de Duitse mark wel wilden opgeven. Die mark was voor de West-Duitse naoorlogse identiteit wat de koningin is voor de Britse identiteit. Als de Duitsers deze vraag wel zou zijn gesteld, hadden ze waarschijnlijk ‘nee’ gezegd; maar de machtige Kohl heeft het besluit erdoor gedrukt. In het eerste decennium van het bestaan van de euro zijn ze aan de nieuwe munt gewend geraakt, maar hebben ze er nooit van leren houden. Vrijwel niemand heeft ze erop gewezen dat Duitsland het meest heeft geprofiteerd van de euro, omdat die uitstekende omstandigheden heeft geschapen voor de export van het land, zowel binnen als buiten Europa. Volgens één schatting zou het totale handelsoverschot van Duitsland met de rest van de EU, vanaf de invoerring van de euro in 1999 tot 2011, ruim een biljoen dollar hebben bedragen.

Toen kwam de afrekening. In de elektrische storm van de financiële crisis die in 2008 uitbrak, geïntensiveerd door de hysterie van de obligatiemarkten, werden alle tekortkomingen van deze halfbakken muntunie op meedogenloze wijze blootgelegd. De openliggende Europese kwestie moest nu alsnog worden aangepakt. En omdat dit een economische kwestie was, of beter gezegd een kwestie van de politieke economie, richtten alle ogen zich op wat nu – dankzij de eigen langdurige economische voorspoed en de hervormingen van na 2003, maar ook dankzij de euro – Europa’s onbetwiste economische grootmacht was.

Duitsland had dit Europese leiderschap helemaal niet geambieerd. Na 1990 zouden de meeste Duitsers er, na de uitdagingen van de nationale eenwording te hebben overwonnen, tevreden mee zijn geweest gewoon rijk en vrij te zijn, in een soort Groot-Zwitserland, met exporten van hoge kwaliteit en veel zonnige vakanties aan de Middellandse Zee. In plaats daarvan bewerkstelligde de monetaire unie, die door Mitterrand was bedoeld om Frankrijk in Europa aan het stuur te houden, met Duitsland in de stoel daarnaast, dat precies het omgekeerde gebeurde: Duitsland kreeg als nooit tevoren het stuur in handen. Plotseling moesten de Duitsers andere landen financieel te hulp schieten, en moest de Duitse regering tegen de landen die nu als ‘Zuid-Europa’ op één hoop worden gegooid zeggen wat ze in ruil daarvoor moesten doen: bezuinigen, structurele hervormingen doorvoeren en meer op Duitsland gaan lijken.

Duitsland gleed dus tegen wil en dank in de rol waarvoor Bismarck, in een belangrijke toespraak tot de Rijksdag in 1878, zijn land al had gewaarschuwd: die van ‘der Schulmeister’ van Europa, de Europese schoolmeester. Of liever gezegd – omdat de huidige bondskanselier een vrouw is – die van de schoolmeesteres. En wat krijgt Duitsland hiervoor terug? Cypriotische betogers die borden omhoog houden met ‘Hitler Merkel’ en Grieken die de Duitsers ervan betichten zich te gedragen als Gauleiters. In een opiniepeiling van Harris die in juni dit jaar werd gehouden, gaf 88 procent van de ondervraagden in Spanje, 82 procent van hen in Italië en 56 procent van hen in Frankrijk aan dat de Duitse invloed in de EU te groot was geworden. Zoals Merkel zelf ooit meewarig tegen mij zei: ‘We worden verdoemd als we geen leiding geven, en verketterd als we dat wel doen.’

De pragmatische, onopvallende, stap-voor-stap-aanpak van de bondskanselier weerspiegelt ten dele haar persoonlijke stijl. Maar een van de redenen dat haar populariteit in Duitsland zich tijdens de crisisjaren zo goed heeft staande weten te houden, is dat haar terughoudendheid om tijdens iedere fase van de crisis in de eurozone méér te doen dan wat strikt onvermijdelijk was de weerspiegeling vormde van de terughoudendheid van haar land. De enige werkelijk stoutmoedige en doortastende stap die tot nu toe in deze crisis is gezet, kan op het conto worden geschreven van de Italiaanse president van de Europese Centrale Bank, Mario Draghi, die in juli 2012 heeft gezegd dat de bank ‘alles zou doen wat nodig was’ om de euro overeind te houden. Als gevolg daarvan heeft de eurozone de crisis overleefd, maar bloeit ze nog niet – vooral niet in de schuldenlanden in het zuiden. In Spanje bedraagt de jeugdwerkloosheid bijvoorbeeld meer dan vijftig procent.

Nu naderen we echter een moment van de waarheid in de Europese Unie. In heel Europa, zowel in het noorden als in het zuiden, is het vertrouwen in deze Unie op dramatische wijze gekelderd. Overal zijn protestpartijen opgekomen. Tussen de Duitse parlementsverkiezingen van 22 september en de start van de verkiezingen voor het Europees Parlement op 22 mei 2014 liggen precies acht maanden om die groeiende legioenen van sceptische Europeanen ervan te overtuigen dat de Europese leiders, gevestigde partijen en instellingen een weg uit de duisternis zullen weten te vinden. Anders zullen we een Europees Parlement krijgen dat tegelijkertijd extreem en geblokkeerd zal zijn. De woede in sommige Zuid-Europese landen kan ook op ieder moment ‘overkoken’, tenzij hun bevolkingen licht zien aan het einde van wat velen zien als een door Duitsland opgelegde tunnel.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Guido Westerwelle, constateert terecht dat dit in drie opzichten een formatieve periode is: voor de geloofwaardigheid van Europa in de ogen van de eigen burgers, voor de positie van Europa in de wereld, en voor de manier waarop Europa en de wereld tegen Duitsland aankijken. Geheel toevallig valt dit historische keerpunt samen met de honderdste geboortedag van de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in 1914.

Al snel na de vreedzame hereniging van Duitsland in 1989-1990 omschreef Fritz Stern dit op onvergetelijke wijze als Duitslands ‘tweede kans’. De economisch dynamische centrale macht van Europa had in de jaren vóór 1914 zijn eerste kans gehad. ‘Het had de eeuw van Duitsland kunnen zijn’, heeft Raymond Aron ooit tegen Stern gezegd. Het land had deze kans verpest in twee wereldoorlogen en de holocaust, maar er nu toch weer een gekregen. Bijna een kwart eeuw later kunnen we met een gerust hart vaststellen dat Duitsland deze tweede kans op binnenlands gebied goed heeft benut. Dit is een ‘Europees Duitsland’ waarop Thomas Mann trots had kunnen zijn. Maar op buitenlands gebied, als het gaat om het scheppen van een nieuwe Europese orde en het aanpakken van de Europese kwestie die ten tijde van de Duitse eenwording open is gelaten, is nu pas sprake van de werkelijke proef op de som.

Hoewel de term ‘hegemonistisch’ alom wordt gebezigd, is de positie van Duitsland in het hedendaagse Europa er een van een leidende, en niet zozeer van een dominante macht. Dit is niet te vergelijken met de regelrechte hegemonistische overheersing van het Europese continent door het Napoleontische Frankrijk, of van de westerse wereld door de Verenigde Staten na 1945. De Berlijnse republiek omvat slechts zestien procent van de bevolking en twintig procent van het bruto binnenlands product van de EU. Deze ongemakkelijke middenmaat is, naast de centrale geografische ligging van het land, een terugkerend kenmerk van moderne Duitse kwesties.

‘Te groot voor Europa en te klein voor de wereld’, heeft Henry Kissinger ooit gezegd. Toch gaat het er vandaag de dag vooral om of Duitsland wel groot genoeg is voor Europa – niet alleen objectief maar ook subjectief, in de geest en qua strategische verbeeldingskracht. Anders dan de Verenigde Staten is de centrale staat van Europa louter vooraanstaand in één van de drie dimensies van de macht. Militair kan het land niet in de schaduw staan van Groot-Brittannië en Frankrijk. Nadat het zichzelf heeft gedwongen deel te nemen aan de interventie in Kosovo, om een nieuwe Servische genocide te voorkomen (wat in mijn optiek nog steeds een van de beste momenten van het Duitsland van na de eenwording is), en na zich te hebben aangesloten bij zijn westerse bondgenoten in Afghanistan, is het teruggevallen in een nogal zelfgenoegzaam pacifisme. Een hogere regeringsfunctionaris laat zich bijna laatdunkend tegenover me uit over het ‘nette’ leger van zijn land, alvorens te betogen dat de werkelijke strijd van de 21ste eeuw zich zal afspelen op geo-economisch terrein.

En als het gaat om de ‘zachte macht’? Ja, uit die opiniepeiling van de bbc in 25 landen blijkt dat de Bondsrepubliek een aanzienlijke aantrekkingskracht uitoefent – de klassieke definitie van Joseph Nye van ‘zachte macht’. Toch is dat nog steeds niet te vergelijken met de culturele aantrekkingskracht van het land van Harry Potter, David Beckham, de Royal Shakespeare Company, de bbc, Engelstalige universiteiten met studenten uit alle landen van de wereld, de koninklijke familie, de Olympische Spelen van Londen en Mister Bean. Maar op het gebied van de economische macht steekt Duitsland er met kop en schouders bovenuit, en ook op het gebied van de politieke macht. Daarom wacht iedereen in de gangen en vergaderzalen van Brussel af welke kant Duitsland op gaat. Alle Europeanen hadden het vroeger over niets anders dan Amerika. Nu hebben ze het over niets anders dan Amerika en Duitsland. Als we benieuwd zijn naar de Duitse antwoorden op de Europese kwestie zijn er drie belangrijke terreinen die we in de gaten moeten houden: het economisch beleid; de Europese instellingen die dat beleid moeten controleren en legitimeren, en – niet in de laatste plaats – de poëzie die dit economische en institutionele proza moet vergezellen, om de Europeanen opnieuw ertoe te inspireren in de droom te gaan geloven die ‘Europa’ heet.

Als ik praat met Duitse politici en functionarissen word ik getroffen door de plek waar zij hun antwoorden laten beginnen. Die plek is niet Duitsland, noch Griekenland of Italië: het is China. In 2012 kwam 46 procent van de export van de EU naar China uit Duitsland. Groot-Brittannië heeft zijn financiële dienstensector gemondialiseerd, maar geen Europese industriële sector is zo internationaal als die van Duitsland. Wat mijn Duitse gespreksgenoten van de andere landen van de eurozone willen is dat zij sterke, concurrerende, op de export gerichte economieën worden, net als Duitsland. Alleen dan zouden we kunnen bereiken wat zij de ‘Selbstbehauptung Europas’ noemen, een stabiel Europa dat voor zichzelf kan opkomen in een snel veranderende wereld. Vandaar hun ijzeren, schoolmeesterachtige nadruk op begrotingsdiscipline en structurele hervormingen in de zwakkere economieën van de eurozone.

Hun grootste zorg betreft Frankrijk, vooral onder de socialistische president François Hollande. Frankrijk is voor Duitsland het belangrijkste land in de geschiedenis van de Europese integratie sinds de jaren vijftig, en een land dat er maar niet in slaagt te hervormen. Hoe kan de druk op Frankrijk worden volgehouden als dat land wordt beschermd door de Duitse kredietwaardigheid? (De rente op Franse staatsobligaties staat veel dichter bij die op Duitse dan bij die op Spaanse of Italiaanse staatsobligaties, omdat de markten er terecht van uitgaan dat Frankrijk het laatste mediterrane land is dat Duitsland ooit zou laten gaan.)

‘Zie je’, zegt een Duitse politicus, ‘het is alsof ik mijn dochter mijn creditcard laat gebruiken, maar ik de afschriften controleer.’ ‘En als het Franse meisje dan al het geld verspilt aan mooie jurkjes?’ vraag ik plagend. ‘Precies!’ snuift hij. Duitse functionarissen geven achter de schermen toe: ‘We moeten pretenderen Frankrijk als gelijke te behandelen.’ Hun laatste, beste hoop op economische hervormingen in Frankrijk is dat de Franse nationale trots het relatieve afglijden van dat land niet zal verdragen, evenmin als Duitslands tastbare minachting.

Het probleem met het Duitse recept voor de eurozone is dat het – afhankelijk van hoe je ertegenaan kijkt – niet werkt of niet snel genoeg werkt. Eén simpel, theoretisch punt lijkt mij de moeite van het benadrukken waard. Duitsland, de exportkampioen, is omschreven als het ‘China van Europa’. Op dezelfde manier dat niet iedereen in de wereld China kan zijn, en als dat wel zo zou zijn, China niet China zou kunnen zijn – want wie zou dan zijn exporten kopen? – kunnen niet alle landen van de eurozone Duitsland zijn, en in het onwaarschijnlijke geval dat ze wél als Duitsland zouden worden, zou Duitsland niet langer Duitsland kunnen zijn. Tenzij je er natuurlijk van uitgaat dat de rest van de wereld vrolijk zijn binnenlandse vraag zou laten groeien om het exportaanbod van een geheel ‘Duitse’ eurozone te kunnen kopen. Uiteindelijk is het enige wat telt datgene wat werkt. De uitdaging voor Duitsland is om na de verkiezingen de beleidsmix te vinden die de eurozone brengt wat iedereen wil – investeringen, groei, banen en daardoor ook de lagere werkloosheidsuitgaven en hogere belastinginkomsten die nodig zijn om de staatsschulden duurzaam omlaag te brengen. De uitkomst zal uiteraard afhangen van de mondiale economische ontwikkelingen die, in landen als China, momenteel niet bepaald gunstig zijn.

De retoriek van het Duitse beleid blijft streng dogmatisch. De Duitse economische inzichten klinken vaak als voorschriften van de ethiek, zo niet van de protestantse theologie. Merkel, de dochter van een Oost-Duitse dominee, heeft ooit – in een onbewaakt ogenblik – geopperd dat de Zuid-Europese schuldenlanden moeten ‘boeten voor hun zonden uit het verleden’. De werkelijkheid van het Berlijnse beleid is echter pragmatischer geweest. Eerder dit jaar heeft de Duitse regering de door de staat gecontroleerde Duitse banken bijvoorbeeld toestemming gegeven om banen te creëren voor werkloze jongeren in Zuid-Europa. De kansen op meer van dergelijk constructief pragmatisme, zoals loonsverhogingen die de Duitse binnenlandse vraag kunnen aanjagen, zouden zeker stijgen als de sociaal-democraten aan de regering zouden gaan deelnemen, wellicht in de vorm van een ‘grote coalitie’ met Merkels christen-democraten.

Maar zelfs als de leiders van het land bereid zijn alles te doen wat nodig zou blijken te zijn, zouden ze het Duitse volk dan mee weten te krijgen? De Duitsers zijn begrijpelijkerwijs bang dat ze met hun hard verdiende salarissen en spaargeld moeten betalen voor de zelfgenoegzaamheid van hun mede-Europeanen. Ik ben de tel kwijt van het aantal malen dat Duitsers tegen mij hebben gezegd: ‘Als buitenlanders ons om leiderschap vragen, is wat ze bedoelen geld.’ Ze zijn geobsedeerd door het inflatiegevaar. Uit een opiniepeiling blijkt dat Duitsers meer angst hebben voor inflatie dan voor het krijgen van kanker. Dat is opnieuw de schaduw van de geschiedenis: in dit geval het trauma van twee dramatische episodes van hoge inflatie, na de Eerste en na de Tweede Wereldoorlog. Maar zoals de economische correspondent van het liberale weekblad Die Zeit heeft betoogd, in een vlammende polemiek, schatten ze zowel het vroegere – het was deflatie en niet inflatie die aan Hitlers machtsovername vooraf ging – als het huidige inflatiegevaar verkeerd in.

Twee van de meest invloedrijke instellingen van het land beperken ook de mogelijkheden van welke Duitse regering dan ook om doortastend op te treden. De Bundesbank, die op dit moment net zo sceptisch staat tegenover de euro als toen Kohl de Amerikaan Baker in 1989 in vertrouwen nam, heeft zijn bezwaren voorgelegd aan het Bundesverfassungsgericht, het machtige constitutionele gerechtshof. Bundesbank-president Jens Weidmann heeft geopperd dat de manier waarop Draghi vorig jaar de euro heeft gered, met zijn zogenoemde ‘regelrechte monetaire transacties’, een schending kan inhouden van het mandaat van de Europese Centrale Bank. Niet voor het eerst wacht heel Europa met ingehouden adem op het volgende vonnis van dit Duitse gerechtshof.

Op dit punt worden we geconfronteerd met het antwoord op een eerdere Duitse kwestie, die van 1945. Om ervoor te zorgen dat er nooit meer een Hitler aan de macht zou komen, kreeg de Duitse Bondsrepubliek niet alleen een zo gedecentraliseerd mogelijke opzet, maar ook een veelvoud aan institutionele ‘checks and balances’, waaronder een bijzonder sterk constitutioneel hof. De staat waarvan vandaag de dag beslissend leiderschap wordt geëist heeft dus een politiek systeem dat is bedoeld om dergelijk leiderschap heel moeilijk te maken.

Als Duitsland er – samen met zijn partners in de eurozone – op economisch gebied in slaagt te doen wat nodig is, zal Europa behoefte hebben aan een nieuwe institutionele architectuur, het dringendst om controle te kunnen uitoefenen op de nationale begrotingen in de eurozone, maar uiteindelijk ook voor de hele structuur van de Unie. Berlijn is vandaag de dag één grote bouwput, met grote hijskranen en met graafmachines die een nieuwe metrolijn aanleggen, pal vóór de (godzijdank goed sluitende) ramen van mijn hotelkamer. Vlak bij Unter den Linden wordt de eerste steen gelegd voor wat belooft een prachtige reconstructie te worden van het koninklijk paleis van Pruisen, dat na de Tweede Wereldoorlog door de Oost-Duitse communisten met de grond gelijk werd gemaakt. Berlijn is ook een intellectuele bouwput, waarin alternatieve ontwerpen voor Europa heen en weer vliegen. Een vriend geeft me een ansichtkaart waarop staat: ‘De Europese Republiek is in aanbouw.’ Een intern discussiestuk van de sociaal-democraten pleit voor ‘ein anderes Europa’ – een ander (en beter) Europa.

Zal dit dan de ‘Bundesrepublik Europa’ (de Bondsrepubliek Europa) worden? Net als andere Europese landen bekijkt Duitsland Europa in eerste instantie door de lens van zijn eigen constitutionele traditie, net zoals de Fransen zich een gecentraliseerde seculiere republiek voorstellen en de Britten dromen van een losjes samenhangend gemenebest van staten. Een ‘bondsrepubliek’ naar Duits model zou ook kunnen leiden tot het delegeren van bevoegdheden naar het niveau van afzonderlijke staten – iets wat veel sceptische Europeanen, en niet alleen Britse eurosceptici, zouden verwelkomen. Maar het Duitse debat is veel breder dan dit.

Merkel zelf weifelt tussen een grotere rol voor het rechtstreeks gekozen Europees Parlement en een sterk pragmatische voorkeur voor intergouvernementele akkoorden, zoals het vorig jaar overeengekomen begrotingsverdrag voor de eurozone. Nu de nadruk in de Duitse debatten steeds meer komt te liggen op het belang van democratische nationale soevereiniteit, beïnvloed door de uitspraken van het constitutionele hof, wordt er ook opgeroepen om de nationale parlementen meer inspraak in Brussel te geven. De Duitsers goochelen dus intellectueel met drie soorten legitimiteit: een supranationale, via een Europese Commissie die wordt gecontroleerd door een rechtstreeks gekozen Europees Parlement; een intergouvernementele, via de Europese Raden, waarin vertegenwoordigers samenkomen van democratisch gekozen nationale regeringen; en de betrokkenheid van nationale parlementen. Wat er uiteindelijk ook – waarschijnlijk pas over een paar jaar – uit de worstenfabriek van de onderhandelingen in Brussel zal komen, het zal niet kant-en-klaar en helemaal af zijn, en ook niet louter van Duitse makelij: minder een ‘Bundesrepublik Europa’, en meer een ‘Heilig Republikeins Gemenebest’.

Terwijl de raderen van het economisch beleid en van de institutionele onderhandelingen tergend langzaam draaien, is de behoefte aan poëzie groot. De Europeanen snakken wanhopig naar een gevoel van richting en hoop. Een vroegere Duitse bondskanselier heeft ooit een subliem staaltje van dergelijk visionair leiderschap tentoongespreid. Willy Brandt heeft zijn nieuwe ‘Ost-Politik’, die aanvankelijk ook bekendstond als een Merkel-achtig ‘beleid van kleine stappen’, verpakt in inspirerende retoriek. De Duitsers, zo verklaarde hij, moeten een ‘natie van goede buren zijn, zowel in binnen- als buitenland’. Merkels biograaf Stefan Kornelius merkt op dat zij vele kwaliteiten bezit, maar dat het houden van redevoeringen waarvan je hart sneller gaat kloppen er niet een van is. Helaas geldt dat niet alleen voor haar. De hele Duitse politieke elite bedient zich van een soort Lego-taal door voorgekauwde frases op elkaar te stapelen. De meeste Duitse politici zullen eerder zonder hulpmiddelen naar de maan vliegen dan dat ze een treffende zinsnede zullen weten te fabriceren.

Waarom dat zo is? Deels omdat de Duitse taal zoveel spoken kent. De vroegere Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer heeft ooit gezegd dat je wel een conferentie van jonge leiders kunt houden, maar van ‘junge Führer’…? Veel Duitsers stappen over op het Engels als ze het over leiderschap willen hebben. Door toedoen van Hitler is het palet van de hedendaagse Duitse politieke retoriek uiterst behoedzaam en saai. Bovendien geven getalenteerde jonge Duitsers er al langere tijd de voorkeur aan het zakenleven in te gaan, of in het buitenland te gaan werken en studeren. (Ik kan moeiteloos een hele regering samenstellen uit onze uitmuntende Duitse studenten in Oxford.) Hoewel het Duitse bedrijfsleven de afgelopen 25 jaar veel mondialer is gaan opereren, waarbij bedrijven hun bestuursvergaderingen in het Engels houden en managers zich net zo thuisvoelen in Shanghai of São Paulo als in Stuttgart, is de Duitse politieke elite nog provincialer geworden dan ze al was.

Dit provincialisme is deels het gevolg van de antwoorden die op eerdere Duitse kwesties zijn gegeven. Omdat het politieke systeem van het land doelbewust is gedecentraliseerd, moesten politici zich over het algemeen een weg omhoog werken via de politiek van de Länder, de Duitse deelstaten. Maar moesten Brandt, Helmut Schmidt en Helmut Kohl niet ook eerst die provinciale ladder beklimmen? Ja, maar zij hadden – anders dan de huidige beroepspolitici – eerst iets anders gedaan vóórdat ze politici werden. En zij waren gevormd door de ervaringen van twee oorlogen: de Tweede Wereldoorlog (die Schmidt als soldaat heeft ervaren en Kohl als tiener) en de Koude Oorlog. Omdat het antwoord op de kwestie van de Duitse deling na 1945 alleen in Moskou, Londen, Parijs en Londen kon worden gevonden, moesten de leiders van de Bondsrepubliek vóór de hereniging met de ddr er wel een mondiaal perspectief op nahouden. Vandaar de schijnbare paradox dat nu de Duitse macht is toegenomen de Duitse politieke elite ineen is geschrompeld.

Wie zal er dus voor Europa spreken? Vanaf 23 september, de dag na de Duitse parlementsverkiezingen, zal Duitsland het Europese probleem doortastender moeten aanpakken. Maar dit Duitsland is noch objectief noch subjectief groot genoeg om dit probleem in z’n eentje op te lossen. De Berlijnse republiek kan op z’n best louter de eerste onder zijn gelijken zijn. Zijn leiderschap moet op samenwerking zijn gericht en worden gebouwd op de zorgvuldig gecultiveerde betrekkingen met kleine en grote staten – wat tenslotte altijd de kenmerkende traditie van het buitenlands beleid van de Bondsrepubliek is geweest.

Duitsland kan daarom alle hulp gebruiken die het van zijn Europese vrienden en partners kan krijgen. Alleen samen kunnen we het beleid en de instellingen vormgeven, en de poëzie vinden, waarmee we het Europese schip weer zeewaardig kunnen maken. De antwoorden op deze nieuwe Duitse kwestie kunnen dan ook niet alleen van de Duitsers zelf komen.


Timothy Garton Ash is historicus en schrijver. Hij is hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Oxford en verbonden aan het Hoover Instituut van de Universiteit van Stanford. Hij is gespecialiseerd in de moderne en laat-moderne geschiedenis van Oost en Centraal-Europa.

© 2013 The New York Times

© 2013 The New York Review of Books

Vertaling: Menno Grootveld