De nieuwe generatie knuffelleiders

Na Sarkozy regeert nu ook Barack Obama door middel van een permanente verkiezingsstrijd. Wat zegt dat over de moderne democratie?

Het knuffelgehalte van de internationale politiek stijgt. Dan gaat het niet om Obama’s uitspraken over een kernwapenvrije wereld. Evenmin heeft het iets te maken met zijn toenadering tot Iran. Nee, letterlijk: er wordt meer geknuffeld. Tijdens de Navo-top afgelopen weekeinde leek er geen einde te komen aan de omarmingen en de zoenen op de wang.

Hoogtepunt van die politieke informalisering was het galadiner ‘in zwart’. Een citaat uit de liberaal-conservatieve Frankfurter Allgemeine Zeitung volstaat: ‘Dat de modekoningin uit Amerika, die tegen het protocol in haar arm om de schouder van Elizabeth II legde, ook diplomatiek kan zijn, bewees Michelle Obama vrijdag in Straatsburg. Ze kwam op verbazingwekkend platte schoenen. Carla Bruni zal het dankbaar hebben opgemerkt.’

Over al die glamour zullen de Obama’s net zo goed hebben nagedacht als over de moestuin achter het Witte Huis en de langverwachte puppy voor de kinderen. Hun glossy optreden maakt onderdeel uit van de permanente verkiezingsstrijd die Obama voert. Zijn electorale apparaat draait de laatste maanden weer op volle toeren. Obama laat geen mogelijkheid aan zich voorbij gaan om de Amerikanen toe te spreken over zijn crisisplannen. Als eerste president bezocht hij zelfs de komische Tonight Show van Jay Leno.

Dat doet sterk denken aan de flamboyante regeerstijl van Nicolas Sarkozy. Deze ‘omni-’ of ‘hyperpresident’ staat sinds zijn aantreden constant in de schijnwerpers. Dat heeft hij te danken aan zijn dadendrang. Als dat niet genoeg aandacht oplevert, schroomt ‘Sarko’ niet zijn privé-leven in de strijd te werpen, Carla Bruni voorop.

Bij één hyperpresident kan de oorzaak nog gezocht worden in arrogantie, een slechte jeugd of compensatiedrang. Bij twee hyperpresidenten is er wellicht meer aan de hand, zeker als eentje Obama heet. Wat zegt hun regeerstijl over de stand van de moderne democratie?

Een voorzichtige poging: het beeld van de alomtegenwoordige, machtige leider kan bedriegen. Een president krijgt met zijn verkiezing volgens de regels van de democratie het mandaat om vier jaar lang het land te regeren. Als hij desondanks elke dag opnieuw een verkiezingsstrijd voert, duidt dat op een verlies aan soevereiniteit. Als Obama echt met afstand de machtigste man ter wereld is, hoeft hij ook niet bij Jay Leno op te draven, toch?

In de moderne politiek is de soevereiniteit van een leider verbrokkeld. Politieke macht is meer dan ooit gefragmenteerd over internationale verbanden, grote bedrijven, vakbonden, lobbyisten, ngo’s, media - en de politiek. Leiders als Obama en Sarkozy hebben daarbij geen massapartij achter zich, die hen verzekert van continue steun. En dus moeten ze daar telkens opnieuw voor werven. Hun presidentschap is een dagelijks plebisciet.

De nieuwe generatie glossy omnipresidenten moet democraten zorgen baren. Maar niet omdat ze te machtig worden. Ook niet vanwege hun popsterrenstatus. Het is omgekeerd: hun macht is tanende. Zij neemt af, ten koste van instituties waar de kiezer nog veel minder over te zeggen heeft. Het is in die ingewikkelde, bedreigende wereld dat de wereldleiders steun en warmte bij elkaar zoeken. En af en toe een knuffel.