De nieuwe gregorianen

Onstuitbaar klimt het gregoriaans in de internationale hitlijsten. De favoriete muziek van de aartsreactionaire paus Pius X weerklinkt nu op XTC-doordrenkte house parties.

ALLE RECORDS IN de cd-verkoop werden dit jaar gebroken door het Spaans monnikenkoor van het klooster van Santo Domingo de Silos. Niet alleen in Spanje, waar de dubbel-cd bijna zeven maanden lang nummer een stond, ook in Nederland werd het album binnen twee weken platina. Op de buis verscheen een Ster- spot waarin de benedictijner kloosterlingen als ultieme tranquillizer werden aangekondigd: ‘Je leeft gestressed, agressie, files… Als het allemaal bijna te veel wordt dan zijn er goddank de Spaanse monniken… De Spaanse monniken, als echt niets meer helpt!’
De kerkelijke reacties zijn deels lyrisch. De Italiaanse zielzorger Padre Ruggero noemde het tijdens het programma Parole e vita van Rai Uno een daad van hemelse gerechtigheid dat de Spaanse kloosterbroeders in al hun eenvoud 'lellebellen als Madonna en Gloria Estefan van de top van de hitparade verdreven’ en zag hierin een duidelijke vingerwijzing van 'De Allerhoogste’.
De miljoenen stromen binnen bij de kloosterorde en de monniken kunnen de muren van hun kapel opsieren met ruim twintig platina en vijftig gouden platen. Massa’s mensen verdringen zich nu voor het klooster onder het Spaanse Burgos om de hitmonniken live te horen zingen. En telkens valt de kloosterbroeders een donderend applaus ten deel, ondanks de constante smeekbeden van abt Clemente de la Serna om vooral niet te klappen: 'Tenslotte is dit geen show, maar onze manier van bidden.’
Het succes van de Spaanse monniken straalt door tot in Limburg. Het koor van het klooster Sint-Benedictusberg bij Vaals - een van de vier Nederlandse benedictijnerkloosters - is inmiddels benaderd door de Amsterdamse rock-manager Peter D. om zich contractueel vast te leggen voor 'minstens tien cd’s’. Sint-Benedictusberg is het meest noordelijk gelegen klooster op aarde waar de zeven dagelijkse koorgebeden en de dagelijkse hoogmis in het gregoriaans worden gezongen. Het klooster neemt in ons land een bijzondere plaats in omdat het niet bij de Nederlandse congregatie is aangesloten maar bij die van het Franse abdij Solesmes, het klooster waar op bevel van Pius X aan het begin van deze eeuw het gregoriaans in ere werd hersteld. Ook de abdij van de wereldberoemde Spanjaarden is aan Solesmes gelieerd.
In Vaals knipperen de monniken nog wat onwennig met de ogen als er bont uitgedoste B-Boys en Extravaganza-girls na afloop van een house-party aan de kloosterpoort kloppen om de lauden (de gezongen gebeden bij het krieken van de dag) bij te wonen. Tot de Spaanse monniken de hitlijsten bestormden, kwamen er 'weleens wat toeristen’ ’s ochtends om half tien voor de hoogmis of de vespers van vijf uur ’s middags - gewone 'nette’ mensen in vakantiekleding. Nu gaat het om forse aantallen merkwaardig uitgedoste jongeren, die niet eens in staat zijn een weesgegroetje te bidden. De house-jeugd ziet het gregoriaanse gezang ('Greggy’) als ideale chill-out-music na afloop van een nacht housen op XTC. Het gregoriaans wordt al ijverig gesampled in de zogeheten ambient house (de kalmerende versie van het genre) en in het verlengde daarvan ging men op zoek naar de roots. De housegangers hebben geen boodschap aan de religieuze inhoud van de liederen van de abdijbewoners. 'Ze verstaan toch niet waar het over gaat’, aldus de zegsman van de kloosterorde.
Het is niet de eerste keer dat rooms-katholieke geestelijken de top van de hitparade aanvoeren. In het midden van de jaren vijftig vierde de Franse jezuiet Pere Duval triomfen. Ook in Nederland zorgde hij voor een uitverkocht Carre met zijn in chansonstijl geschreven religieuze liederen. Pere Duval ontketende een hausse in zingende paters, fraters en nonnen. De patergolf werd schitterend gepersifleerd door Wim Sonneveld als Frater Venantius. In 1964, kort voor Sonneveld zijn zingende kloosterling tijdens het Grand Gala du Disque introduceerde, prijkte de Belgische zingende non Soeur Sourire op de eerste plaats van de Amerikaanse hitparade.
Haar mega-hit Dominique markeerde haarscherp het moment waarop de r.k.-kerk de gregoriaanse zang de deur uit deed. Het Tweede Vaticaans Concilie was nog in volle gang. Ook Dominique werd als een hemelse aanwijzing beschouwd op de vraag hoe men de liturgische muziek diende te vernieuwen. Weg met het verstilde Veni Creator Spirito ('Kom Scheppende Geest’) uit het begin van de christelijke jaartelling. De Zingende Non werd de trendsetter, al was niet iedereen even blij met deze radicale verandering, waarbij de erfenis van vele eeuwen kerkelijke muziek moest wijken voor vrolijke en vooral simpele wijsjes op maximaal drie akkoorden, bedoeld om het volk bij de eredienst te betrekken.
HET GREGORIAANS IS afkomstig uit de Byzantijnse muziekcultuur. De Turkse musicoloog A. K. Belviranli, die in 1975 zijn studie over religieuze muziek Dini Musik in Turkije publiceerde, meent dat de gregoriaanse gezangen zijn terug te voeren op die van de Armeense christenen, en in het bijzonder diegenen die zichzelf 'gregorianen’ noemden - niet naar paus Gregorius de Grote (590-604), de naamgever van het gregoriaans, maar naar de heilige Gregorius de Wonderdoener (213-270) . Deze gregorianen, van wie er nog zo'n kwart miljoen in het huidige Iran wonen, lieten zich op hun beurt weer beinvloeden door de muzikale traditie van het Perzische Sassanieden- rijk. Dat zou de werkelijke bron der gregoriaanse muziek zijn: de beroemde grote priesterkoren die hymnen zongen ter ere van de oud-Perzische profeet Zarathoestra.
Perzie was de bakermat van tal van tot op de huidige dag bestaande muzieksoorten. Duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling werd er in de hoven en tempels kunstmuziek beoefend. De invloed van de oud-Perzische religie op het judaisme en het christendom is redelijk bekend, maar over de invloed van de Perzische muziek op de christelijke religieuze muziek weten we in het Westen vrijwel niets. Hoe de Griekssprekende Byzantijnen aan hun muziek kwamen, is hier nauwelijks bekend. Al in voor-christelijke tijden domineerde in elk geval Perzische muziek in het hellenistisch cultuurgebied en in Byzantium ging de Perzische kunstmuziek een eigen leven leiden. De bezongen heldendaden van de heerser transformeerden tot lofzangen op Jezus Christus.
De r.k.-kerk zelf leert dat de uitvinding van de gregoriaanse zang aan paus Gregorius I moet worden toegeschreven. Ter onderscheiding van de zestien pausen en twee tegenpausen met dezelfde naam wordt de muzikale Gregorius ook aangeduid als 'De Grote’. Middeleeuwse afbeeldingen tonen hem vaak op het moment dat een duif (de Heilige Geest) hem deze 'uit de hemel afkomstige muziek’ in het oor koert. Hoewel deze Gregorius zich voor de inrichting van de katholieke eredienst en de kerkzang heel verdienstelijk heeft gemaakt, is hij niet de uitvinder van de gregoriaanse muziek. Veel 'gregoriaanse’ gezangen bestonden al voor zijn tijd: het Te Deum Laudamus werd reeds een eeuw eerder gezongen en het Gloria In Excelsis Deo moet nog veel ouder zijn, aangezien het sinds paus Anastatius (399-401) vast onderdeel van de gezangen gedurende de nachtelijke Kerstmis uitmaakt.
De gregoriaanse muziekcultuur in Italie kwam tot grote bloei nadat in 536 de Byzantijnse heerschappij in Italie was gevestigd. Het jaar daarvoor was de Ayasofya (Hagia Sophia, Heilige Wijsheid) in Constantinopel ingewijd - en uit die periode stammen de oudst bewaard gebleven 'gregoriaanse’ gezangen, direct resultaat van de schitterende koren die de ingebruikneming van de grootste kerk op aarde begeleidden.
Voor Gregorius paus werd, verkeerde hij een aantal jaren als vertegenwoordiger van de bisschop van Rome aan het Byzantijnse hof. Hij zal diep ontroerd zijn geweest van het koor van de Ayasofya. Welk een verschil met de volkse kerkelijke gezangen die thuis in Rome klonken, vaak op melodieen die ook buiten de kapellen en kathedralen werden gezongen met een andere, veelal dubieuze tekst. Gregorius begreep dat deze gemakkelijk te onthouden deuntjes al gauw een eigen leven gingen leiden en bij de gelovigen allesbehalve spirituele associaties opwekten. In tegenstelling tot de 'verheven, hemelse klanken’, de zweverige, eenstemmige en ritmeloze koorzang die het zonder begeleiding kon stellen.
Het gregoriaans kende in de loop der eeuwen zijn ups en downs. In de twaalfde eeuw kwam de eerste teruggang met de conductus, een kerkelijke melodie, waarbij de Latijnse tekst, in tegenstelling tot het gregoriaans, tegelijkertijd in verschillende stemmen werd gezongen. Hieruit ontwikkelde zich in de daarop volgende eeuw een vrije motetvorm, die in het midden van de vijftiende eeuw geheel in onbruik raakte. Het motet ontwikkelde zich in een sterk contrapuntische stijl, met soms tien afzonderlijke stemmen. Strikt genomen is het motet een a-capella-compositie voor verschillende zangstemmen. In dezelfde tijd, midden dertiende eeuw, werden soortgelijke onbegeleide vocale werken geschreven voor wereldlijk gebruik. Deze ontstonden als eerste in Italie onder de naam madrigali en verspreidden zich al snel over heel Europa, met name in Engeland en de Nederlanden. Geheel naar de mode van de daarop volgende tijd schreven componisten meerstemmige missen en hun versies van bijvoorbeeld het Stabat Mater of Ave Verum.
In het begin van deze eeuw leek het erop dat het gregoriaans het zou moeten afleggen tegen het geweld van meerstemmige en georkestreerde religieuze werken. Vooral in Italie beschikten de meeste kloosters over een eigen symfonieorkest, waarmee missen werden uitgevoerd. In elk koor namen de castraten een bijzonder plaats in.
Giuseppe Melchior Sarto, zoon van een postbode uit een dorp bij Venetie, had een bloedhekel aan de niet-gregoriaanse missen, zeker wanneer deze waren gecomponeerd door protestantse componisten als Johann Sebastian Bach. Toen hij in 1903 dan ook als Pius X tot opperhoofd van de kerk werd gekozen, was het gelijk raak. In zijn kroningsencycliek liet de heilige vader afkondigen dat het maar eens afgelopen moest zijn met dat muzikale gedonder in zijn kerk. Pius zag het als zijn voornaamste taak 'alles te herstellen’ ('instau rare omnia’), met name het gebruik van traditionele kerkmuziek. Weg met de 'minder geestelijke componisten’, zoals de heren Mozart, Haydn, Beethoven, Liszt, Gounod en Bruckner. Weg met de muziekinstrumenten - slechts een spaarzaam gebruik van het orgel was voortaan toegestaan om de juiste toonhoogte aan te geven.
Anderhalve maand na zijn kroningsencykliek verscheen het motu proprio 'Inter sollicitudines’, waarin Pius X bekend maakte wat 'muzikale esthetica’ is. Het ging om een aantal veelomvattende en zeer gedetailleerde voorschriften inzake kerkmuziek waarin werd bepaald dat 'de eigenlijke zang van de Romeinse Kerk de oude, eenstemmige traditioneel-gregoriaanse zang’ is. Vooralsnog ontzag de later heilig verklaarde Pius de klassieke polyfone muziek, zoals de legendarische Italiaanse componist Giovanni da Palestrina (1525-1594) die tot de hoogste perfectie bracht. Maar net als het orgel diende ook de polyfonie met 'de nodige terughoudendheid’ te worden toegepast.
Zo er al gevraagd zou worden naar nieuwe kerkelijk-muzikale composities, dan dienden deze in het vervolg eerst aan een commissie te worden voorgelegd. Deze zou elk stuk onderzoeken of er 'niet te profaan’ was gecomponeerd, of het stuk niet 'aan theatermotieven herinnerde’ of 'uiterlijk als een profaan muziekstuk’ zou zijn opgebouwd.
Op 8 januari 1904 verklaarde de Congregatie van de Riten dat alle katholieke kerken over de hele wereld verplicht waren zich aan Pius’ decreet te houden. Drie maanden later werd een nieuwe uitgave van de liturgische boeken met de gregoriaanse melodieen bevolen. De redactie werd opgedragen aan de benedictijnen van de abdij Solesmes in Frankrijk. Aan de hand van de oudste bewaard gebleven notaties restaureerde zij de cantus firmus, de 'oorspronkelijke en onveranderlijke gregoriaanse melodieen’.
Dom A. Mocquereau, monnik van Solesmes, stelde een nieuw ritmisch systeem op voor het wisselende vrije ritme van de gregoriaanse muziek. Met moeite wist men Pius te overtuigen van het nut van deze vernieuwing. Toch kon zelfs deze eminente geleerde de heilige vader er niet van overtuigen dat het gebruik van modern muziekschrift het gregoriaans een stuk toegankelijker zou maken dan de primitieve muzieknotaties. De vernieuwde notatie werd nauwelijks geduld, mede omdat niet duidelijk was of de ontdekking van het nieuwe notenschrift nu aan een katholiek of een protestant moest worden toegeschreven.
Echt katholiek vonden de heren van het Vaticaan al die moderne noten niet, want in 1911 liet de Heilige Congregatie der Riten uitdrukkelijk weten dat de van ritmische tekens voorziene gregoriaanse notatie 'absoluut niet verplichtend’ kon zijn en nimmer de authentieke versie mocht vervangen. Muziekhistorici die (terecht) beweerden dat de gregoriaanse gezangen met een vrij ritme de Byzantijnse liturgische muziek als voorloper en voorbeeld hadden, werden tot aan het begin van deze eeuw als 'onzuiver’ betiteld, aangezien hun veronderstellingen volgens Pius X 'een smet werpen op de onmetelijke verdiensten van de heilige Gregorius de Grote’.
Tot aan het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) werden de gregoriaanse hymnen algemeen gezongen tijdens de belangrijke plechtigheden der katholieke kerk. Toen besloot het Concilie dat het toch wel erg belangrijk was dat het kerkvolk de Blijde Boodschap kon verstaan. Eeuwenlang had het volk niets begrepen van al die klanken, nu moest het dode Latijn maar eens worden geruimd. Enthousiast stortten de Hollandse katholieken zich op de eredienst in de landstaal, al dan niet gelardeerd met deuntjes op gedichten in het Nederlands van Huub Oosterhuis. Vanaf het begin was Oosterhuis bij de door Rome afgekondigde vernieuwing betrokken. Hij kon toen niet bevroeden dat het als uiterst 'achterlijk en reactionair’ beschouwde gregoriaans anno 1994 een ongekende come-back zou maken.
NA EEN ENORM dieptepunt stromen nu dus de harde kerkbanken weer vol zodra er gregoriaanse klanken te horen zijn. De kerk heeft het er toch wel een beetje moeilijk mee. Want de belangstelling geldt niet 'de mystieke viering van het bloedoffer van Christus’. Oosterhuis is niet bang dat de waanzinnige populariteit van het gregoriaans bij buitenkerkelijken het Vaticaan zal doen besluiten de klok terug te draaien: 'Kijk, die cd-tjes doen het goed. Maar binnen de liturgie functioneert het gregoriaans niet meer en hoor je het nergens op het niveau van de wekelijkse gezongen mis in de parochies, zoals dat tot de jaren zestig gebruikelijk was. Ook niet als je in Frankrijk zo'n kathedralentocht doet - daar hoor je geen gregoriaanse, maar Franse gezangen.’
Ton de la Porte, secretaris van de 27 jaar geleden in Nederland opgerichte Vereniging voor Latijnse Liturgie, noemt de toenemende belangstelling voor het gregoriaans 'een teken des tijds’. Hij ziet het meer als een rage binnen het New-Age-gebeuren. Toch kunnen de spirituele gevoelens die deze muziek oproept bij de jeugd, volgens De la Porte wel degelijk aanzetten tot een opbloei van nieuwe religiositeit: 'Jonge mensen worden door de muziek gegrepen en willen er vervolgens meer over weten.’ Onderzoek in Spanje wees uit dat zestig procent van de mensen die de succes-cd’s van de Spaanse monniken kochten tussen de zestien en vijfentwintig jaar waren.
In Nederlandse r.k.-kring wordt de wedergeboorte van het gregoriaans met enige zorg bekeken. Mevrouw Y. Snep, secretaresse van het Legioen van Maria, een religieuze lekenorganisatie met acht bidgroepen in Amsterdam, moet er niet aan denken dat zij, als trouw elke zondag ter kerke gaande moderne katholiek, 'in een onverstaanbare taal’ gregoriaans zou moeten galmen: 'Je wilt toch weten wat je zingt.’ Zij blijft oosterhuisiaans zingen, althans 'zolang Rome het niet verbiedt’.
Volgens Huub Oosterhuis zelf is er binnen de katholieke kerk 'wel wat minder agressie tegen de overgeleverde liturgische vormen dan in de jaren zestig, toen het gregoriaans werd geassocieerd met dogmatiek’. Hij vraagt zich af of het uberhaupt binnen de kerk wel tot een wedergeboorte van deze muziek kan komen: 'Het gregoriaans is veel te moeilijk.’
Inmiddels bleek tijdens het Gregoriaanse Festival in mei van dit jaar in Belgie dat de liefhebbers van gregoriaanse muziek zich in twee kampen hebben opgesplitst, met elk een verschillende zienswijze over hoe de uitvoering dient plaats te vinden. Er zijn voor- en tegenstanders van het onder redactie van de monniken van Solesmes gestandaardiseerde gregoriaans. De afgelopen eeuw is er heel wat onderzoek verricht, en de kerkelijk geautoriseerde vorm die tot het Tweede Vaticaans Concilie werd gepropageerd, wordt door een deel van de nieuwe gregorianen als 'achterhaald’ beschouwd. Ook de opnames van de Spaanse monniken worden door een aantal kenners 'gedateerd’ genoemd.
Het zal de nieuwe gregorianen van de house-parties een zorg zijn. Echte 'Greggies’ vinden Malcolm X-petten gedateerd en tooien het hoofd met het allernieuwste op cultgebied: de Pius X-pet.