De godfathers der oecumene

De nieuwe herders

De grappenmakers onder de vaag-vermoeden-christenen hebben Nico ter Linden, de serieuzen moeten het doen met Huub Oosterhuis, die deze week de Oecumeneprijs van de Raad van Kerken ontving. Maar is God zelf ook in goede handen bij de Snip & Snap van het Nederlandse christendom? Profiel van de ‘godfathers’ der oecumene.

ZE HEBBEN honderdduizenden lezers, gelovig of weifelend, maar in elk geval zeer door hen bevangen. En ze zijn absoluut de meest productieve auteurs van de vooruitstrevende bible belt in ons land. De ex-priester bracht eind verleden jaar In den beginne uit en in maart verschijnt alweer het tweede deel van zijn bijbelbewerking En dit zijn de namen (het boek Exodus). Verder is hij vooral bekend van zijn talloze liedboeken en liederenbundels waaruit gelovigen van Dordtse en roomse huize broederlijk getuigen. Zijn collega in de Heer ligt enkele straatlengtes op hem voor in bijbelse productiviteit. Van diens eigentijdse bijbelvertelling Het verhaal gaat… zijn inmiddels al drie delen uit. De schrijver ervan, dominee Nico ter Linden, heeft net als zijn collega-in-God Huub Oosterhuis tientallen boeken en boekjes op zijn naam staan, voornamelijk preekbundeltjes en zomaar wat verzamelde gedachten over die Ene.


Samen vormen de voormalig jezuïet Oosterhuis en de hervormde predikant Ter Linden het hart van de moderne kerk. Sinds hun optreden kan het oude gezegde ‘De Reformatie en Rome op één kussen, daar slaapt de duivel tussen’, naar de schroothoop. Want zie, niet het bokkenpotige kereltje met horens op zijn kop ligt op dat kussen, maar God zelf, die fluistert: ‘Toe maar schatjes, we zijn tenslotte samen op weg.’ Dat blijkt in de kerken waar men vooral elkaar ‘in het anders zijn’ wil ‘verstaan’ en ‘omarmen’, en waar men als het even kan gezamenlijk brood breekt en deelt.


Het mooist is natuurlijk als dat gebeurt in het bijzijn van hoogwaardigheidsbekleders. Zoals die ene keer toen prins Maurits, zijn ega Marilène, prinses Juliana en Pieter van Vollenhoven brood en wijn deelden onder aanvoering van een katholieke priester én dominee Ter Linden. De God van Oosterhuis en Ter Linden heeft immers net zulke behoefte aan koninklijke goedkeuring als indertijd de God van kardinaal De Jong en nog vroeger die van Abraham Kuyper. Vandaar ook dat ze wel eens samen optreden voor de koningin. Bijvoorbeeld bij het 25-jarige huwelijk van Beatrix en Claus. De ex-priester schonk de majesteit toen een lied vol hermetische nonsens en taalkundige enormiteiten als ‘die ene die wij zijn en anders geen die anderen die wij nog mogen worden’. Van de dominee kreeg het koningspaar een preek bij psalm 90, waarvan hij hoopte dat de ‘donkere woorden’ de vorstin niet van de wijs zouden brengen.



OOSTERHUIS EN Ter Linden zijn niet alleen godfathers van de oecumene, ze delen ook een reputatie: die van religieuze handelsreiziger. Oosterhuis is meermalen vergeleken met Willy Alfredo. Net als deze voormalige sneldichter zou hij volgens beproefd ‘roept u maar’-recept de aanvragers bedienen van versjes en rijmpjes voor hun ongemakken. Hij is ook de James Last van de rooms-katholieke kerk genoemd. Ter Lindens carrière als makelaar van God is nog wat recenter, maar ook hij kan bogen op een imposant aantal nicknames: ‘de ideale dominee Gremdaat, zij het onder aftrek van de wat vileine en hypocriete trekken’, schrijft Jan Blokker. Andere geuzennamen voor Ter Linden zijn: de André Rieu van de kansel, de Appie Baantjer van de bijbel en de Emile Ratelband van het Oude Testament. Maar niemand is zo ongenadig geweest voor het popie-Jopie-type godsverkondiger als de Winterswijkse Portugees Gerrit Komrij. Over de godsdienstige verzen van Oosterhuis schrijft hij in een roes van Achterhoekse, boerse eerlijkheid en Zuid-Europees venijn: ‘Ja hij! De copywriter van de Firma Christus & Co’, die ‘jezuïtisch uitgekookt de parochie in de maling neemt. Bij hem kan men waarlijk spreken van een disneyficatie van de poëzie.’ Ook Ter Lindens schrijverij mag zich verheugen in de aandacht van een kenner, te weten Maarten ’t Hart. Ter Linden, concludeert de schriftuurlijk grootgebrachte auteur, schrijft in het spoor van ‘die afzichtelijke Groot Nieuws Bijbel’. ’t Hart meent: als de Schrift ‘zo verdund, verziekt, verwaterd, uitgehold, als een aanlokkelijk slagroomtaartje opgediend wordt in dit knusse en tegelijkertijd o zo behaagzieke koetjes- en kalfjesproza, draait je maag ervan om’.


Gevoelige, sensibele naturen zouden na deze eigentijdse scheldkritieken gezwegen hebben of op zijn minst onder de tafel zijn gekropen tot de ergste storm over was. Zo niet Oosterhuis en Ter Linden. Zij gaan onverdroten voort. Wat de heren critici ook mogen zeggen, Oosterhuis en Ter Linden weten de geschiedenis, God en de massa van vaag-vermoeden-christenen aan hun zijde. Althans in ons kleine landje aan de Noordzee.


Om met de geschiedenis te beginnen. In 1943 schreef Simon Vestdijk zijn Toekomst der religie. Vestdijk gelooft niet dat de godsdienst geheel zal verdwijnen, wel zal zij fundamenteel van karakter veranderen. Het metafysische type — zeg maar met God hoog in de hemel en de mens beneden op aarde naar Hem opkijkend — heeft zijns inziens zijn langste tijd gehad. Heel anders is het gesteld met de twee overige types: het sociale, dat een natuurlijk volmaakte mensheid moet opleveren, net als het socialisme; en zoals Vestdijk het noemt, het ‘mystiek-introspectieve’, waarbij de sterveling, in hoogsteigen persoon, volmaakt moet worden en dus veel aan zijn zelf moet sleutelen. Eindpunt van Vestdijks religieuze visioen is één ondogmatische wereldgodsdienst, een soort best of Vishnu, Krishna, Boeddha, Mozes, Jezus en Mohammed.


Bijna zestig jaar later is één ding duidelijk: de kerk van Luther, Calvijn en de paus bevindt zich in Nederland en in enkele omringende Europese landen halverwege Vestdijks religieuze utopie. Al proberen Antoine Bodar en kardinaal Simonis de God van het kerststalletje, het Blasiusteken en het askruisje overeind te houden, het zal niet baten. En ook de God van de geheiligde zondagsrust is alleen nog te vinden in uithoeken waar Gereformeerde Bonders hun huis en haard afschermen van de wereld. De religie van nu zal sociaal zijn of ze zal niet zijn — denk maar aan het steel-maar-een-brood-dogma van bisschop Muskens — en ook moet ze een hoog geestelijk zelfhulpgehalte hebben. Er zijn zelfs godsdienaren die alvast een voorschot nemen op Vestdijks eindideaal. De priester en ex-PPR-man Herman Verbeek sprak bijvoorbeeld nog niet zo heel lang geleden de profetische woorden: ‘Alleen als het christendom zichzelf verliest, zal het zichzelf vinden. Wat zal resten is een christendom zonder de goden (!!!) van het christendom.’



HOE HET OOK zij, het solidaire en het therapeutische christendom is in betrouwbare handen bij Oosterhuis en Ter Linden. Oosterhuis, de meest radicale van de twee, voldoet exact aan de eis die G.H. ter Schegget in de jaren zeventig aan mannen van God stelde. Ze moesten, vond deze voorman van Christenen voor het socialisme, kiezen voor het ‘partijgangerschap van de armen’. Heel vaak heeft Oosterhuis het over ‘bevrijding’, over ‘de nieuwe aarde’ en ‘de nieuwe mens’. Het gaat, vindt hij, ‘om gehoorzaamheid aan de storende stem, die niet vraagt: waar is je zelf, maar waar is je broer?’ En natuurlijk heeft de voormalig soldaat van de paus, zoals een jezuïet ook wel wordt genoemd, de daad bij het woord gevoegd, want activisme is in zijn orde even gewoon als in de voormalige CPN. Oosterhuis richtte derhalve het politiek vormingscentrum De Populier op. En nadat dit was opgegaan in De Balie kwam hij met het centrum De Rode Hoed. Vanuit deze voormalige Amsterdamse schuilkerk geeft hij nu alweer bijna tien jaar maatschappijleer en godsdienstles aan Nederland.


Ter Linden is bescheidener als het om het engagement gaat. Maar ook in zijn bijbelbewerking en zijn preekboekjes is maatschappelijke relevantie allesbehalve een vies woord. En zijn Westerkerk, waar hij tot voor kort dominee was, is toch ook een beetje de kerk van de zwervers, de ronddolenden die van oudsher de christelijke burger confronteren met zijn sociale geweten.


Met het werken aan het zelf van de christenbroeder- en zuster is het ook dik in orde. Neem bijvoorbeeld de volgende militante vuistregels van voormalig paussoldaat Oosterhuis: ‘Wie zichzelf als een klungel ziet, geeft zich gewonnen aan het systeem. Je wordt bevrijd als je analyseert wat je doet en wat je niet doet, wat je weigert en wat niet, hoe je functioneert in een proces van noodzakelijke verandering.’


De dominee zegt het wat luchtiger en vrijblijvender, maar eigenlijk komt het op hetzelfde neer: ‘Je moet weten wie je zelf bent; pas als je je eigen dingen een beetje op een rij hebt, kun je anderen dienen.’ Voor wie het nog niet duidelijk is: de vervolmaking van het zelf staat bij beiden in dienst van de Ander, de Broeder en Zuster die God naar de zijlijn verwijst. En God? Is Hij om met Ter Linden te spreken ‘onder de pannen’ bij zijn nieuwe herders? Zal God tevreden zijn over de twee? Eerlijk gezegd lijken de ex-priester en de dominee daar geen boodschap aan te hebben. De God die het tweeduizend jaar op een akkoordje heeft gegooid met schijnheilige pausen en Fürstenknechten als Luther moet nu maar eens aan hun kant staan. Bovendien, wie en wat is God eigenlijk? ‘We hebben uit de Schrift geleerd’, aldus Oosterhuis, ‘dat alles wat de wereld God noemt niet-God is. En dat niet-God is dan weer God.’ En niet toevallig is het motto van zijn Abel Herzberglezing: ‘Vertrouw je toe aan het verhaal van de Enige, als hij al bestaat.’ Ter Linden op zijn beurt is minstens even onzeker over de Ene. Volgens de filosoof Van Peursen bestaat God niet in de boeken van Ter Linden. Hij is een mysterieus symbool, of in het Bargoens van de dominee zelf: een relationele waarheid.


De belangrijkste ontdekking van de twee is natuurlijk dat God in elk geval niet de Vent is met haar op zijn tanden die we uit de bijbel kennen. Begrippen als Vader en de Almachtige zijn volgens Oosterhuis volledig achterhaald en moeten worden vervangen door termen als ontmoeting en ‘ruimte’ (ja, ook in de betekenis van elkaar de ruimte geven). Tweeduizend jaar lang heeft de wereld geleefd met een verkeerd Godsbeeld. God is op afstand gehouden door kerkvaders, pausen, prelaten en predikanten. En dat terwijl Hij zo dichtbij is. God is in jou en in je naaste, weten Oosterhuis en Ter Linden. Je kunt bij Hem op schoot zitten, net als bij Sinterklaas, en als het meezit kruipt Hij bij jou op schoot.


Of het Opperwezen gelukkig is met deze kinderlijke theologie valt te betwijfelen. Over één ding kan Hij echter tevreden zijn: hij is zo tenminste weer onder de mensen.



BLIJFT OVER DE kwestie of de vaag-vermoeden-christen goed af is met de nieuwe herders. Voor zolang het duurt, lijkt het van wel. Oosterhuis en Ter Linden worden niet moe te vertellen dat ‘de mens door’ moet. Verder moet, in de nacht. ‘Gaan waar geen weg is’, luidt de kenmerkende titel van een van Oosterhuis’ bundels. Tegelijkertijd moeten we ‘ophouden met draven’ en durven thuis te komen. Het past allemaal wonderwel bij de oosterse golf in de wereld van therapeuten en healers. Ook daar draait alles om jezelf loslaten om vervolgens jezelf weer te vinden.


Het bijbelprogramma van Oosterhuis en Ter Linden is ook echt afgestemd op de weifelchristenen en op de onwetenden die Hem wel willen leren kennen, maar die daartoe — in Ter Lindens taal — ‘de tools’ niet krijgen aangereikt. Oosterhuis formuleert zijn doelstelling in zwaar ideologisch jargon: hij wil mensen laten zien ‘hoe ze ingepakt en afgeschermd worden van het verhaal’. Ter Linden wil eenvoudigweg de mensen het Boek dat ze hebben verloren — ‘uitgeleend of weggegooid’ — teruggeven. Zelf noemt hij zijn hervertelling van de Schrift een ‘kinderbijbel voor volwassenen’.


Inmiddels zijn beiden een eind op weg met hun project. Oosterhuis, zoveel is nu wel duidelijk, werkt aan een marxistische bijbel. In zijn bewerking van Genesis komen we bij de slang de vrije markt al tegen. De Hebreeën zijn mensen met wie de gevestigde orde doet wat ze wil. Abraham blijkt te leven in een cultuur van gelijkschakeling en onderdrukking. En zo verder, en zo voort. Geheel in overeenstemming met de goede oude paapse gewoonte de gelovige de Schrift niet toe te vertrouwen, waarschuwt Oosterhuis voor eenzame studie. ‘Je komt op verkeerde gedachten’, zegt hij, ‘als je het (boek) niet leest in een leerhuis’ — dat is in een school met den bijbel onder leiding van Oosterhuis of een van zijn volgelingen.


Bij Ter Linden gaat het er allemaal wat frivoler aan toe. Maar hij maakt van de bijbel dan ook een peuterboek. Neem bijvoorbeeld zijn versie van de mislukte poging van de echtgenote van de farao om Jozef te verleiden. ‘Help! Help! Ik word aangerand’, laat hij de afgewezen, sluwe vrouw roepen. Daarna volgt de uitleg van de dominee. Het gebeurde is volgens hem een treffend voorbeeld van ‘seksuele intimidatie op de Egyptische werkvloer’. ‘Mevrouw Potifar’, vervolgt de herverteller, ‘zet het op een schreeuwen, want wie niet geschreeuwd heeft, wordt niet geacht te zijn aangerand.’ Nog bonter maakt Ter Linden het bij zijn beschrijving van Jozefs visioen over het beloofde land, vlak voor zijn sterven: ‘Witte zwanen, zwarte zwanen, wie gaat er mee naar Kanaän varen?’



En zo bedienen de Snip & Snap van het Nederlandse christendom de specifieke doelgroepen die zich nog tot God aangetrokken voelen. Oosterhuis, de wat zwaar op de hand zijnde juffrouw Snap, spreekt alle maatschappelijk geëngageerden en ontheemden aan. Ter Linden speelt ondertussen voor juffrouw Snip, en nodigt zo de meer onbezorgde types uit zich ook maar eens tot God te wenden, want heus, het is niet zo’n stijve Gast als altijd is gedacht.


Grote verliezers bij dit alles zijn natuurlijk Rome en Genève, en de liefhebbers van de bijbel als onheilslectuur. Niemand weet of de opperbazen van de calvinistische wereldkerk kennis hebben genomen van het verschijnsel Ter Linden. De katholieke plaatsvervanger van Christus op aarde daarentegen beseft maar al te goed wie Oosterhuis is — daar zorgen zijn verklikkers wel voor. Wat Johannes Paulus II voelt bij het horen van de naam Oosterhuis, is een goed bewaard geheim. Wel bekend is de reactie van een van zijn voorgangers, paus Paulus VI. Deze kon de ontmoeting met de voormalige jezuïet niet aan.


Der Pabst hat geweint, meldde na het bezoek van Oosterhuis een Duitse pater.