Tussen oud en nieuw kolonialisme

De nieuwe heren van de thee

De vroegere «heren van de thee» maken een comeback op Java. Een van hen, de illustere Karel Holle, kreeg onlangs zelfs een nieuw monument. Zijn nazaten waren bij de inauguratie. Een reportage op het snijvlak tussen het oude kolonialisme en het nieuwe.

De slechthorende tolk Sutisna Supriadinata glundert. Voor het eerst in dertig jaar kan hij Nederlands praten met echte Nederlanders. Die staan, gewapend met dure videocams en handige fototoestellen, gerokt dan wel kortgebroekt tussen enkele van de ontelbare tinten groen van West-Java. Een dame in het gezelschap informeert bij Supriadinata naar de mogelijkheid om te tennissen. Een ander fotografeert twee geduldig poserende theepluksters onder enkele forse palmen. Daarachter glooit het Preanger land, zo ver het oog reikt een labyrint van lichtgroene theestruiken, met daartussen enkele ranke «signaalbomen».

Het zijn keurige toeristen, deze nakomelingen van Hollanders die hier in de negentiende eeuw enkele uiterst winstgevende thee ondernemingen begonnen. Aan een negatief reisadvies met het oog op de onrust rond het gedwongen vertrek van president Wahid laten zij zich niets gelegen liggen. De bloedband verloochent zich niet. Het gezelschap is hier in het prachtige, bergachtige gebied ten oosten van Bandoeng aanwezig om de onthulling van een monument ter ere van Karel Frederik Holle, de eerste Nederlander die hier «woeste gronden» huurde ter exploitatie van een theeplantage, luister bij te zetten.

Op elke plantage wachten de nazaten van Karel Holle grootse welkomstceremoniën, met dans en gamelanmuziek. Als volleerde Bill Clintons schudden zij honderden handen, of zwaaien ze majesteitelijk naar de nabijgelegen kampongs. De door nostalgie verteerde, gepensioneerde Supriadinata houdt zijn ogen ternauwernood droog. In deze mensen heeft hij een tastbare herinnering aan de mensen die hem meer dan veertig jaar terug een westerse opleiding en een bevoorrechte positie gaven. Hij verlangt nog dagelijks terug naar die tijd, en vooral naar mijnheer De Groot, zijn toenmalige chef op de rubberplantage. «Ik mis mijnheer de Groot nog elke dag», zegt hij. Nadat De Groot bij de nationalisaties van 1958 werd gedwongen het land te verlaten, werd Supriadinata tot tapper gedegradeerd. In de eerste jaren die volgden werd hij zelfs gepest. Sindsdien voelt hij zich miskend in zijn vernieuwde vaderland, alle zelfbeschikking ten spijt. Op de vraag of hij ooit in Nederland is geweest, antwoordt hij, immer goedlachs en in perfect Nederlands: «Jazeker. In mijn dromen.»

Over het vervlogen tijdperk van de Hollandse plantagehouders van Preanger schreef Hella Haasse — op basis van de bewaard gebleven brieven van Karel Holle — de historische roman De heren van de thee, waarvan er honderdduizenden in binnen- en buitenland zijn verkocht (het boek is inmiddels aan de 48ste druk toe). In de roman laat Haasse een gerepatrieerde, steenrijke oude planter over Holle zeggen: «Dat hij zich kleedt en gedraagt als een islamiet (…) en zich compleet vereenzelvigt met de bevolking… dat vind ik verkeerd. In de Preanger noemen ze hem nu al Said Mohammed Ben Holle.»

Toch genoot Karel Holle bij veel anderen, in Indië en daarbuiten, groot aanzien. Hij was een van de schaarse Nederlanders in het Indonesië van de negentiende eeuw die niet zorgvuldig de uit Europa meegebrachte zeden en gebruiken in stand hielden. Mede daarom is hij zonder twijfel de belangwekkendste en meest eigenzinnige van de «heren van de thee», al speelt hij maar een bescheiden rol in de roman. Uit de brieven van Holle blijkt dat zijn invloed enorm was. Hij «kende ’s lands wijs», zoals men in Nederlands Indië zei. En drie jaar na zijn dood werd deze «profeet van de Preanger» geëerd met een monument, midden op de aloun-aloun, oftewel het centrale plein van het provinciestadje Garoet. Het monument, een vrij wanstaltige obelisk, droeg een bronzen portret, waaronder het opschrift viel te lezen: «Vriend van den landman», de titel van het tijdschrift over landbouw, veeteelt en boomkwekerij dat Holle had opgericht en dat hij doorgaans in zijn eentje volschreef.

Het monument verdween in 1942, toen de Japanners verordonneerden dat alle aan Nederlanders gewijde monumenten moesten worden vernietigd. Toch ging in Garoet lange tijd het verhaal dat de obelisk niet was verwoest, maar simpelweg begraven. Het medaillon met het portret van Holle zou bij iemand in huis hangen. Gedurende een eerdere reis naar de Preanger, waarover Jan Blokker en Ad ’s Gravesande een televisiedocumentaire maakten, bleek dat de nazaten hartelijk en gastvrij werden ontvangen — als waren ze niet de kinderen, maar de reïncarnaties van de oude theeheren. Dat schonk genoeg moed om aan de nieuwe theeheren te vragen of er kon worden gezocht naar restanten van het oude beeld. De ene brief volgde op de andere, maar aanvankelijk gebeurde er niets. Was het monument al niet direct in 1942 vernietigd, dan waarschijnlijk wel in 1960, toen op de fundamenten van het oude monument een beeld ter ere van de Siliwangi-divisie werd geplaatst, een andersoortige vriend van de landman.

Intermediair bij de toenaderingen tussen nakomelingen en de directie van de genationaliseerde theeondernemingen was de heer Kuswandi, gepensioneerd directiesecretaris. Hij moet tijdens de vorige reis, toen nog in functie en verantwoordelijk voor de bezoekers, een klap van de Hollandse molen hebben gekregen. Zijn leven staat sindsdien in het teken van de theejonkers. Zijn huis in de dessa, tussen de prachtig groene sawa’s van West-Java, heeft hij omgebouwd tot een Holle-museum. Op een gigantische gifgroene, gipsen teletubbie na heeft alles er met Holle van doen. Aan de muur hangen de artikelen die hij de afgelopen jaren over de oude planter schreef. De landbouwtechnische innovaties van de Hollander worden gedemonstreerd in de sawa vlak achter zijn huis. En de bamboe replica’s van het oude Holle-monument zijn voor de verkoop.

Namens de nazaten opperde Kuswandi bij zijn voormalige bazen de mogelijkheid van een nieuw monument. Weliswaar was Holle destijds een buitenlandse overheerser, hij had ook onmiskenbaar bijgedragen aan de culturele en economische ontwikkeling van het land dat zich thans Indonesië noemt. Kuswandi beschrijft in zijn artikelen hoe Holle, geheel tegen de gewoonten van de kolonisator in, zich intensief verdiepte in de cultuur van zijn nieuwe land; dat hij vloeiend Soendanees sprak, de koran van binnen en buiten kende en hoe hij een pionierspositie had verworven in de bestudering van allerhande oud-Javaanse teksten. Bovendien had hij een school laten bouwen op zijn onderneming en was hij betrokken bij de oprichting van een «kweekschool voor inlandse onderwijzers».

De Indonesische theebazen stemden in met een nieuw monument ter ere van Karel Holle, mits de Hollanders zelf betaalden. Zij konden hun Holle-monument krijgen, niet op de oude plek, maar wel op Gisaruni-Cikajan, een van de twee theeondernemingen die Karel Holle in de negentiende eeuw leidde. Het initiatief, zo werd afgesproken, lag bij Indonesië, al kwam het geld uit Nederland.

Alhoewel ze niet onbemiddeld zijn, beschikken de nazaten vandaag de dag niet meer over de gigantische sommen geld van weleer. Op één lid na, de grootindustrieel baron Gualtherus «Guup» Kraijenhoff, de kleurrijkste van het stel, die zijn rijkdom vergaarde in de tweede helft van de twintigste eeuw. De aimabele oud-Engelandvaarder en voormalig directeur van Akzo-Nobel, uiterlijk een kruising tussen Toon Hermans en Freddie Heineken, stapt op hoge leeftijd en met een stijf been — erfenis uit zijn RAF-tijd — trots en intens tevreden door het land dat ooit zijn voorvaderen toebehoorde. Hij betaalt het leeuwendeel van het benodigde geld en vindt zijn dochter, een in Blaricum gevestigd beeldend kunstenaar, bereid belangeloos een weergave te maken van het verdwenen bronzen portret van Karel Holle. Alles komt rond, en tijdens de reis wordt Kraijenhoff niet moe te vertellen dat het de eerste keer is sinds de politionele acties dat een Nederlander wordt geëerd met een monument. En: «Let wel: op initiatief van de Indonesiërs!»

Maar verdient Karel Holle een monument? Enkele jaren geleden verscheen in een Javaans dagblad een artikel met de veelzeggende titel: «Wie kent mijnheer Holle van Garoet nog?» Het antwoord komt van de kenner van Soendanese poëzie Tom van den Berge, die in zijn voortreffelijke biografie van Holle (Prometheus, 1998) schreef: «Een enkeling in Garoet weet nog wel van de obelisk, maar niemand kent Holle meer.» Maar volgens Van den Berge maakt dat de verdiensten van de man er niet minder om. En hij legt omstandig uit wat Holle bijzonder maakte.

Ten eerste was dat zijn levenslange vriendschap met de zeven jaar oudere islamitische geestelijk leider, de hoofdpanghoeloe van Garoet, Raden Hadji Moehamed Moesa. Al besloeg het Nederlandse aandeel van de totale Indische bevolking in de eeuwen dat Holland er heerste nooit meer dan 0,04 procent, toch gebeurde het zelden dat iemand uit de relatief kleine Nederlandse gemeenschap vriendschap sloot met een volbloed inlander. Op voet van gelijkheid bestreden Holle en zijn boezemvriend Moesa het oprukkende islamitische fundamentalisme. Ook reisden zij het hele eiland af om honderdduizenden boeren onderricht te geven in de «methode-Holle», de grootste gift van de planter aan de voormalige kolonie. Holle had ontdekt dat één sawa meer rijst oplevert als de rijstzaden, de zogenaamde padie, verder uit elkaar worden geplant. Tegenwoordig is overal op Java, in de ontelbare sawa’s, onmiskenbaar eenzelfde patroon te herkennen, met de vaste, door Holle vastgestelde afstanden tussen de rijstplantjes.

De levenslange vriendschap met Moesa maakt Holle bijzonder, maar wat hem uniek maakt, is dat hij niet alleen omging met regenten, panghoeloes en boeren rond Garoet, maar tegelijk ook een goede relatie onderhield met het koloniale gezag, en toegang had tot de gouverneur-generaal in Buitenzorg. De regering verleende hem van 1871 tot zijn dood in 1896 zelfs de titel van «adviseur honorair voor inlandse zaken». Het gouvernement nam geen belangrijke beslissing zonder de honorair adviseur om zijn mening te vragen. Holle weigerde het residentschap van de Preanger, maar koesterde dit adviseurschap; hij schreef honderden adviezen aan het gouvernement.

Thee was minder belangrijk voor hem. Terwijl de andere heren van de thee goed boerden, ging de onderneming van pionier Holle uiteindelijk failliet. Van de tweehonderd publicaties die Holle op zijn naam heeft staan, gaat er maar één over thee. De andere betreffen uiteenlopende onderwerpen als Soendanese spreekwoorden, de teelt van zoetwatervis en de corrumperende werking van het door hem verfoeide cultuurstelsel. In één artikel toont hij een uitzonderlijk vooruitziende blik door te waarschuwen voor klimaatveranderingen ten gevolge van grootschalige boskap. Maar het belangrijkst vond Holle de houding die men aannam ten aanzien van de inlander. In 1869 schreef hij in een brief: «Ook houd ik mij niet zoo bijzonder met de thee bezig, maar leg mij sedert jaren toe op eene goede behandeling van de inlander, om zoodoende door praktische bijdragen mede te werken tot oplossing van het koloniale vraagstuk, dat er hoe langer hoe ingewikkelder op schijnt te zullen worden, ofschoon het eigenlijk toch zoo doodeenvoudig is.»

Het koloniale vraagstuk was «doodeenvoudig»: als de Nederlanders zich net als hij opstelden als «vriend van den landman» zouden extreme vormen van islamitisch geloof geen aantrekkingskracht meer uitoefenen op inlanders en zouden ze tot het inzicht komen dat de aanwezigheid van de Nederlanders welvaart en welzijn brengt. Want: «De inlander is noch een aap, noch idioot en bij goede leiding leerzaam en leidzaam genoeg.» Maar hij beaamde ook de door menige reiziger en kolonist vastgestelde «domheid» van de Preanger bevolking. En niet-inheemse hoofden die zich niet genoeg voor zijn ideeën inzetten, noemde hij «uilskuikens».

In zijn artikelen, waarvan Busken Huet de stijl beschreef als «ernstig, gemoedelijk en vaderlijk», sprak hij over de Javanen als over kinderen die je niet aan hun lot kunt overlaten. Men had de plicht het lot te verbeteren «van de om hunnen domheid, zoo beklagenswaardige Soendanezen». Met Europese hulp zou de inlander zich «een gunstiger oordeel laten afdwingen». Een beter leven lag hem in het verschiet zodra de «wetenschap, de redelijkheid, het vernuft en de vlijt» van «den Europeaan» de plaats zouden innemen van «wonderdokters» en «toovermiddelen». Net als alle andere planters geloofde Holle rotsvast in de suprematie van het Westen. Het grote verschil met zijn collegae was dat Holle de inlanders westerse verworvenheden niet wilde ontzeggen. Zo gaf hij alle zestien kinderen van zijn vriend Moesa een Europese opleiding. Hoe weinig revolutionair of zelfs verdienstelijk deze houding nu ook lijkt, in de negentiende eeuw, nog vóór de zogeheten «ethische richting», was ze ronduit «progressief».

Tijdens de vele gezamenlijke, copieuze rijsttafels is politiek geen belangrijk gespreksonderwerp. Zo is van de dan spelende machtswisseling aan Indonesië’s politieke top niets te merken, behalve dat er op een dag, tijdens de zoveelste officiële ceremonie, een lege plek op de muur opvalt, naast een foto van Sukarnoputri Megawati. Navraag leert dat Wahid enkele uren eerder naar Amerika is vertrokken voor een «medical check-up». Ook de geest van het vroegere Hollandse kolonialisme zit veilig in de fles. De Indonesiërs die de groep omringen zijn ook niet de best toegeruste mensen om de bezoekers een ongemakkelijk gevoel over ’s lands koloniale geschiedenis te geven. Kuswandi is in de ban van Holle, Supriadinata droomt van Holland en ook de verschillende directeuren die voorbijtrekken, geven uitgebreid blijk van hun bewondering voor de «heren van de thee». Zij identificeren zich soms zelfs met hun Nederlandse voorgangers.

Pas in de speeches die voorafgaan aan de onthulling van het monument is iets merkbaar van een gevoelige relatie tussen Nederland en de inmiddels meer dan vijftig jaar geleden onafhankelijk geworden Indonesische staat. Eén van de topmensen van het theebedrijf zegt in zijn toespraak: «Wij eren iedereen die iets voor dit land heeft gedaan, speciaal degenen die gevochten hebben voor de onafhankelijkheid van this great nation.» Dat laatste heeft Holle zeker niet, en daarvan is de spreker zich bewust. Toch laat hij ruimte voor Holle-bewondering, want hij zegt ook, meer in het algemeen: «Noble deeds should be respected accordingly.»

Er komen opvallend weinig Indonesiërs naar de onthulling van het spiksplinternieuwe monument voor Karel Holle. In relatief besloten kring zaaiden de nazaten uit Holland kleine, uit Taiwan overgebrachte macadamiaboompjes op het grasveldje vlak voor de sokkel. De nieuwe Indonesische thee heren hebben de kantjes er niet van afgelopen: het monument, maar ook de sokkel en opgang zijn tot in de puntjes verzorgd. Wel lijkt de oude Holle te worden gestraft voor zijn strijd tegen het moslimfundamentalisme: pal tegenover zijn bronzen aangezicht staat de microfoon van de moskee. Tot in lengte van jaren zal hij vijf keer per dag het islamitisch gebed moeten aanhoren.

De straf is begrijpelijk, want ondanks zijn «noble deeds» was hij zo bang voor het islamitisch fundamentalisme en de revolutionaire werking ervan dat hij met grote ijver «bedenkelijke passages» uit inheemse teksten wegsneed of verving. Zelfs in onschuldig ogende wajangverhalen vermoedde hij explosief materiaal. Ook wilde hij een verbod op uitgave van de biografie van Raffles, de legendarische Engelsman die de Borobodur ontdekte. Daarin werd immers de «haat tegen de Hollanders niet onder stoelen of banken gestoken» en er werd «met een zekere wellust verhaald» over de wandaden en beestachtigheid van de Nederlandse bezetter. Daarnaast probeerde hij alle boven natuurlijkheid uit de inheemse geschriften te weren. Een forse opgave, die de Javanen met weinig eigen teksten achterliet. Hollandse Soenda-kenners klaagden wel over Holle’s censuurdrift, maar Holle achtte hun «onnoodig liberalisme» niet in het belang van de kolonie, en met steun van het gouvernement zette hij daar zijn eigen «nuttig vandalisme» tegenover.

De huidige generatie theeheren vergeeft het hem graag. Zij zien het monument en de reis van de nazaten als een «promotional tool» voor het zogenaamde «agrotoerisme». Op sommige plantages vormen de revenuen uit de opvang en het rondleiden van westerse toeristen al dertig procent van de totale inkomsten. De directie, zo zegt één van hen, ziet de groep nazaten van Holle als uithangbord («promotional flag») voor een ontluikende toerisme-industrie. Daarom heeft de directie zelf voor fotografen gezorgd. Waarschijnlijk ten onrechte, want het gebied lijkt die nazaten exclusief toe te behoren. Voor busladingen toeristen zullen zij niet zorgen.

Supriadinata zal het een zorg zijn wat de eigenlijke drijfveren achter alle inspanningen zijn. Voor hem kan het verblijf van de Hollanders niet lang genoeg duren. Na de groepsreis toont hij met plezier nog enkele plekken in Bandoeng waar mijnheer De Groot hem vroeger mee naartoe nam. («Mijnheer De Groot liet me als enige voor in de auto zitten, want ik wist hoe je netjes moest zitten.») Midden tussen de kleine warungs en «stempelstandjes» laat Supriadinata een oud koloniaal café in Haagse stijl zien. Hij weet nog precies hoe spannend het was dat mijnheer De Groot hem toestond met hem op het destijds volledig door Nederlanders bezette terras te gaan zitten. Vol opwinding: «Ik nam creamer, maar wist absoluut niet wat dat was!» Op vragen over de huidige politieke situatie van Indonesië reageert hij slechts flauwtjes. Is hij van de Golkar-partij, stemde hij op Megawati’s pdi-p? Misplaatste vragen, vindt hij. «Mijnheer Pieter, mijn hart is rood-wit-blauw.»