De nieuwe inquisitie

Dit is een verkorte versie van ‘The Slave Trade and the Jews’, dat verscheen in The New York Review of Books van 22 december 1994. Vertaling: Tinke Davids
Pestepidemieen, het kapitalisme, de communistische revolutie: het is allemaal al sinds jaar en dag de schuld van de joden. Aan dat rijtje is onlangs een nieuw verwijt toegevoegd: de joden zouden ook verantwoordelijk zijn geweest voor de slavenhandel.

DE GRUWELIJKE SLAVENHANDEL van Afrika naar de Atlantische suikereilanden en vervolgens naar het westelijk halfrond, is halverwege de vijftiende eeuw begonnen en heeft vier eeuwen lang gefloreerd. Hoewel de historici het niet eens zijn over de aantallen, lijkt het waarschijnlijk dat twaalf tot vijftien miljoen Afrikanen onder dwang uit hun land zijn weggevoerd. Miljoenen anderen zijn omgekomen bij slavenjachten in Afrika en tijdens de transporten van de binnenlanden naar slavenmarkten aan de kust.
Tot de handelaars in het Atlantische slavensysteem behoorden Arabieren, Afrikanen, Italianen, Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders, joden, Duitsers, Zweden, Fransen, Engelsen, blanke Amerikanen, Indianen en zelfs duizenden zwarten in de Nieuwe Wereld die waren vrijgelaten en zelf slavenhoudende boeren of planters waren geworden. De verantwoordelijkheid rust dus bij volkeren van allerlei aard die deelden in de enorme winsten die werden geboekt bij het eerste multinationale produktiesysteem voor een massamarkt - de produktie van suiker, tabak, koffie, verfstoffen, specerijen, katoen enzovoort.
Het is zowel opmerkelijk als verontrustend dat dit Atlantische slavensysteem voor het eind van de achttiende eeuw nauwelijks serieuze protesten heeft gewekt. De grote wereldgodsdiensten sanctioneerden sinds lang de slavernij; pausen gaven de eerste Portugese slavenhandelaars hun zegen en islamitische jihads rechtvaardigden eeuwenlang de slavernij van ontelbare ongelovigen ten zuiden van de Sahara. Op Barbados had de Church of England in de achttiende eeuw honderden slaven in bezit en nog in de jaren vijftig van de achttiende eeuw waren tal van vrome Quakers actief betrokken bij de slavenhandel. Het kleine aantal joden in de Atlantische gemeenschap accepteerde de slavernij van zwarten even vanzelfsprekend als de katholieken, moslims, lutheranen, hugenoten, calvinisten en anglicanen.
Vier eeuwen lang was de Afrikaanse slavenhandel een integraal onderdeel van de Europese expansie en kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Tot in de jaren dertig van de negentiende eeuw overtrof de aanvoer van Afrikaanse dwangarbeiders in de Nieuwe Wereld die van alle kleinere groepen blanke contractarbeiders en vrijwillige blanke immigranten. De vraag naar arbeidskrachten was bijzonder groot in de tropische en subtropische gebieden. Halverwege de achttiende eeuw bedroeg de waarde van de export naar Groot-Brittannie uit Brits West-Indie meer dan het tienvoudige van de export uit de kolonies ten noorden van de Chesapeake. Bovendien was de economie van de noordelijke kolonies in grote mate afhankelijk van de handel met de Caribische markt. Deze was op zijn beurt weer afhankelijk van de aanhoudende aanvoer van Afrikaanse arbeidskrachten, aangezien de slavenpopulatie nooit een natuurlijke groei kende.
DE PLANTERS, KOOPLIEDEN, consumenten en anderen die van dit dodelijke systeem profiteerden, hadden het geluk dat West-Afrika voorzag in een goedkope en zo te zien onbeperkte voorraad aan slaven. De zwarte Afrikanen, onderling sterk verdeeld door stammenrivaliteiten, hebben zichzelf nooit als een homogeen Afrikaans ‘ras’ beschouwd. De meeste stammen en koninkrijken ontwikkelden een grote vaardigheid in het maken van krijgsgevangenen en het ruilen van slaven voor de vurig gewenste goederen die Arabieren of Portugezen uit verre landen konden aanvoeren.
De Atlantische slavenhandel was eerst het monopolie van de Portugezen, maar trok vervolgens schepen aan uit Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannie, Denemarken, Spanje, Zweden en uit de Engelse kolonien in Amerika. Zelfs de Noordduitse Hanzesteden probeerden een graantje mee te pikken bij deze winstgevende handel. Wat was daarbij de plaats van de joden?
Om de zaak in het juiste perspectief te zien, moeten we ons realiseren dat Engeland zijn complete joodse populatie in 1290 had verbannen en dat de joodse gemeenschappen in Frankrijk praktisch verdwenen in de veertiende eeuw. De omvangrijke joodse bevolking van Spanje was in 1492 verdreven. De meesten van hen vluchtten naar Turkije en andere islamitische landen; zij die naar Portugal ontsnapten werden al spoedig gedwongen het christendom te aanvaarden. Veel van die 'nieuwe christenen’ vermengden zich met de bevolking van 'oude christenen’, al bleef de inquisitie zoeken naar sporen van geheime joodse rituelen.
Omstreeks de jaren zeventig van de zestiende eeuw, toen de suikerproduktie in Brazilie - die geheel afhankelijk was van Afrikaanse slavenarbeid - een hoogtepunt bereikte, was het jodendom als godsdienst praktisch uitgeroeid in West-Europa. De grote massa van de joodse overlevenden was geemigreerd naar Polen, Litouwen en het Osmaanse rijk. Gelovige joden mochten de Spaanse of Portugese kolonies in de Nieuwe Wereld niet bezoedelen; omstreeks 1680 werden ze ook verbannen uit Frans West-Indie, en hun aantal op het Britse eiland Barbados werd beperkt. Deze maatregelen maakten dat joden veel minder gelegenheid hadden om te participeren in het Atlantische slavensysteem. Ze verhinderden met zekerheid alle joodse 'initiatieven’, 'overheersing’ of 'controle’ in de slavenhandel. Toch leidde de aanhoudende vervolging en uitsluiting van met name de 'nieuwe christenen’ of marranen tot een wanhopige speurtocht naar nieuwe commerciele mogelijkheden in de Nieuwe Wereld - waar minder controle van de inquisitie te vrezen was - en in de opstandige Spaanse provincie Nederland.
Op dit punt moet worden benadrukt dat joden sinds lang werden gevreesd als veroorzakers van onverklaarbaar onheil. Als symbool van de antithetische Ander werden alle joden over een kam geschoren en geconcretiseerd als 'ras’ - een ras dat de Verlosser had gekruisigd, zich doof hield voor Gods woord, koningen en wereldmarkten manipuleerde, het bloed van christenkinderen dronk en, in de moderne tijd, het kwaad van zowel kapitalisme als de communistische revolutie verbreidde. En onlangs is dan de verantwoordelijkheid van joden voor de Afrikaanse slavenhandel toegevoegd aan deze lange opsomming van misdrijven.
DERGELIJKE FANTASIEEN zijn lange tijd gevoed door de prestaties van een heel klein aantal joden - mensen die geen grond mochten bezitten, niet in het leger mochten en evenmin tot de gilden en vrije beroepen werden toegelaten, maar die via hun kosmopolitische kennis en persoonlijke connecties goede toegang hadden tot handel en kredietwezen. Veel van het historische bewijsmateriaal aangaande de zogenaamde betrokkenheid van joden of nieuwe christenen bij het slavensysteem berust op vooroordeel; de Spanjaarden verweten de joodse vluchtelingen opzettelijk dat ze de Nederlandse commerciele expansie hadden gesteund ten koste van Spanje.
Tegen deze achtergrond van fantasieen over samenzweringen en collectief speuren naar zondebokken komt een selectieve speurtocht naar joodse slavenhandelaars automatisch neer op antisemitisme, tenzij men oog blijft houden voor de ruimere context en de uiterst marginale plaats van de joden in de geschiedenis van het complete slavensysteem. Het is gemakkelijk een aantal joodse slavenhandelaars aan te wijzen, maar dat wil niet zeggen dat joden een belangrijke drijfveer waren achter de uitbuiting van Afrika. Integendeel, nader onderzoek wijst uit dat dit uitzonderlijke kooplieden waren, en dat hun aantal ver achterbleef bij de duizenden katholieken en protestanten die zich verdrongen om een aandeel in de grote winsten.
Ik moet hieraan toevoegen dat een historicus die probeert na te gaan wie al dan niet een heimelijke jood was, de handelwijze van de inquisitie nadert. In het begin van de achttiende eeuw arresteerde de inquisitie een groot aantal Braziliaanse planters omdat ze marranen zouden zijn. Volgens elke moderne definitie, met uitzondering van die van de nazi’s, waren die planters geen joden. Toch beschouwen verscheidene historici dergelijke marranen als joden. Joden en joodse namen ontbreken vrijwel volledig in tekst en registers van alle wetenschappelijke boeken over de Atlantische slavenhandel en in recente monografieen over de Britse, Franse, Nederlandse en Portugese vertakkingen van de handel in slaven. Om de zogenaamde 'geheime relatie’ tussen joden en slavernij aan de kaak te stellen, hebben antisemieten zich daarom verdiept in de geschiedschrijving over de joden van Amsterdam, Brazilie en Curacao. Deze werken voorzien in materiaal dat men gemakkelijk kan verdraaien en in een misleidende context plaatsen.
Een voorbeeld: In The Secret Relationship Between Blacks and Jews, een uitgave van The Nation of Islam (1991), wordt beweerd: 'Dr. Wiznitzer zegt dat joden “domineerden in de slavenhandel”, destijds de meest lucratieve onderneming in dat deel van de wereld.’ In de voetnoot bij dit citaat wordt verwezen naar een boekbespreking van de hand van Herbert I. Bloom, waarin deze bewering op geen enkele manier wordt gesteund. De auteurs van de Nation of Islam geven niet toe dat Arnold Wiznitzer, wiens boek Jews in Colonial Brazil vaak wordt geciteerd, ook schrijft: 'Men kan niet beweren dat joden in Nederlands Brazilie een overheersende rol speelden als “senhores de engenho” ’ of suikerplanters - volgens zijn schatting vormden joden ongeveer zes procent van de planters - en al evenmin dat hij daaraan toevoegt dat historici geneigd zijn de aantallen joden in de Nederlandse kolonie Brazilie tussen 1630 en 1654 te overdrijven.
De auteurs van The Secret Relationship storten zich op de meest vergezochte verwijzingen - van Columbus tot Jean Lafitte, de in slaven handelende piraat uit New Orleans - naar een 'crypto-joodse’ identiteit. David Yulce, senator van Florida, had zijn joodse herkomst verloochend, was tot het christendom bekeerd en beweerde zelfs af te stammen van een Marokkaanse prins. Omdat Yulce echter in de Senaat fel tegen de afschaffing van de slavernij pleitte, beschouwen de auteurs van de Nation of Islam hem als jood. Dergelijke trucs passen niet direct in de normen van oprechtheid, rechtvaardigheid en 'grote gevoeligheid’ zoals ze aan het begin van het boek in een opvallend hypocriete 'Aantekening van de redacteur’ worden geformuleerd.
Verraderlijker dan de verkeerde citaten en de slordige documentatie is echter het volstrekte gebrek aan historische context. Zelfs indien elk beweerd 'feit’ in The Secret Relationship op waarheid berustte, dan nog zouden lezers die verder niets van deze kwestie weten, nooit vermoeden dat tegenover elke jood die betrokken was bij het Atlantische slavensysteem, tientallen en misschien zelfs honderden katholieken en protestanten stonden.
In werkelijkheid speelden joden geen belangrijke rol in de British Royal African Company of in de Britse slavenhandel van de achttiende eeuw, die naar verhouding verreweg de meeste Afrikanen naar de Nieuwe Wereld heeft gedeporteerd. Volgens de Nederlandse historici Pieter C. Emmer en Johannes Menne Postma speelden joden een heel beperkte en ondergeschikte rol, zelfs tijdens het hoogtepunt van de Nederlandse slavenhandel in de zeventiende eeuw: 'Ze maakten geen deel uit van de Heren X, het directoraat van de Nederlandse Westindische Compagnie. Hun investeringen bedroegen slechts een half procent van het kapitaal van deze Compagnie.’ Ik moet hieraan toevoegen dat de joodse investeringen in de Westindische Compagnie (die in slaven handelde) tussen 1658 en 1674 schijnen te zijn toegenomen tot zes of zelfs tien procent. Wanneer we bedenken dat het Nederlandse aandeel in deze handel slechts zestien procent van de handel als geheel bedroeg, blijkt hoe gering hun betrokkenheid was, en sindsdien zijn joden nooit dichter genaderd tot enige 'overheersing’ van deze schandelijke Atlantische handel.
Wanneer we verder kijken dan de eigenlijke slavenhandel, zien we dat kleine aantallen sefardische joden en marranen van wezenlijke betekenis zijn geweest voor de raffinaderij en verkoop van suiker, en dat zij er vervolgens voor hebben gezorgd dat de transatlantische handel, inclusief de slavenhandel, verschoof van Portugal naar Noord-Europa. Overal in het Middellandse-Zeegebied hadden joden zich bekwaamd in het raffineren en op de markt brengen van suiker, een produkt dat tot aan de achttiende eeuw een grote luxe was. Marranen en Italianen stonden op de voorgrond in de internationale suikerhandel van de vijftiende en zestiende eeuw. Enkelen van hen hielpen bij de vestiging van suikerplantages op Madeira en Sao Tome in de Golf van Guinea. In 1493, toen Portugal werd overstroomd met joodse vluchtelingen uit Spanje, liet de overheid hun kinderen onder dwang dopen, en veel van hen werden van hun ouders gescheiden en als kolonisten afgevoerd naar Sao Tome. De meesten van die marranenkinderen zijn omgekomen, maar enkelen brachten het tot suikerplanter, een beroep dat ze niet bepaald uit eigen beweging hadden gekozen.
De marranen die naar Brazilie trokken, brachten de technische kennis mee van ambachtslieden, voorwerkers en kooplieden. Daardoor speelden ze een leidende rol in de ontwikkeling van de industrie voor de suikerexport. Andere marranen, die met Portugese expedities meereisden naar het koninkrijk Kongo en naar Angola, specialiseerden zich in transacties voor het vervoer van slavenarbeiders. Het lijdt geen twijfel dat deze nieuwe christenen een grote bijdrage hebben geleverd aan de transformatie van Portugal tot Europa’s eerste grote leverancier van door slaven geproduceerde suiker. Door de vele gemengde huwelijken en het verlies van joodse identiteit waren de meeste marranen echter slechts 'joods’ voor zover ze kwetsbaar waren voor verdenking, vervolging en antisemitische fantasieen.
ANGST VOOR JOODSE invloed werd in sterke mate gestimuleerd door de leidende positie die marranen en gelovige joden verwierven in de handel in Portugese specerijen uit Oost-Indie en vervolgens in de suikerhandel, overal in Noord-Europa, vooral nadat ze hun toevlucht hadden gezocht bij de opstandige Nederlanders en ketterse protestanten. Hoewel gelovige joden in Nederland geen toegang hadden tot allerlei ambachten en beroepen, heerste in Nederland een klimaat van relatieve religieuze verdraagzaamheid dat de heropleving van een kleine joodse religieuze gemeenschap mogelijk maakte. Het Twaalfjarig Bestand met Spanje (dat destijds een eenheid vormde met Portugal) hielp de sefardische kooplieden in Nederland bij de uitbreiding van verschillende soorten handel met het Iberisch schiereiland, Brazilie en Afrika. Door hun kennis van de Spaanse en Portugese taal en van de bijzonderheden van het internationale geldwezen waren ze vooral in het voordeel bij de in- en verkoop van suiker. Hoewel joodse kooplieden te lijden hadden van de hervatting van de oorlog met Spanje en van de Dertigjarige Oorlog in Europa, behielden ze tijdelijk de controle op de suiker en de handel daarin. Dit mag men echter niet verwarren met controle op de Nederlandse slavenhandel. Die betrokkenheid bij de suikerhandel was grotendeels het gevolg van de verovering van Noordoost-Brazilie door Nederland in het begin van de jaren dertig van de zeventiende eeuw. Omstreeks 1645 vormden zo'n 1450 joden ongeveer de helft van de blanke burgerbevolking van Nederlands Brazilie; zij bezaten ongeveer zes procent van de suikerfabrieken. Joodse kooplieden kochten een groot deel van de slaven die door de Nederlandse Westindische Compagnie werden aangevoerd en verkochten die dan weer door aan Portugese planters. Dit leidde tot klachten over hoge prijzen en woekerrente. Enkele Amsterdamse joden betwistten het monopolie van de Westindische Compagnie en charterden eigen schepen om slaven uit Afrika over te brengen naar Brazilie of de Spaanse bezittingen in het Caribisch gebied. Omstreeks 1650, toen er een eind kwam aan de bezetting van Brazilie door de Nederlanders en de terugkeer van de Portugezen voor de deur stond, werden de joden voor de keuze gesteld tussen emigratie of dood.
Een deel van de emigranten uit Brazilie reisde in noordwestelijke richting naar de Caribische eilanden, waar ze al gauw gezelschap kregen van joodse en marraanse ondernemers uit Nederland. Er was een aantal redenen voor die toenemende belangstelling voor het Caribisch gebied. Omstreeks 1650 had het Britse eiland Barbados de overstap van tabak naar suiker gemaakt, toen een populatie van blanke contractarbeiders werd vervangen door Afrikaanse slaven en een nieuwe klasse van grote planters. In 1662 verleende Spanje een monopoliecontract aan de Nederlandse Westindische Compagnie, omdat men een niet-Portugese bron voor Afrikaanse slaven wenste voor de Spaanse kolonien in het Caribisch gebied. De belangrijkste monopoliehouder was de protestantse bankier Balthazar Coymans. Joden hadden weinig te maken met de slaventransporten van de WIC uit Afrika. Toch benoemde de koning van Spanje in 1664 don Manuel de Belmonte, een jood van Spaanse origine, tot zijn generaal agent in Amsterdam voor de voorziening in slaven. En op Curacao, dat in 1651 met hulp van marranen was gekoloniseerd, vonden joden hun belangrijkste handelspost voor de afzet van slaven en Nederlandse produkten in het gehele Caribische gebied.
Een tijdlang was Curacao het grote Caribische entrepot. Hiervandaan werd legale en illegale handel gedreven met Barbados en andere nieuwe Britse en Franse kolonien en ook met het vasteland, dat in Spaanse handen was. In de achttiende eeuw vormden joden ongeveer de helft van de bevolking van Curacao, tegenover een procent van de bevolking van de stad New York. Ze schijnen zich er voornamelijk te hebben beziggehouden met de verscheping naar de Spaanse kolonien van andere handelswaar dan slaven. In de Spaanse kolonien op het vasteland is nooit een echt plantagestelsel van de grond gekomen; de vraag naar slaven nam daar abrupt af tijdens de achttiende eeuw doordat het volslagen onmogelijk bleek te concurreren met kolonien als Jamaica, Santo Domingo en Brazilie, die het hart van het Atlantische slavensysteem vormden en hun arbeidskrachten rechtstreeks uit Afrika importeerden.
De enige kolonie waar een beduidend aantal joden als planter is opgetreden, was Suriname. De godsdienstvrijheid van de Nederlandse kolonien bood joden de ruimte om in de binnenlanden een eigen woonplaats met zelfbestuur te vestigen. Daar leidden de sefardische joden aan het eind van de zeventiende en in het begin van de achttiende eeuw het leven van suikerplanters, waarbij ze de arbeidskracht van Afrikaanse slaven uitbuitten in een van de dodelijkste en naargeestigste streken van de Nieuwe Wereld. Suriname is echter nooit een belangrijk suikerproducerend land geworden.
WAAR HET OM GAAT is niet dat enkele joodse slavenhandelaars de loop der geschiedenis hebben veranderd, want ook zonder joodse slavenhandelaars en kooplieden zou alles zo zijn gegaan. Het gaat erom dat joden zich van hun tweederangs status hebben bevrijd in een gebied dat leefde van de slavernij. Voordat ik me wend tot het ontnuchterende en somber stemmende deel van deze boodschap, moet ik er de nadruk op leggen dat het zelfs bij de Nederlandse sefardische suikerhandelaars slechts om enkele honderden gezinnen gaat. Tegen 1670 kwam er een eind aan de Nederlandse suikerhausse, en korte tijd later zou Groot-Brittannie de grootste importeur van suiker en handelaar in slaven worden. Op Barbados bevonden zich in 1680 vierenvijftig joodse gezinnen, maar dat waren geen rijke slavenhandelaars of planters; het waren in hoofdzaak kleine winkeliers en geldschieters die per huishouden minder slaven hielden (namelijk drie) dan de niet-joodse bewoners van Bridgetown.
Om de zaak nuchter te bezien moeten we bedenken dat er in 1830 in het Amerikaanse zuiden slechts 120 joden waren onder de 45.000 slavenhouders die twintig of meer slaven hielden, en slechts twintig joden onder de twaalfduizend slavenhouders met vijftig of meer slaven. Zelfs wanneer ieder lid van deze joodse slavenhoudende elite elk 714 slaven had bezeten - een lachwekkend hoog aantal in het Amerikaanse zuiden - had dat aantal slechts gelijkgestaan aan de honderdduizend slaven die in 1789 eigendom waren van zwarte en gekleurde planters op Santo Domingo, aan de vooravond van de Haitiaanse revolutie.
In werkelijkheid was het aantal slavenhoudende vrije kleurlingen in het Caribisch gebied veel groter dan het aantal slavenhoudende joden. Zelfs in Charleston, South Carolina, nam het percentage van vrije Afrikaanse Amerikanen die slaven hielden toe van een half tot drie kwart procent, naarmate men steeg op de maatschappelijke ladder. Tot de duizenden zwarte slavenhouders in het zuiden behoorden ook vrijgelatenen die enkel hun verwanten hadden opgekocht, maar er waren tevens gekleurde planters onder, vooral in Louisiana, die meer dan vijftig slaven bezaten. De verlokkingen van winst en macht overschreden alle verschillen van ras, volk en godsdienst.
Niemand hoort een goed woord over te hebben voor joden die slaven aankochten en verkochten, of die slaven dwongen suikerriet te kappen op hun plantages. Niemand hoort ook een goed woord over te hebben voor het oneindig veel grotere aantal katholieken en protestanten die het Atlantische slavensysteem hebben opgezet. En al evenmin hoort men een goed woord over te hebben voor de moslims die begonnen zijn met het transporteren van zwarte Afrikaanse slaven naar afgelegen markten, of voor de Afrikanen die misschien wel twintig miljoen andere Afrikanen aan Europese handelaars hebben verkocht. Maar al heeft het nageslacht het recht en zelfs de plicht het verleden te beoordelen, toch moeten we nadrukkelijk afwijzend staan tegenover het vaak verleidelijke geloof in een collectieve schuld.
Toch vind ik het hoogst verontrustend dat veel joden, ook de joden die de eerste synagoge op Curacao hebben gesticht, de weg naar hun eigen bevrijding en welstand hebben gevonden door deel te nemen aan een handelsstelsel dat een andere groep mensen onderwierp aan minachting, dwangarbeid en vernedering. Dat is ook een aspect van de akelige waarheid dat de Nieuwe Wereld - die werd beschouwd als een land van onbegrensde mogelijkheden, waar men de last van oude beperkingen en vooroordelen kon afwerpen - slechts mogelijk is geworden door de vrijwel volledige uitroeiing van inheemse volken en door de ontmenselijkende onderwerping van het zogeheten Afrikaanse ras.