China en de rest van de wereld

De nieuwe kleren van de keizer

De ideologie die China naar het Westen probeert te exporteren, blijkt niet zozeer ‘traditioneel Chinees’ of ‘typisch confucianistisch’, zoals China ons graag wil doen geloven. Zij wordt speciaal voor het Westen op maat gemaakt. ‘Confucius is verworden tot een hoertje.’

DE SNELLE economische en militaire groei van China maakt ons bang. We zijn bang voor een dwingend en eigenwijs China dat ‘onze’ grondstoffen opmaakt, 'onze’ wereld vervuilt, en daarbij ook nog eens geen zin heeft om zich naar 'onze’ internationale maatstaven te voegen.Wat me verbaasde tijdens mijn recente bezoek aan China is dat China zelf ook bang is geworden voor de gevoelens die het land in het Westen oproept. Want hoe sterker je wordt, hoe groter het risico dat anderen je als mogelijke vijand gaan zien. En dat wil China koste wat het kost voorkomen. Professor Jin Canrong legt het zo uit: 'De Chinese zogeheten harde macht, dat wil zeggen de economische en militaire macht die China tot zijn beschikking heeft om internationaal zijn zin af te dwingen, groeit snel. Maar dat heeft een keerzijde. Als andere landen je macht zien groeien, maar tegelijkertijd vertrouwen ze je niet, dan zullen ze je steeds minder gunnen. Dan gaan ze juist maatregelen nemen die je verdere groei belemmeren. Dat brengt uiteindelijk je land in gevaar.'Vijanden kan China zich nog steeds slecht veroorloven. China wil in alle vrijheid economisch blijven groeien, en dat gaat alleen als het buitenland China niet al te veel beperkingen oplegt. Landen moeten bereid blijven om China van grondstoffen en energie te voorzien en om Chinese producten af te nemen. Groei is nog steeds hard nodig, want zo rijk zijn de doorsnee Chinezen nog helemaal niet. Zo verdient een gemiddelde Chinees minder dan een gemiddelde Jamaicaan.Professor Jin is hoogleraar aan de Universiteit van het Volk in Peking. Dat is van oudsher een opleidingsinstituut voor toekomstige hoge ambtenaren die politiek betrouwbaar moeten zijn. Hij ontvangt me in een modern en ruim kantoor in een kolossale nieuwe kantoorflat, een van de vele op het universiteitsterrein. De boeken en artikelen liggen in stapels van een meter hoog op zijn bureau en tegen de wand. Daartussen staat, heel ouderwets, een glimmend zwarte fiets van het merk Flying Pigeon. Veel tijd om te lezen heeft hij niet, want hij treedt voortdurend op in binnen- en buitenland. Daar spreekt hij over internationale betrekkingen, zijn specialiteit.Jin onderhoudt zoals zoveel Chinese academici nauwe banden met de Chinese overheid. Tijdens ons gesprek gaat zijn telefoon. Het is een ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken die even wil overleggen over hoe ze het Chinese charmeoffensief op Brazilië het best kunnen inzetten. Jin benadrukt enthousiast het belang van een gecoördineerde aanpak door overheid en intellectuelen.Ik spreek met hem over China’s soft power. Soft power is de kracht van een land of instelling om internationaal zijn zin te krijgen, niet door anderen te dwingen, maar door overredingskracht. Die overredingskracht komt voort uit de aantrekkelijkheid van zijn gedachtegoed en cultuur. Wetenschappers en overheid in China zijn vooral de laatste vijf jaar druk bezig met het inzetten van deze soft power om het imago van China internationaal op te vijzelen. Een van de meest opvallende (en dure) acties was het kopen van advertentieruimte op Times Square in New York rondom het staatsbezoek van de Chinese president Hu Jintao aan de Verenigde Staten in het begin van dit jaar. In een filmpje van een minuut zijn beroemde Chinezen, sporters, wetenschappers, kunstenaars maar ook fotomodellen te zien die aantonen hoeveel goeds China heeft voortgebracht en hoe ver het land is gekomen.

China steekt verder veel geld in het oprichten van Confucius-instituten, naar analogie van bijvoorbeeld de Duitse Goethe-instituten. De instituten, waarvan er ook veel in ontwikkelingslanden zitten, bieden de gelegenheid om je te verdiepen in Chinese taal en cultuur. Tussen 2004 en 2010 zijn er wereldwijd meer dan driehonderd in hoog tempo geopend. Ook in Groningen en Den Haag. De instituten zijn omstreden, omdat er geen volledige academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting zouden gelden. Zo zouden onderwerpen als de positie van de dalai lama en Tibet er niet vrij bespreekbaar zijn. Daarnaast werken intellectuelen in China samen met de overheid aan het formuleren van een aan Confucius toegeschreven ideologie die het buitenland moet overtuigen van China’s goede bedoelingen met de wereld.

IS HET VOORAL de overheid die de beweging naar export van ideologie inzet? 'Het is een combinatie van intellectuelen en overheid, en het is heel nieuw’, zegt Jin. 'Vroeger had de overheid als richtlijn juist: geen export van ideeën.’ Dat is pas in 2005 echt veranderd, toen president Hu Jintao de Verenigde Naties toesprak over zijn ideeën voor een harmonieuze maatschappij en een harmonieuze wereld. Bij het laatste wees Hu op het belang van een multilaterale wereld, waar zaken via overleg en niet via strijd opgelost moeten worden. Het idee dat je harmonie moet zoeken, zou van oudsher in de Chinese filosofie verankerd zitten. Het zou vooral afkomstig zijn van de Chinese filosoof Confucius, die in de zesde eeuw voor Christus leefde.Met de ideeën rond een harmonieuze wereld wil China aantonen dat het land nooit expansief, koloniaal of agressief is omgegaan met de buitenwereld, en dat de buitenwereld dat ook nu niet hoeft te verwachten. Het zou simpelweg niet in de Chinese aard zitten. Een veel aangehaald 'bewijs’ voor de stelling dat China imperialistische ambities mist, is het geval van de Chinese zeevaarder Zheng He die al begin vijftiende eeuw grote wereldreizen maakte met zijn voor die tijd uiterst moderne vloot. Anders dan de Europeanen ging hij alleen nooit over tot kolonisatie van de gebieden die hij ontdekte.Daarnaast wijst China een te groot westers individualisme af: China zou, alweer door Confucius en doordat er nooit een Verlichting heeft plaatsgevonden, meer gericht zijn op harmonie en samenwerking en minder op het nastreven van het eigenbelang van het individu. Impliciet zit daarin ook het idee dat mensenrechten te zwaar worden benadrukt in een doorgeschoten westers individualisme. China zou terecht het belang van de groep boven het individu stellen als het individu de harmonie te zeer verstoort.Jin vindt de huidige Chinese boodschap aan de wereld nog verre van volmaakt. 'De meeste Chinezen zijn er nog helemaal niet mee bezig. Die zijn vooral gericht op meer materiële welvaart. Nu is Confucius als symbool genomen voor de Chinese ideologie, maar dat is behoorlijk willekeurig. Het is vooral gedaan omdat Confucius in het Westen nu eenmaal de bekendste en meest gerespecteerde filosoof is.'Zijn collega-hoogleraar Pang Zhongying zal het later nog wat oneerbiediger zeggen. 'Confucius is verworden tot een hoertje dat door China zo vaak als mogelijk aan het buitenland wordt verkocht, want een ander hoertje is er niet.'Ook Jin is kritisch over het gebruik van Confucius. Juist zijn leer kreeg er van China’s voormalige leider Mao Zedong bijzonder fel van langs. 'Van het confucianisme is dan ook bijzonder weinig overgebleven in de huidige Chinese samenleving’, zegt Jin. 'Er zijn ook veel andere filosofische richtingen aan te wijzen die bepalend zijn geweest voor China’s ontwikkeling en mentaliteit. Daaronder zitten ook heel krijgszuchtige, expansieve stromingen. Je kunt dus niet zeggen op basis van de Chinese filosofie dat China per definitie minder agressief dan andere landen zou zijn.'Toch vindt Jin het wel een goed idee dat China probeert om een eigen ideologie te formuleren: 'Het geeft in elk geval aan dat China een geïntegreerd en gerespecteerd lid van de internationale gemeenschap wil zijn. Dat op zich is winst.’
PANG ZHONGYING, ook hoogleraar aan de Universiteit van het Volk, zit in de lobby van een luxe hotel op me te wachten. We nemen plaats op antiek aandoende Chinese stoelen waar geelzijden kussens op liggen, heel keizerlijk. Dat brengt ons op de oude Chinese beschaving. Veel mensen omschrijven die als de langste ononderbroken beschaving ter wereld. 'Maar dat is helemaal niet waar’, zegt Pang fel. 'In de periode 1949-1979 werd de Chinese beschaving radicaal overboord gezet en vervangen door de communistische cultuur van de Russen. Na 1979 kwam daar de Amerikaanse beschaving voor in de plaats. In Peking vind je daarom zo goed als niets Chinees meer.’ Van het traditionele Chinese gedachtegoed is dus weinig overgebleven: 'Het confucianisme dat we nu aan het buitenland willen verkopen, is gebaseerd op een nieuw geschapen Confucius. We weten nauwelijks meer wie de oude Confucius was.'We zitten aan een lage houten tafel. Pang klopt erop. 'Kijk, dit is een voorwerp, een ding. We kunnen het exporteren omdat we het eerst gemaakt hebben. Je moet zoiets eerst hebben, natuurlijk, dan pas kun je het verkopen. Maar qua ideologie heeft China helemaal niets. Alles komt uit het buitenland. Kijk maar naar de werken van Chinese academici. Die zijn in het Chinees geschreven, maar ze zijn voor bijna honderd procent gebaseerd op buitenlandse bronnen en onderzoeken. Wat onze academici op het moment vooral doen, is die vertalen en becommentariëren’, zegt Pang.Wordt China de laatste tijd niet juist weer veel Chineser? Shell voelt zich net als andere buitenlandse bedrijven steeds minder welkom in China, eigen Chinese multinationals zijn in opkomst. China heeft ook nog nooit zo weinig willen luisteren naar westerse verzoeken om iets te doen aan de erbarmelijke mensenrechtensituatie in het land. Duidt dat niet op een steeds zelfverzekerder en eigener China? 'Welnee, we worden nog steeds voortdurend meer westers, en zeker niet meer Chinees.’ Dat is ook logisch, vindt Pang, want het Westen heeft het model geleverd waarop China’s nieuwe welvaart is gebaseerd. Ook de investeringen die China’s bloei mogelijk hebben gemaakt, komen van landen met een westers systeem. 'We hebben op het moment ook binnen China helemaal geen eigen, Chinese ideologie.’ Het hele verkoopapparaat dat nu in het buitenland wordt opgezet, lijkt daarmee onzinnig. 'Kijk naar deze antieke Chinese meubels. Die zijn net zo nep als onze zogenaamde confucianistische ideologie die we proberen te slijten in het buitenland.'China’s leegte moet vroeg of laat wel weer ingevuld worden, vindt Pang: 'China heeft een renaissance nodig, met een werkelijk eigen productie van cultuur en gedachten. Nu is alles import. Om dat weer te exporteren heeft geen zin.’ Volgens Pang ontbreekt een Chinees perspectief momenteel geheel: 'De Chinese ambitie om oplossingen aan te dragen voor de wereld is prijzenswaardig, maar helaas hebben we op dit moment nog geen oplossingen te bieden.’
DAI QING is een bekende dissidente schrijfster die in China zelf niet mag publiceren. Ze lacht hartelijk als ik begin over de export van Chinese normen en waarden. Ze heeft aan den lijve ondervonden hoe klunzig en averechts zo'n geforceerde export in de praktijk kan uitpakken. In 2009 was China als hoofdgast uitgenodigd voor de Frankfurter Buchmesse: 'De organisatoren zagen dat als een perfecte gelegenheid voor de export van een nieuwe Chinese ideologie. Ze hadden allemaal saaie schrijvers bedacht die mochten gaan. Schrijvers van ideologisch correcte boeken die niemand wil lezen. Duitsland wilde hen wel ontvangen, maar eiste dat er ook enkele kritische schrijvers en academici mochten komen. Daar stemden de organisatoren niet mee in. Mijn naam stond ook op de lijst van schrijvers die Duitsland graag wilde hebben.'China probeerde op allerlei manieren haar vertrek naar Frankfurt te verhinderen. Ze praat er smakelijk over: 'Uiteindelijk zat ik dan toch samen met de officiële delegatie in het vliegtuig. Dat waren allemaal oninteressante en ongeïnteresseerde schrijvers. Ik hoorde ze alleen maar praten over wat ze in Duitsland gingen kopen. Die hele boekenbeurs kon ze niets schelen.'Bij aankomst in Frankfurt ging de aandacht van de samengestroomde pers niet uit naar de officiële schrijvers, maar naar dissidente Dai Qing: 'Ze wilden weten hoe het me toch gelukt was om te komen en welke hindernissen de overheid voor me had opgeworpen.’ Daarmee bereikten de Chinese organisatoren precies wat ze niet hadden gewild: ophef rond Dai Qing. Alle berichten gingen over Chinese repressie en onvrijheid, en voor de ideologie die China wilde exporteren was geen aandacht meer.
'DAT IS NU precies het hele punt’, zegt een belangrijke journalist die liever anoniem wil blijven daar later over. 'Al het geld dat China aan zijn promotie uitgeeft, is in één keer waardeloos als ze dan opeens weer een kunstenaar als Ai Weiwei arresteren.’ De journalist werkt bij zijn krant als commentator. Hij is voorzichtig, omdat de controle op de Chinese media momenteel bijzonder strak is. 'Met deze campagnes wil China aantonen dat de westerse waarden niet universeel zouden zijn. Maar als China de westerse waarden voor China onacceptabel vindt, dan kan China toch ook niet verwachten dat het Westen “typisch oosterse” waarden wél gaat overnemen?'Hij gaat nog een stapje verder: 'China gaat bovendien voorbij aan waarden die wel degelijk universeel zijn. Daarnaar kun je ook in de werken van Confucius verwijzingen vinden. Dat is namelijk de drang van de mens naar vrijheid. Dat aspect blijft nadrukkelijk onbesproken.'De ideologie die China naar het Westen probeert te exporteren, blijkt niet zozeer 'traditioneel Chinees’ of 'typisch confucianistisch’, zoals China ons graag wil doen geloven. Nee: zij wordt door de overheid en geïnteresseerde academici speciaal voor het Westen op maat gemaakt. Want zoals je kunt leren hoe je een computer in elkaar zet en hoe je die geschikt maakt voor gebruik in de Verenigde Staten, zo kun je ook een ideologie verzinnen waarmee je in het buitenland je doelen kunt bereiken. Dat is althans de Chinese hoop.China’s doelen zijn divers, maar verwant. Zo claimt China het recht op eigen waarden en normen. Omdat China andere waarden en normen heeft, is het niet gepast dat het buitenland zich met zaken als mensenrechten in China bemoeit. Het tweede doel is het aanprijzen van Chinese waarden en normen bij het Westen. Dat wil zeggen: luister naar onze voorstellen op het gebied van de aansturing van internationale instellingen, want wij hebben daar met onze traditie van harmonie verstandige dingen over te zeggen. Maar het belangrijkste doel lijkt toch om onze angst voor China weg te nemen. China wil ons duidelijk maken dat het Westen van het 'van oudsher redelijke en zachtaardige’ China niets te vrezen heeft.De belangrijkste reden die professor Jin voor de export van ideologie geeft, is dan ook opvallend defensief. China lijkt niet zozeer de innerlijke drang te voelen om een ideologie in het buitenland uit te dragen, maar handelt eerder vanuit een gevoel van gebrek. Als je machtig wordt, dan hoort daar een ideologie bij. Als je die niet zomaar voorhanden hebt, dan moet je die wel laten maken. En dat is wat er op dit moment gebeurt.De bewuste constructie van een export-ideologie leidt ertoe dat China’s woorden nogal hol kunnen klinken. China praat niet zozeer vanuit een diepgeworteld gevoel van eigen gelijk, maar eerder uit diepe angst. China’s drijfveer is daarmee wezenlijk anders dan de Amerikaanse. Neem bijvoorbeeld de pogingen van de Verenigde Staten om China te overtuigen van het belang van de mensenrechten. Dat lijkt in elk geval deels ingegeven door de oprecht gevoelde overtuiging dat de VS het moreel gezien bij het rechte eind hebben. Door dat morele gelijk moet het mogelijk zijn China tot inkeer te laten komen. Zo'n gevoel van missie lijkt aan Chinese kant te ontbreken. Dat komt mede doordat China ook in eigen land een overtuigend mission statement ontbeert. De overheid gaat veel eerder pragmatisch dan ideologisch te werk. Er is in China dan ook vrijwel niemand te vinden die meent dat het confucianisme de leidraad is voor wat er momenteel in China gebeurt. Niemand die ik in China sprak gelooft in de Chinese export-ideologie zoals die op het moment bewust en kunstmatig in elkaar wordt gedraaid.Zouden wij er dan wel in moeten geloven?