De nieuwe lulligheid

Moeder en dochter zitten hand in hand, ‘zuchtend van geluk’ zoals de commentaarstem zegt. ‘In de besloten gezelligheid van deze sympathieke zithoek’, voegt de moeder toe.

Die geniet zelfs van haar tafelaansteker, hoewel het ding het niet doet. ‘Maar moeder, tafelaanstekers doen het nooit.’ Die bewering blijkt niet correct, want bij kennissen doet-ie het wel. Te benijden is men daar niet; die aansteker is nog het enige wat dat gezin bij elkaar houdt. Kortom, dit moet VPRO en, preciezer, de school van de Nieuwe Lulligheid zijn. Arjan Ederveen begon voor zichzelf en kwam met zijn fameuze Dertig minuten. Tosca Niterink dus ook op eigen benen en zij bracht ons, samen met Patty Trossel, twee geactualiseerde en naar en in dames vertaalde sprookjes. Dat het er niet meer zijn ligt, blijkens een interview in de VPRO-gids, aan onverenigbaarheid van artistieke opvattingen. De vraag is of ik in staat ben te beoordelen of het vroegtijdig eind betreurd moet worden, want de sprookjes zijn 'voor de dames’ gemaakt. Toch waag ik me eraan, gesteund door het besef dat de maaksters het kennelijk ook niet met elkaar eens konden worden en dat mijn twee eerstegraads verwante dames er verschillende visies op na houden over dit vraagstuk. 'Ach’, zegt de een, 'idee niet origineel (alle schoolkinderen doen het) en dan moet je van héél goeden huize komen wil het wat zijn. Dit is melige ongein.’ 'Maar ik moest er wel vaak om lachen’, zegt de ander.
Ik geef ze allebei gelijk. Het is als met het verbeelden van verveling in toneelstuk en film: soms wordt de film zelf er vervelend van, soms lukt het met verveling te boeien. Ongein is ongein maar soms juist om te lachen (zie de Verzamelde Werken van Ederveen & Niterink). Hier schommelde het heen en weer. Vertaal alle mannen in vrouwen, dan worden alle relaties lesbisch. Dat verrast even en dan niet meer. Laat Trossel af en toe een lied zingen dat qua toon volslagen afwijkt van de dialogen, en het houdt vooral de handeling op.
Maar als Assepoesters prins in een stadswachteres vertaald blijkt die, gekleed in dat gruwelijke uniformpje, haar lief te paard door de nieuwbouwwijken van Almere meevoert, dan wil ik daar best om grijnzen. Als de vrouwelijke levensgezel van Assepoesters moeder directeur blijkt van Terracotta Sierpot BV die naar terracottapottenconferenties moet, dan hangt het volledig van ’s kijkers gestrengheid of de meligheidsgraad af of de beoogde lach verschijnt. Waarbij vermoed kan worden dat in het lesbo-café het gegier niet van de lucht is.Want dat kenmerkt subculturen: is in een dramaproduktie iedereen zwart of homo of bekeerd tot de Heer, dan is het waarderingscijfer in kringen van zwarte enzovoort kijkers op voorhand al beduidend hoger.
Assepoester hing tussen minderheidsprovincialisme en bredere VPRO-humor (ook een provincie maar dan een veel grotere) in. Ik vond het aardig genoeg. Wie het neersabelt, verzoek ik even te denken aan de commerciële drab die ons om de oren vliegt. Al is dat een te treurig argument.