Het verlangen naar een meerderheidsstaat

De nieuwe meerderheid is antipolitiek

Nederland was altijd een natie van minderheden. Die tijd is echter voorbij. Steeds manifester wordt het verlangen naar een meerderheidsstaat. Het woord compromis is een voos begrip aan het worden, het begrip verscheidenheid eveneens.

Op oudejaarsavond hangt Youp van ’t Hek als Jan Klaassen in de touwen. Jarenlang heeft hij stad en land gewaarschuwd voor de consequenties van de lege consumptiemaatschappij. Maar nu die zich aandienen, blijft hij het antwoord schuldig. Hij klapt bij wijze van apotheose dubbel in een poppenkast op het podium. Als een schaker die de voortzetting in het middenspel mist. Op de nieuwjaarsreceptie van Amsterdam in het Concertgebouw kiest burgemeester Job Cohen een etmaal later voor de splijtende ironie. Bijna een kwartier lang spreekt hij louter in de derde persoon enkelvoud. De burgervader, zegt hij over zichzelf, zou een eindeloze reeks verstandige opmerkingen kunnen maken over de stad. Hij doet het stiekem wel, maar niet echt. Zelfs wanneer hij «iedereen een gelukkig en gezond 2003» toewenst, komt «ik» Cohen niet te pas. Ook dat legt hij in de mond van de burgemeester. Het doet denken aan de laatste partijleider van de Communistische Partij der Sovjet-Unie, die zichzelf graag «hij» Gor batsjov noemde, of, minder apocalyptisch, aan het eerste democratisch gekozen staatshoofd van Rusland, voor wie «president Jeltsin» een ander woord was voor «ik».

In dit klimaat moet Nederland over twee weken naar de verkiezingen. Saxofonist en columnist Hans Dulfer stemt dan uiteraard niet. Dat is op zichzelf niet bijster boeiend. Dulfer is die vorm van burgerlijke onthouding verplicht aan zijn reputatie. Maar het argument dat hij daarvoor niet lang geleden in Nieuwe Revu gebruikte, is wel interessant: «Geen enkele partij doet precies wat ik wil. Dat noem ik geen democratie.»

Een persoonlijke opvatting over democratie is een ieder gegund, ook Dulfer. De redenering is niettemin een vorm van minachting voor de klassieke Nederlandse democratie, waarin minderheden met vallen en opstaan een meerderheid proberen te vormen. Ze illustreert bovendien meer dan alleen Dulfers opvatting over de traditionele politieke cultuur in Nederland. Hij zegt wat miljoenen mensen nu massaal etaleren. En hij schaamt zich er allerminst voor. Net zomin als bijna vier van de tien volwassen landgenoten die eveneens afzijdig willen blijven en dus niet de in hun ogen zinloze gang naar het stemlokaal wensen te ondernemen.

Het proces is al decennia gaande. Tot vorig jaar wonden slechts enkelingen zich erover op. Het bleef meestal bij wat zorgelijke blikken en krokodillentranen op de verkiezingsavond plus een waarschuwend commentaartje de volgende dag in de krant. Daarna ging iedereen weer door met zijn eigen bezigheden, die daags daarvoor toch maar weer mooi door de wél opgekomen kiezers waren gelegitimeerd.

Zo beschouwde voormalig VVD-leider Frits Bolkestein een lage opkomst bij verkiezingen als een signaal van tevredenheid. Natuurlijk waren er problemen, erkende Bolkestein vaak en soms als een der eersten. Maar die lieten zich toch heus oplossen door de politici in Den Haag. Afstand tussen burgers en bestuur was juist goed. Mits hij en andere nuchtere liberalen de zaak zo nu en dan op scherp konden zetten. Waarna hij in 1998 de vaderlandse politiek verliet om in Brussel de Europese Unie te gaan besturen. Hij had het wel gezien in Den Haag.

Ruim dertig jaar geleden heette deze houding «repressieve tolerantie», naar de verkeerd begrepen theorie van Herbert Marcuse, die toen tot zijn eigen verbazing op de golven van de drastische en directe democratiseringsbeweging ineens heel populair was geworden. Steeds meer kiezers begrepen Marcuse sindsdien als theoreticus van de tolerante onverschilligheid. Ze bleven thuis. H.J.A. Hofland noemde hen «staatsverlaters»: burgers die de overheid de rug hebben toegekeerd zonder daarvoor de consequenties te willen dragen.

Pas sinds 2002 wordt de afzijdigheid van de grootste partij, die van de niet-stemmers, opgevat als een vorm van wraak. Volgens de gangbare sociologische theorie heeft zich het afgelopen jaar een nieuwe electorale coalitie gevormd: tussen de maatschappelijke «runners up» en de sociale lagen die bang zijn voor degradatie, zoals onder anderen Gabriël van den Brink en Warna Oosterbaan in NRC Han delsblad hebben aangetoond. De eersten hebben geprofiteerd van het hoge tempo van de economische herstructurering van Nederland en willen nu hun positie vastleggen, inclusief alle culturele parafernalia die daarbij horen. De laatsten, die meer en meer aan de kant gingen staan, zien nu hun kans schoon om een dam op te werpen tegen de gestage neergang van hun omgeving. Ze hebben zich, willens en niet altijd wetend, opgeworpen als de infanteristen van het verzet tegen het establishment.

De jaren nul van de 21ste eeuw zijn in zekere zin een omkering van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Dat is een boude bewering. Op het oog heeft de meerderheid van de burgers zich in 2002 immers uitgesproken tegen het culturele en argeloze liberalisme dat zich ruim dertig jaar geleden in Nederland heeft genesteld. Links, rechts of niks: de meeste kiezers willen dat hun eigen persoonlijke belangen worden behartigd, dat de vermaledijde en vooral dove elite opkrast, dat de staat simpel uitbetaalt als zij daar zelf (en dus niet de buren) recht op hebben en dat er ook nog eens rust in de tent heerst. Dat is heel veel van het goede. Sterker, het kan niet allemaal tegelijkertijd. Maar dat doet er niet toe. Alles moet anders. Twee generaties openbare bestuurders moeten hun mond houden. Het woord is aan de buitenbeentjes. Alleen de derde generatie in het CDA heeft enig prestige, dat overigens grotendeels is gebaseerd op het feit dat ze nog weinig heeft gepresteerd en dus evenmin kan worden beoordeeld op wanprestaties.

De vorm van deze reactie heeft desondanks veel weg van die van de jaren zestig. Indertijd rammelde ook een nieuwe elite aan de poorten van de macht — de Nieuw Links’ers van Marcel van Dam in de PvdA en de losgebroken katholieken à la Ruud Lubbers of protestanten in het latere CDA — en verzorgde de studerende geboortegolf buiten op straat de falanx. Toen was het hun gemene zaak de heersende meerderheidscultuur af te lossen en een nieuwe minderheidscultuur te installeren. In die zin waren de jaren zestig een klassieke Nederlandse omwenteling. Er werden her en der heilige huisjes onttakeld, maar het fundament van het staatskasteel werd niet opgeruimd. Nederland bleef een natie van minderheden.

Juist die notie is nu aan het wegsmelten. De huidige stormloop op vesting-’s-Gravenhage is namelijk niet in handen van een voorhoede die er trots op is een minderheid te zijn, maar bij uitstek de uiting van de levensstijl die de meerderheid zich de afgelopen drie decennia dankzij de democratisering heeft aangemeten. De regenten zijn tegenwoordig een culturele minderheid.

Op zondagavond 13 oktober moet dat schrijnend zichtbaar zijn geweest. Ergens op een geheime plek in Rotterdam kwamen die dag de bewindslieden en de partijtop van de LPF bijeen in een poging op de valreep de gelederen te sluiten. Eduard Bomhoff, niet bepaald bekend om zijn gezellige en empathische karakter, nam zich voor eindelijk eens leiding aan de LPF te gaan geven. Voordien had hij zijn kaarten op een disciplinerend belletje gezet, in de hoop zo zijn kibbelende partijgenoten tot de orde te kunnen roepen. Het werkte niet, zoals zijn stuurse gedrag tijdens de opmars van de politieke studentenbeweging medio jaren zestig hem ook niet had geholpen om een onwankelbare positie te verwerven.

Daarom opteerde hij 13 oktober voor een andere aanpak: met de opwindende kleding van de even opwindende zaterdagavondkoorts zou hij het pleit in zijn voordeel beslechten. Gekleed in een zwarte coltrui en een zwarte leren broek verscheen vice-premier Eduard J. Bomhoff in Rotterdam. Dat zou de spanning wegnemen en de stemming doen stijgen, dachten hij en zijn vrouw in Gouda.

Het moet een fantastisch beeld zijn geweest. De vice-premier — die thuis nog steeds geen televisie heeft en anno 2002 ook zonder deze kennis van de beeldcultuur een politieke rol dacht te kunnen gaan spelen namens een groep kiezers die gemeen hebben dat ze heel erg veel televisie kijken — voegde zich naar een kledingvoorschrift dat intussen zo is genormaliseerd dat vooral keurige dames zich erdoor laten leiden. Bomhoff, de man die zijn hele leven een minderheidspositie had ingenomen, zocht de meerderheid waarvan hij het boegbeeld wilde zijn en ging uiterlijk op zijn knieën. Hij was te laat, werd door de geschiedenis gestraft en moest na een week een enkele reis Gouda pinnen.

Bomhoff had ergens een afslag gemist, zonder het te weten. Hij dacht aan de harmonieuze jaren vijftig, met een vleugje eigengereide 21ste eeuw, kortom, aan de lange traditie van Nederland waar minderheden coalities moeten smeden om erger te voorkomen. Zijn leren broek was een poging te laten zien dat hij wel degelijk kon schikken en plooien.

Die tijd is echter voorbij. Nederland hunkert naar een meerderheidsstaat met leiders die zich niet aanpassen maar de baas zijn. Het woord compromis is een voos begrip aan het worden, het begrip verscheidenheid eveneens. Het bijzonder onderwijs is, zelfs volgens VVD-leider Gerrit Zalm, eigenlijk alleen bestemd voor christenen en andere vertrouwde vormen van eigenheid. En de multiculturaliteit, op zichzelf een feit maar nu opgevat als een suspecte en decadente ideologie, wordt minder en minder begrepen als het aloude en oer-Hollandse adagium «eenheid in verscheidenheid». Was politiek vroeger een ondankbare oefening in haalbaarheid, nu is politiek pas politiek wanneer ze zich manifesteert als verzetsdaad. En wel in naam van alles en iedereen.

De meeste vingerwijzingen voor dit verlangen naar een meerderheidscultuur komen van de kant van de LPF. Kort na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart had Pim Fortuyn een eerste voorzet gegeven. Indien Leefbaar Rotterdam als grootste partij niet met respect werd bejegend, zou hij ervoor zorgen dat het heel druk werd op de Coolsingel. Dan zou zijn volk wel raad weten met de volksvertegenwoordigers van de minderheid in het stadhuis.

Dat was niet aan dovemansoren gericht. Zo zei fractieleider Ronald Sörensen van Leefbaar Rotterdam in het kleurenmagazine M van NRC Handelsblad: «Had ik maar de absolute meerderheid. Dat je de dingen met sneltreinvaart kan doen. À la minute de bedelaars en de junks van straat en de stad uit.» Met andere woorden: wij willen wel, maar de burgers die niet vóór ons zijn, zijn tegen ons.

Zijn geestverwant Hilbrand Nawijn, scheidend minister van Vreemdelingenzaken en Integratie alsmede gemankeerd partijleider van de LPF, uitte ongeveer tegelijkertijd in, wederom, Nieuwe Revu een vergelijkbare hartenkreet. Het parlement houdt zich volgens hem vooral bezig met «rituelen». Nog erger vond hij het dat de Tweede Kamer je als minister niet laat uitspreken maar je te pas en te onpas in de rede valt. Dat is niet gelogen. Maar de subtekst van Nawijn doelde op iets anders: de volksvertegenwoordiging moet ondergeschikt zijn aan de regering en dus afstand doen van haar bestaansreden: op haar eigen wijze de rijksoverheid kunnen controleren namens de verschillende belangen die Nederland rijk is. De tweede laag van Nawijn was nog helderder en belangrijker: in de democratie moet de inhoud prevaleren boven de vorm, is de krachtpatserij van hem belangrijker dan het parlementaire proces, moeten minderheden de illusie laten varen dat ze een rol in het geheel mogen spelen.

Als het hierbij was gebleven, waren er weinig mannen overboord geweest. Maar voordien had de lokale VVD-voorman Nico Janssens, hopend een afrekening van de Rotterdammers met zijn partij bij de raadsverkiezingen te voorkomen, ook al gehint op deze emotie. Janssens wilde voortaan op straat alleen nog maar Nederlands horen, zei hij. En bij het scheiden van de markt stak kortstondig CDA-leider Elco Brinkman zijn hoofd boven water. In een interview met de Volkskrant bereed hij op 28 december een stokpaardje dat hij al jaren koestert. Nog voordat de stembussen open zijn, boorde Brinkman de hoop van zijn eigen partij op een meerderheidscoalitie met de VVD de grond in: «Een coalitie die 76 zetels haalt is geen garantie voor noodzakelijke maatregelen. Dan kom je eerder uit bij een interim-kabinet van technocraten waarbij de politiek zich eventjes terugtrekt in de Kamer. Er moet een aantal stevige besluiten vallen over de veiligheid, de zorg, de arbeidsongeschiktheid en de ruimtelijke ordening. Het zijn thema’s waarbij gevestigde belangen moeten worden doorbroken. Zet daar voor een tijdje mensen neer die over vrije handen beschikken.» Welke stevige besluiten bleef ongewis. Hoe die gespierde beslissingen zich verhouden tot de parlementaire democratie werd evenmin opgehelderd. Ook in deze tekst zat een heimelijke mededeling verscholen van de man die zichzelf met ere bureaucraat noemt: politici kunnen niet besturen, wij wel. Tot heil en zegen van het land. Uiteraard.

Om het beeld te complementeren, en onheilspellender te maken: de natuurlijke tegenstander van dit antipolitieke idee van Brinkman biedt evenmin weerwerk. Inderdaad, de PvdA. Wat wil de sociaal-democratie? Het is een raadsel. Ze heeft wat gerommeld met haar politieke personeel, ze heeft de koers rond immigratie en multiculturaliteit bijgesteld in de richting van minder relativisme en meer planning.

Maar één ding wil de PvdA eigenlijk niet: regeren. Voor het eerst in bijna veertig jaar is de partij niet bereid de vraag te stellen die haar leven en welzijn al sinds de oorlog bepaalt: de machtsvraag. De vraag die sinds 1977 alle verkiezingen domineert: wie wordt de grootste, aan wie vertrouwen wij de leiding van de onvermijdelijke coalitie toe? De sociaal-democraten zijn niet toe aan de macht en willen dat weten. Deze boodschap is pijnlijk: als we niet willen winnen, kunnen we niet verliezen. De PvdA koestert even de marge.

Dat is geen klein bier. In het land van minderheden was de machtskwestie altijd een manier om richting te geven aan de coalitie die het best aansloot bij de actuele stand van zaken. Centrum-links, centrum-rechts of Paars: het waren allemaal bondgenootschappen waarin oude antagonisten het met elkaar op een akkoordje moesten gooien. Zelfs partijen die zich in de oppositie zaten te verbijten, wisten dat ze een deur op een kier moesten houden voor het geval dat.

In woord en geschrift heeft de PvdA niet alles in het slot gegooid. Maar alleen een hond gelooft dat het CDA, als het met de liberalen geen meerderheid heeft en dus naar gene zijde van het spectrum moet kijken, na 22 januari zijn oren naar de PvdA zal laten hangen.

Verkiezingscampagnes waren in Nederland tot nu toe een opmaat tot de onderhandelingen die daarna beginnen. Men zei elkaar de waarheid, maar hield altijd een slag om de arm omdat er kiezers waren die andere waarheden óók waardeerden. Die tijd is voorbij. De PvdA gooit de handdoek in de ring nog voordat er bij de burgers is aangebeld.

Met deze strategie opent de PvdA de deur niet alleen wagenwijd voor een tweede aanval op de politieke cultuur — die zich dit keer via de SP zal uitkristalliseren —, ze stimuleert ook het verlangen naar een technocratisch kabinet van het type-Brinkman. Voor de partij in engere zin biedt dat wellicht uitkomst, dat wil zeggen rust; maar voor de politieke verhoudingen in den brede is het wel degelijk ingrijpend. Alle seinen staan op groen voor een minderheidskabinet van CDA en VVD, een coalitie die alleen stand kan houden als ze zo min mogelijk aan politiek doet en zo veel mogelijk de indruk wekt een club van probleemoplossers te zijn.

Aldus werkt de PvdA, ooit toonbeeld van de politisering en nu symbool van de apolitieke bestuurderscultuur der jaren negentig, mee aan de opmars der antipolitiek.