Opheffer

de nieuwe mens is terug

«Amsterdam zag eruit als een bedelaar», zou mijn vader later zeggen. En direct daarop: «En toen wij van de boot af stapten wisten wij: wij waren ook bedelaars.»

Het was 1952. Ze hadden in Indië in het kamp gezeten en toen ze waren bevrijd, mocht mijn vader niet terug, maar moest hij het Binnenlands Bestuur in Indië helpen opzetten. Toen Indië verloren was en de rampspoed aan de horizon kwam opzetten, gingen ze voor het eerst terug naar Nederland.

Mijn vader was indoloog – een beroep plus een studie die ineens waardeloos was geworden. Ja, hij kon de koran in het Arabisch lezen en hij was op de hoogte van de wetten en de gebruiken van de inlanders, de Adat, maar daar bleef het bij.

Mijn moeder, balletlerares, verpleegster, moeder, kon eigenlijk niks.

En daar stonden ze. In Amsterdam. Een Indo en een Hollandse. Zonder iets.

Mijn vader merkte dat hij gediscrimineerd werd, maar in die tijd gebruikte je dat woord niet, en was het eigenlijk normaal. Althans later zei hij vaak dat je er toch niets tegen kon doen. Mensen hadden nou eenmaal een vooroordeel tegen Indo’s.

Hij zou anderhalf jaar werkloos blijven.

Ging weer rechten studeren en haalde zijn meesterstitel.

Het cynisme stroomde door hun aderen. Hun God hadden ze verloren, hun land hadden ze verloren en het Nederland van voor de oorlog waren ze kwijt, familie waren ze kwijt, hun gezondheid was deels weg.

Cynisme was een attitude die je, vreemd genoeg, het leven deed weerstaan. Het zou allemaal slecht aflopen, en het diende nergens toe, en alles zou ooit weer eens vernietigd worden, maar daarom, en daarom alleen, was het enige wat restte: de boel zo goed en zo kwaad als het ging weer opbouwen. Zelf vorm geven aan je eigen bestaan.

Sartre kwam daarom als een nieuwe God uit Frankrijk.

Het existentialisme met zijn credo «de mens is wat hij van zichzelf maakt» was aansterkend geestelijk voedsel voor een naoorlogse generatie die niet meer wist hoe ze moest denken. Zijn wat je er zelf van maakt – daarmee kreeg je vanzelf verantwoordelijkheid, je was verantwoordelijk voor je eigen daden… Het waren toverformules voor die generatie die opnieuw moest beginnen.

Wat werd onderschat was dat er een generatie was die opnieuw moest beginnen en een generatie die opnieuw begon. Daartussen zat een generatiekloof die groter zou worden.

Mijn ouders waren dertigers toen ze uit de oorlog kwamen; de twintigers, in die tijd gevoed met hetzelfde cynisme, besloten het anders aan te pakken. Harder, meedogenlozer, revolutionairder – zoals het jongeren betaamt. Ook zij lazen Sartre, maar ook Bakoenin, Lenin, Marx – het vreemde is dat ze de overeenkomsten met het nazisme niet zagen, maar juist de grote verschillen, en daaraan trokken ze zich op. Marxisme, dat was pas rechtvaardig!

Mijn vader, doodsbang voor het communisme, heeft die stap nooit kunnen zetten. En toen Sartre meer communist dan denker bleek, werd het cynisme nog cynischer. Het humanisme waartoe mijn vader was bekeerd, werd een antihumanisme. Een levensbeschouwing waarin geen plaats was voor God, maar ook geen plaats voor De Nieuwe Mens, zoals Marx die wilde.

Met dat cynisme ben ik opgevoed.

En tegen dat cynisme heb ik me verzet.

De hippiebeweging – ik heb het vaak gezegd – was in feite een conservatieve stroming, tegen de moderniteit, tegen het humanisme, voor een Nieuwe Mens, half fascistoïde en tamelijk kinderachtig.

We zijn nu vijftigers… Wij, dat zijn de kinderen van de jaren vijftig. De God Plastic is de God Computer geworden.

Het cynisme werkte goed door in onze samenleving; steeds weer vragen en uitzoeken waar de grenzen zijn, dan de wetten bepalen en je daaraan houden, of ze weer overtreden – alles in het tanige besef dat het leidt tot niets. Zelf verantwoordelijk zijn – dus ook verantwoordelijk voor de ander. Steeds weer vragen wat Rechtvaardigheid is, Solidariteit, Vrijheid – begrippen die in alles lijken op water en helaas in niets op marmer.

En hier zitten wij vijftigers dan. We kijken naar de jeugd en merken op dat die het cynisme kwijt is.

Ze geloven in God en Allah, in een leven na de dood; ze geloven dat het goed is om niet ten strijde te trekken als er onrecht heerst. Ze hebben de stortvloed van Rechtvaardigheid, Solidariteit en Vrijheid niet kunnen stuiten, niet kunnen beheersen; de grootste schoonheid is het Offer. Jezelf offeren voor een groter doel. Een levend mens offeren voor de Nieuwe Mens.

Want Hij is terug. Die Nieuwe Mens.

Zijn gelul is oorverdovend, zijn gezwatel wordt namelijk serieus genomen. Hij baant zich een weg door middel van verraad, achterklap en goedkope praatjes.

Het is tekenend dat onlangs het Evangelie van Judas is gevonden; de leugenaar had helemaal niet gelogen. Waarschijnlijk heeft de leugenaar gelijk! Alle anderen hadden gelogen.

Ik probeer de volgende zin op te schrijven: «Ik zal nooit meer schrijven over de moord op Theo van Gogh.»

Van hoofdredacteur tot lezer ergert men zich wat dat betreft aan mij.

Maar ik kan die zin niet schrijven.

Ik huil niet om Theo, ik mis hem, maar dat is het dan ook. Zijn dood was meer dan slechts het verlies. Zijn dood was, voor mij, een infarct, een aanslag van de Nieuwe Mens. Een aanslag op mijn cynisme, dat juist mensen in leven wilde laten, tegen het optimisme van het zinloze offer dat de weg voor de Nieuwe Mens baant.

Ik zie een bedelaar.

En ik ben zelf een bedelaar geworden. Een stomme bedelaar. Ik zing vals een lied dat niemand wil horen, en toch vraag ik om aandacht.

Omdat ik cynisch ben.