De nieuwe mens zonder keuken

Een reconstructie van het leven van de bewoners van het Huis van de regering resulteert in een mentaliteitsgeschiedenis van de sovjetelite in de jaren twintig en dertig.

Medium scrss007470
Het Huis van de regering, in 1931 in gebruik genomen wooncomplex voor de sovjet­elite tegenover het Kremlin © SCRSS / Topfoto

Hoe velen zullen er gestorven zijn met Stalins naam op hun lippen? Er is, sinds begin jaren negentig sovjetarchieven van de geheime diensten opengingen, al vaker indringend geschreven over de stalinistische terreur in de jaren dertig, toen behalve miljoenen naamlozen ook de hoogste kaders van staat en partij eraan moesten geloven – meestal op grond van verzonnen beschuldigingen dat ze altijd al spion waren geweest en de opbouw van het sovjetsocialisme hadden gesaboteerd. Maar Het huis van de regering van de Amerikaans-Russische historicus Yuri Slezkine, twaalfhonderd pagina’s dik, biedt de lezer een nieuw venster op die terreur.

Ongeveer in dezelfde tijd richtten de wandaden van Hitler-Duitsland zich tegen specifieke groepen: politieke tegenstanders, joden en anderen. Maar Stalins terreur richtte zich eigenlijk tegen iedereen, met name tegen het eigen kamp van goedwillende, overtuigde communisten. Al die verzonnen complotten, door marteling afgedwongen zelfbeschuldigingen, quota voor het aantal ‘volksvijanden’ dat in een regio of een organisatie geliquideerd moest worden, het feit dat daders even later zelf slachtoffer werden, en massa-executies, wekken de indruk van een redeloze, massale suïcide. Misschien is dat een van de redenen waarom in het hedendaagse Rusland de herinnering aan de stalinistische terreur van overheidswege onder het tapijt wordt geschoven: je kunt een zelfmoordenaar bezwaarlijk als schurk aanmerken.

Hoe heeft dit allemaal kunnen gebeuren? Als je ergens geen rationele verklaring voor hebt, kun je altijd nog je toevlucht nemen tot een irrationele verklaring. En dat is precies wat Slezkine (de correcte Nederlandse transcriptie van zijn Russische naam zou overigens Joeri Sljozkin zijn) doet. Voor hem is de bolsjewistische sovjetvariant van het marxisme die onder Lenin in 1917 in Rusland aan de macht kwam geen ideologie, en nog minder een politieke partij. Het is een religieuze sekte, zoals de Wederdopers, met de bijbehorende verwachting dat de Apocalyps en het duizendjarig rijk aanstaande zouden zijn, als er maar niet overal ketters de komst van de heilstaat zouden verhinderen. Die moeten dus dood, het zondig Babylon dient gezuiverd.

Even afgezien van deze religieuze visie, die Slezkine onderbouwt met honderden pagina’s vergelijkende godsdienstgeschiedenis, is Het huis van de regering een originele, spectaculaire bijdrage aan de historiografie van de Sovjet-Unie vóór 1940. Het Huis uit de boektitel is een in 1931 in gebruik genomen complex van 505 appartementen voor de sovjetelite aan de oever van de rivier de Moskva, schuin tegenover het Kremlin. Slezkine heeft, gebruik makend van veelal tot nu toe onbekende familie- en andere archieven, het leven van een kleine honderd bewoners gereconstrueerd. Het resultaat is een mentaliteitsgeschiedenis van de sovjetelite in de jaren twintig en dertig. Vrijwel niets lijkt aan de aandacht van de historicus ontsnapt: wat ze aten, hun carrière, wat ze deden in hun schaarse vrije tijd, wat ze lazen, hun meubilair, met wie ze samenwoonden, trouwden en weer scheidden.

Vanaf 1936 werd deze elite steeds vaker geconfronteerd met de nachtelijke klop op de deur, het sein voor arrestatie, wekenlange verhoren en marteling en, al of niet na schijnproces of korte administratieve procedure, de gang naar het strafkamp of gewoon de kogel – voor de nabestaanden omschreven als ‘tien jaar zonder recht op correspondentie’. De terreur schokte in veel gevallen niet het geloof in de zaak van het communisme. Zo citeert Slezkine Anna Larina, weduwe van Nikolaj Boecharin, de meest prominente en bekende communist die Stalin heeft laten ombrengen. In 1938, als haar man net is doodgeschoten en zij zelf tot acht jaar is veroordeeld (het zouden er twintig worden) schrijft Larina in de cel een gedicht over haar rotsvaste vertrouwen in de Oktober-revolutie: ‘vandaag weet ik zeker dat het spoedig zal zijn/ De dag dat ik de gelederen weer zal betreden/ En trots zal marcheren op het Rode plein’.

Het Huis van de regering, dat overigens nog fier overeind staat, is van architect Boris Jofan. Het is opgetrokken in de stijl van het constructivisme – wel een beetje een probleem later, want die werd in de jaren dertig als burgerlijk-formalistisch verworpen. Vóór 1931 hadden de hogere kaders van de Sovjet-Unie veelal in appartementen in het Kremlin gewoond, of in een van de betere hotels die door de staat waren ingepikt, zoals het Natsional of Metropol.

Het woonconcept droeg sporen van het concept ‘nieuwe mens’ uit de Sovjet-Unie van de jaren twintig. Het traditionele, burgerlijke gezin had afgedaan, net als privé-bezit en individualisme. De 505 appartementen bevatten dan ook geen keuken. Er was een collectieve keuken in het complex, dat ook een bioscoop, theater, buffetten, sportzalen, bibliotheek, wasserij en een kleuterschool telde. Hoewel veel bewoners daar de hand mee lichtten, was het niet de bedoeling je eigen meubels mee te nemen – de inpandige timmermanswerkplaats voorzag in de inrichting. Dat klinkt wellicht spartaans, maar het leven in het Huis van de regering stak comfortabel af bij dat van de rest van de stadsbevolking. Die huisde meestal in ‘kommoenalki’, van ‘burgerlijke’ eigenaren afgepakte stadsappartementen – per kamer één gezin.

Het boek wordt er niet sympathieker op als blijkt dat Slezkine het communisme vooral als joodse sekte wil zien

Bovendien beschikte de sovjetelite over andere privileges. Menige oude bolsjewiek, die nog onder het tsarisme het licht van het communisme had gezien en dat in sommige gevallen met jaren ballingschap in Siberië had moeten bekopen, werd aan het eind van zijn leven bevangen door dodelijke vermoeidheid en existentiële teleurstelling over het uitblijven van de wereldrevolutie en de communistische heilstaat. Gelukkig was er dan een uitgebreid netwerk van comfortabele kuuroorden, bijvoorbeeld op de Krim, om het leed te verzachten.

Het eten was voor de elite veelal heel behoorlijk. Terwijl in delen van het sovjetrijk regelmatig hongersnood heerste, vaak georganiseerd als straf voor de behoudende mentaliteit van de plaatselijke boerenstand, hadden de bewoners van het Huis van de regering de mogelijkheid maaltijden te bestellen bij de beste hotels en restaurants van de stad, om de monotonie van de keuken van het Huis te doorbreken.

Een lichtpuntje was ook de mogelijkheid om een echtgenote te verruilen voor een jongere. Het echtpaar Boecharin-Larina, met 27 jaar verschil, was een voorbeeld. Soms bestond de mogelijkheid om het vorige gezin binnen het complex te laten verhuizen of zelf met de nieuwe partner een nieuw liefdesnest te beginnen – er waren grote verschillen in de omvang van de 505 appartementen, van heel groot tot éénkamerflat. Vaak ook leefde men in hetzelfde appartement als een soort extended family, met de oude én de nieuwe vrouw, kinderen uit beide verbintenissen, en soms beide schoonmoeders.

Het bestaan van de sovjetelite was niet zonder een zekere glamour – in weerwil van alle officieel beleden communistisch ascetisme. Tot de betere verhalen in Slezkine’s boek behoren de lotgevallen van Sergej en Agnessa Mironov. Hij was een begaafd politie-officier die tot 1939, toen hij zelf de kogel kreeg, van hot naar her werd gestuurd om op grote schaal vijanden van het socialisme te liquideren: Tsjetsjenië, Oekraïne, Kazachstan, Mongolië. Zij hield een dagboek bij, waaruit blijkt dat tot in de meest onherbergzame oorden er altijd elitevrouwen waren om gesoigneerde soirées mee te organiseren, en naaisters voor japonnen.

De terreur bracht binnen het Huis nogal wat verhuizingen teweeg, van familieleden van gearresteerden naar kleinere appartementen, en nieuwe bewoners die niet zelden binnen een paar maanden ook weer gearresteerd werden. Op 10 mei 1938 bijvoorbeeld werden er van de 505 appartementen 86 bewoond door familieleden van gearresteerden.

Slezkine is niet de eerste die een analogie ziet tussen het sovjetcommunisme en religie, ter verklaring van onbarmhartig en bloedig fanatisme, en ongevoeligheid voor feiten. Maar het gaat hem niet om een analogie. Hij meent dat het sovjetcommunisme een religieuze sekte wás. Literair is dat wellicht een aansprekend idee – Slezkine lijkt zichzelf als een soort Dostojevski te zien, die langs de weg van anekdotische gegevens een morele toestand betrapt. Voor een historicus is zo’n invalshoek echter een beperking. Zo maakt Slezkine weinig woorden vuil aan de rol van Stalin bij de ontketening van de terreur – Lenin als profeet van de sekte is hem voldoende.

Het boek wordt er niet sympathieker op als blijkt dat Slezkine het communisme vooral als een joodse religieuze sekte wil zien. Al in 2004 heeft hij, in The Jewish Century, betoogd dat alle grote ideologieën sinds eind negentiende eeuw – liberalisme, nationalisme, communisme – joodse ‘uitvindingen’ zijn, zodat heel de moderne wereld eigenlijk naar joods model leeft. In Het huis van de regering constateert Slezkine dat een derde van alle bewoners jood was, en van de rest een groot deel met joodse vrouwen getrouwd. Zij zagen elkaar als leden van dezelfde ‘stam’, schrijft hij – een van de weinige beweringen in dit met anekdotes en citaten overladen boek die niet verder geadstrueerd worden.

Het is ook niet waar. Russische joden speelden, net als in Nederland bijvoorbeeld, verhoudingsgewijs een grote rol in de vroege arbeidersbeweging, omdat ze daar een middel tot sociale emancipatie in zagen. Dat verklaart hun relatieve oververtegenwoordiging in allerlei marxistische en revolutionaire bewegingen, maar het maakt zulke – meestal atheïstische – groeperingen nog niet tot joodse organisaties. Hier leidt Slezkine’s uitgangspunt voor de lezer tot onaangename reminiscenties aan Hitlers veldtocht tegen het ‘judeo-bolsjewisme’ en hedendaagse Russisch-orthodoxe priesters die preken dat de moord op de tsarenfamilie in 1918 een ‘joodse rituele moord’ is geweest.

Wie zich ondanks dit alles wil wagen aan de lezing van Slezkine’s opus magnum neme liefst het Engelstalige origineel ter hand. De Nederlandse vertaling staat vol met anglicismen en honderden kreupele zinnen, waarbij vaak duidelijk wordt dat de vertalers geen flauw idee hadden naar welke sovjetbegrippen verwezen wordt.